Posts tonen met het label Eerste Kamer. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Eerste Kamer. Alle posts tonen

dinsdag, juni 15, 2010

512. Kritische kanttekeningen vanuit ouder- en kindperspectief bij het 'Wetsvoorstel Kinderombudsman' dat om 16.00 uur in de Eerste Kamer wordt behandeld

Stelling: 'Ouders en kinderen zouden zich het klachtrecht bij de bij 'De Nationale Ombudsman' in te stellen 'Kinderombudsman' tegen overheidsinstanties niet verder moeten laten afnemen, ten gunste van een zgn. toegevoegd "klachtrecht voor bestuursorganen" voor diezelfde overheidsinstanties en bestuursorganen (zoals kinderbescherming en jeugdzorg)'. 

Er is geen enkele behoefte aan een Kinderombudsman als weer een nieuwe kinderbeschermingsinstantie zoals nu in dit wetsvoorstel wordt voorgesteld, maar aan een Kinderombudsman waar ouders en kinderen ook werkelijk met hun klachten tegen de overheid, de kinderbescherming en de jeugdzorg terecht kunnen en die die klachten ook serieus onderzoekt en vanuit dat perspectief aanbevelingen voor verbetering doet. 

Vanuit het oogpunt van de reeds naar de overheid doorgeslagen machtsverhoudingen en de 'equality of arms' voor burgers, ouders en kinderen, dient niet het perspectief van de overheid en haar bestuursorganen weer opnieuw centraal te worden gesteld bij de in te stellen Kinderombudsman, maar juist dat van ouders en hun kinderen die met deze overheid te maken krijgen.

Vanmiddag om 16.00 uur komt in de Eerste Kamer het wetsvoorstel Kinderombudsman van PvdA-er Arib aan bod. 
Livestream
Via internet kunt u vanmiddag om 16.00 uur desgewenst rechtstreeks de plenaire vergadering van de Eerste Kamer volgen. (In de regel wordt in de Eerste Kamer alleen op dinsdagmiddag vergaderd.)
Stenogram
Van iedere plenaire vergadering wordt een woordelijk verslag gemaakt. Het ongecorrigeerde verslag ofwel 'stenogram' wordt meestal op de dag na de vergadering op deze website gepubliceerd. Klik hier voor de meest recente stenogrammen.

Stukken
De vanmiddag geagendeerde stukken rond het Wetsvoorstel Kinderombudsman zijn hier te vinden:
Dit wetsvoorstel heeft de vorm van een wijzigingswet op de Wet op de Nationale Ombudsman en stelt een Kinderombudsman aan als substituut-ombudsman bij het bureau van De Nationale Ombudsman en bepaalt daarvoor een specifieke eigen (en dus andere) werkwijze en taakstelling.

De Nationale Ombudsman behandeld normaal klachten van burgers tegen het overheidsapparaat. M.i. proberen de protagonisten van een 'Ombudsman voor kinderen' met dit wetsvoorstel echter juist het klachtrecht van burgers, ouders en kinderen in 'kinderzaken' te vervagen, beperken, belemmeren en tegen te werken, ten gunste van 'een zgn. veel bredere en algemenere' onderzoekstaakstelling naar klachten (incl. de klachten uit of van bestuursorganen, naast de private klachten van burgers) door de Kinderombudsman, een en ander zgn. in het 'belang van de jeugd' (jawel, daar istie weer, die gouden haarlemmerolie-formule van en voor kinderbescherming en jeugdzorg!).

De Kinderombudsman is in het wetsvoorstel nl. niet verplicht om alle klachten van ouders, kinderen en jongeren te onderzoeken. De Kinderombudsman krijgt daarin eigen beslissingsbevoegdheid (zgn. eigen discretie), Volgens Arib doet de kinderombudsman in haar wetsvoorstel dan ook vooral veel meer dan klachten behandelen: nl. misstanden signaleren en onderzoeken, voorlichting geven over kinderrechten en het doen van aanbevelingen.

M.i. heeft de politiek daarmee de onderzoeksruimte van de Kinderombudsman in individuele klachten van burgers beperkt ten gunste van een soort algemene onderzoeks- en adviestaakstelling aan politiek en overheid op aangeven van kinderbescherming en jeugdzorg (de zgn. klachten uit of van bestuursorganen). De Kinderombudsman uit het onderhavige wetsvoorstel onderzoekt kortom niet alle klachten van burgers meer, maar 'vooral' zaken die door die instanties en bestuursorganen als kinderbescherming en jeugdzorg ook 'in het belang van de jeugd' als 'algemeen onderzoekwaardig' geacht worden.

Instanties als kinderbescherming en jeugdzorg schuiven daarmee naar mijn opvatting opnieuw het individuele klachtrecht van burgers opzij en eigenen zich deze Kinderombudsman in feite als hun eigen spreekbuis toe.

Tegen deze verdere uitholling van het klachtrecht van burgers en jongeren ten gunste van een toegevoegd "klachtrecht voor bestuursorganen" (bestuursorganen zijn de instanties waarover door burgers juist geklaagd moet kunnen worden) zou m.i. daarom op zijn minst stelling kunnen worden genomen door de ouderorganisaties vindt het Vader Kennis Centrum.

Er is immers geen enkele behoefte aan een Kinderombudsman als weer een nieuwe toegevoegde 'kinderbeschermings- of inspectieinstantie' in het al te grote pandemonium van kinderbeschermings- en jeugdzorginstanties. Waar behoefte aan is is een Kinderombudsman die klachten van burgers, ouders en kinderen tegen kinderbeschermings- en jeugdzorginstanties (de zgn. bestuursorganen van de overheid) serieus neemt en vanuit dat perspectief ook onderzoekt en aanbevelingen doet.

Voorgeschiedenis wetsvoorstel
Het wetsvoorstel is al op 22 april 2010 in de Tweede Kamer aangenomen met de stemmen van PvdA, D66, VVD, ChristenUnie, SGP, CDA en PVV.
Zie voor de stemmingen op 22 april 2010: http://ikregeer.nl/document/h-tk-20092010-80-6870

De laatste TK-debatten hierover zijn hier nog terug te lezen:

Verwachting is dat dit ook in de Eerste kamer zal gebeuren. De behandeling in de Eerste Kamer is daarmee dus in zekere zin helaas al weer een achterhoedegevecht.

Zie verder de documentatie en de wetstekst hieronder om zich uw eigen mening te vormen,

Peter Tromp
VaderKennisCentrum.nl


Bijlagen:

Dinsdag 15 juni 2010 10.15 uur, plenaire vergadering, Eerste Kamer


16.00 - 16.35 uur eerste termijn Kamer: Initiatiefvoorstel-Arib Wet Kinderombudsman (31.831)
17.35 - 18.40 uur: Antwoord initiatiefnemers en regering, re- en dupliek
Initiatiefvoorstel-Arib Wet Kinderombudsman (31.831)

Deze tijden zijn indicatief, waar versnelling mogelijk is zullen de tijden worden aangepast

http://www.eerstekamer.nl/plenaire_vergadering/20100615

Initiatiefvoorstel-Arib Wet Kinderombudsman


Dit initiatiefvoorstel van het lid Arib (PvdA) regelt de instelling van een Kinderombudsman. De indiener heeft dit initiatiefvoorstel ingediend omdat de regering de door de Tweede Kamer aangenomen motie-Arib/Ravestein (TK 26.816, nr. 7) tot instelling van een Kinderombudsman niet wilde uitvoeren. De regering heeft aangegeven (TK 26.816, nr. 32) dat de in de motie genoemde taken in Nederland al worden uitgevoerd. De indiener was het daar niet mee eens.

Met dit voorstel wordt de Kinderombudsman bij het bureau van de Nationale ombudsman geplaatst. Volgens de indiener is door de ondertekening van het VN-Verdrag inzake de Rechten van het Kind en de aanbevelingen van het VN-Comité naar aanleiding van de rapportage van Nederland over de voortgang van de implementatie van het kinderrechtenverdrag, de internationale ontwikkeling op het gebied van de Kinderombudsman en ervaringen in Nederland met kinderombudswerk oprichting van een onafhankelijke Kinderombudsman nodig. Ook de manier waarop in Nederland het klachtrecht in de jeugdzorg is georganiseerd is een belangrijke aanleiding.

Het voorstel (EK 31.831, A )is op 22 april 2010 aangenomen door de Tweede Kamer. SP, PvdA, GroenLinks, D66, PvdD, ChristenUnie, SGP en CDA stemden voor. De Eerste Kamercommissie voor VWS/JG heeft op 1 juni 2010 het eindverslag onder voorbehoud uitgebracht. De plenaire behandeling vindt plaats op 15 juni 2010.

http://www.eerstekamer.nl/wetsvoorstel/31831_initiatiefvoorstel_arib_wet

======================================================

De laatste tekstversie van het voorliggende wetsvoorstel Kinderombudsman

:
(Leeswijzer: alleen Artikel 1 van onderhavige wijzigingswet op de Wet Nationale Ombudsman is relevant voor Nederland)
======================================================

31 831 Voorstel van wet van het lid Arib tot wijziging van de Wet Nationale ombudsman in verband met de instelling van de Kinderombudsman (Wet Kinderombudsman)

Eerste Kamer der Staten-Generaal, Vergaderjaar 2009–2010, kst-31831-A, ISSN 0921 - 7371, ’s-Gravenhage 2010

GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET
22 april 2010

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is eenKinderombudsman in te stellen die zich bezig houdt met de belangen van jeugdigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I  

De Wet Nationale ombudsman wordt als volgt gewijzigd:

A
In artikel 1 wordt, onder verlettering van onderdeel b tot c, een onderdeel ingevoegd, luidende:
b. Kinderombudsman: de als zodanig aangewezen substituut-ombudsman, bedoeld in artikel 9, eerste lid;.

B
Na artikel 1c wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1d
De artikelen 1b en 1c zijn niet van toepassing op de Kinderombudsman, voor zover die als zodanig optreedt.

C
Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, eerste volzin, vervalt «zo nodig» en wordt na «substituut-ombudsman» ingevoegd: en wijst daarbij de substituut-ombudsman aan die de functie van Kinderombudsman heeft.
2. Aan het slot van het eerste lid wordt een zin toegevoegd, luidende:
Indien er geen Kinderombudsman is, draagt de ombudsman zo spoedig mogelijk zorg voor een verzoek als bedoeld in de eerste volzin.

D
Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het eerste lid wordt een zin toegevoegd, luidende: De ombudsman regelt tevens de vervanging van de Kinderombudsman door een substituut-ombudsman, voor het geval dat die tijdelijk niet in staat is zijn ambt te vervullen.
2. In het tweede lid wordt na «de ombudsman» telkens ingevoegd: of Kinderombudsman.
3. In het derde en zesde lid wordt na «de ombudsman» ingevoegd «of Kinderombudsman» en wordt na «van ombudsman» ingevoegd: of Kinderombudsman.
4. In het vierde lid wordt na «van ombudsman» ingevoegd: of Kinderombudsman.
5. In het vijfde lid wordt na «nieuwe ombudsman» ingevoegd: of Kinderombudsman.

E
Na artikel 11 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK IIA De Kinderombudsman

Artikel 11a
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. jeugdige: een persoon die de meerderjarigheidsleeftijd nog niet heeft bereikt;
b. kinderrechtenverdrag: het op 20 november 1989 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de rechten van het kind (Trb. 1990, 46);
c. rechten van jeugdigen: de rechten van jeugdigen, opgenomen in het kinderrechtenverdrag.

Artikel 11b

1. De Kinderombudsman heeft tot taak te bevorderen dat de rechten van jeugdigen worden geëerbiedigd door bestuursorganen en door privaat-rechtelijke organisaties.

2. Hij doet dit in elk geval door:
a. voor te lichten en informatie te geven over de rechten van jeugdigen;
b. gevraagd en ongevraagd advies te geven aan de regering en de Tweede Kamer over wetgeving die en beleid dat de rechten van jeugdigen raakt;
c. het instellen van onderzoek naar de eerbiediging van de rechten van jeugdigen naar aanleiding van klachten of uit eigen beweging;

d. het toezicht houden op de wijze waarop klachten van jeugdigen of hun wettelijke vertegenwoordigers door de daartoe bevoegde instanties, niet zijnde de ombudsman, worden behandeld.

3. Bij de uitvoering van zijn taken, houdt de Kinderombudsman zo veel mogelijk rekening met de mening van jeugdigen zelf overeenkomstig artikel 12 van het kinderrechtenverdrag, met de belangen van jeugdigen en met hun belevingswereld.

Artikel 11c
1. Een ieder die meent dat een of meer rechten van jeugdigen niet geëerbiedigd worden door:
a. een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1a, met dien verstande dat, in afwijking van artikel 1a, eerste lid, onder b, daaronder mede worden begrepen bestuursorganen met een eigen voorziening voor de behandeling van verzoekschriften als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onder b;
b. een orgaan van een rechtspersoon, niet zijnde een bestuursorgaan, voor zover die:
1° een bij of krachtens de wet geregelde taak ten aanzien van jeugdigen uitoefent; of
2° anderszins een taak ten aanzien van jeugdigen uitoefent op het terrein van het onderwijs, de jeugdzorg, de kinderopvang of de gezondheidszorg,
kan een klacht indienen bij de Kinderombudsman.

2. Een klacht over een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1a, geldt als een verzoek als bedoeld in artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

3. Een gedraging van een medewerker van een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid, onder b, verricht in de uitoefening van zijn functie, wordt aangemerkt als een gedraging van die rechtspersoon.

Artikel 11d
1. Op de behandeling van klachten over en onderzoek uit eigen beweging naar bestuursorganen met een eigen voorziening voor de behandeling van verzoekschriften als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onder b, en organen van rechtspersonen als bedoeld in artikel 11c, eerste lid, onder b, door de Kinderombudsman zijn artikel 15 alsmede titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
2. In afwijking van artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, kan een klacht als bedoeld in artikel 11c, eerste lid, mondeling worden ingediend. De artikelen 9:23 onder a en 9:28 van de Algemene wet bestuursrecht zijn in dat geval niet van toepassing.
3. In afwijking van artikel 9:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is de Kinderombudsman niet verplicht een onderzoek in te stellen, indien de klacht een orgaan als bedoeld in artikel 11c, eerste lid, onder b, betreft.
4. De in artikel 9:33 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde vergoeding van kosten vindt plaats ten laste van het Rijk indien het onderzoek betrekking heeft op een orgaan van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 11c, eerste lid, onder b.

Artikel 11e
1. De Kinderombudsman zendt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden aan de beide Kamers der Staten-Generaal en aan Onze Ministers, alsmede aan andere bestuursorganen en privaatrechtelijke organisaties voor zover hij dat wenselijk acht. Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de Kinderombudsman bij het verslag gegevens kan voegen, slechts ter vertrouwelijke kennisneming door de leden van de Staten-Generaal en Onze Ministers.
2. De Kinderombudsman draagt er zorg voor dat het verslag openbaar wordt gemaakt en algemeen verkrijgbaar wordt gesteld.
3. De Kinderombudsman kan ook dadelijk na het afsluiten van een onderzoek de beide Kamers der Staten-Generaal en vertegenwoordigende organen van provincies en gemeenten inlichten omtrent zijn bevindingen, zo dikwijls hij de eerdere kennisneming daarvan voor het betreffende orgaan van belang acht of een orgaan als hiervoor bedoeld dit verzoekt.

ARTIKEL II

Indien het bij koninklijke boodschap van 26 mei 2009 ingediende voorstel van wet tot aanpassing van wetten in verband met de nieuwe staatsrechtelijke positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbaar lichaam binnen Nederland (Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba) (Kamerstukken 31 959), tot wet is of wordt verheven, en die wet eerder in werking is getreden of treedt dan onderscheidenlijk op dezelfde datum in werking treedt als deze wet, wordt artikel I, onderdeel A van deze wet als volgt gewijzigd:

Artikel I, onderdeel A, komt te luiden:

A
In artikel 1 wordt, onder verlettering van de onderdelen b en c tot c en d, een onderdeel ingevoegd, luidende:
b. Kinderombudsman: de als zodanig aangewezen substituut-ombudsman, bedoeld in artikel 9, eerste lid;.

ARTIKEL III

Indien het bij koninklijke boodschap van 26 mei 2009 ingediende voorstel van wet tot aanpassing van wetten in verband met de nieuwe staatsrechtelijke positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbaar lichaam binnen Nederland (Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba), (Kamerstukken 31 959), tot wet is of wordt verheven, en later in werking treedt dan deze wet, wordt artikel 2.4, onderdeel A van die wet als volgt gewijzigd:

Artikel 2.4, onderdeel A, komt te luiden:

A
In artikel 1 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma, een onderdeel ingevoegd, luidende:
d. openbare lichamen: openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

ARTIKEL IV

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

ARTIKEL V
Deze wet wordt aangehaald als: Wet Kinderombudsman. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
De Minister voor Jeugd en Gezin,

dinsdag, november 25, 2008

205. Wetsvoorstel 30145 en Motie Strik in Eerste Kamer aangenomen (Wet op de bevordering van het voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding)

Eerste Kamer der Staten-Generaal - 25 november 2008

De Eerste Kamer heeft vandaag het wetsvoorstel Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding (30.145) na stemming bij zitten en opstaan aangenomen. De fracties van GroenLinks, VVD en D66 stemden tegen.

De Motie-Strik (GroenLinks) c.s. over een structurele basis voor succesvolle omgangsondersteunende voorzieningen (EK 30.145, G) is na stemming bij zitten en opstaan aangenomen. De fracties van VVD, ChristenUnie en SGP stemden tegen.

--------------------------------------

30.145 - Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding

Eerste Kamer der Staten-Generaal - 25 november 2008

Dit wetsvoorstel wijzigt het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Rechtsvordering ter bevordering van het ouderschap na een scheiding. Het wetsvoorstel verplicht ouders tot het opstellen van een ouderschapsplan. In dit plan moeten afspraken gemaakt worden over verzorging en opvoeding van kinderen als ouders gaan scheiden.

Het voorstel is er op gericht dat ouders vroegtijdig nadenken over de invulling van het ouderschap na scheiding en hierover afspraken maken om onnodige conflicten te voorkomen. Het wetsvoorstel gaat ervan uit dat beide ouders na de scheiding gezamenlijk verantwoordelijk blijven voor de kinderen. Daarnaast wordt ook de zogenaamde flitsscheiding afgeschaft. Het is niet langer mogelijk een huwelijk via de burgerlijke stand om te zetten in een geregistreerd partnerschap en dat vervolgens buiten de rechter om te beëindigen.

Op 1 juli 2004 is het Initiatiefvoorstel-Luchtenveld wet beëindiging huwelijk zonder rechterlijke tussenkomst en vormgeving voortgezet ouderschap (29.676) over hetzelfde onderwerp ingediend. De Eerste Kamer heeft dit wetsvoorstel op 20 juni 2006 na stemming bij zitten en opstaan verworpen. De fractie van D66 stemde voor.

Het voorstel is op 12 juni 2007 aangenomen door de Tweede Kamer. SP, PvdA, VVD, PvdD, ChristenUnie, SGP, PVV en CDA stemden voor. De plenaire behandeling door de Eerste Kamer vond plaats op 18 november 2008. Tijdens de behandeling is de Motie-Strik (GroenLinks) c.s. over een structurele basis voor succesvolle omgangsondersteunende voorzieningen (EK 30.145, G) ingediend. Het wetsvoorstel is op 25 november 2008 na stemming bij zitten en opstaan aangenomen. De fracties van GroenLinks, VVD en D66 stemden tegen. De motie-Strik (GroenLinks) is op 25 november 2008 na stemming bij zitten en opstaan aangenomen. De fracties van VVD, ChristenUnie en SGP stemden tegen.

-------------------------

Zie ook: De brief d.d. 21 november 2008 inzake de noodzaak tot handhaving van ouderschapsplannen van Stichting Kinderen - Ouders - Grootouders aan de Minister van Jeugd en Gezin n.a.v. zijn optreden in het EO-programma “Het Elfde Uur”

------------------------

Compleet overzicht van Eerste Kamerstukken over Wetsvoorstel 30145 ::

Zie ook: http://vaderkenniscentrum.blogspot.com/2008/10/173.html

Het wetsvoorstel is op 25 november 2008 ook in de Eerste Kamer aangenomen. De fracties van GroenLinks, VVD en D66 stemden tegen. Ook de motie-Strik (GroenLinks) op succesvolle structurele omgangsondersteuningsvoorzieningen werd bij de stemming aangenomen. De fracties van VVD, ChristenUnie en SGP stemden tegen.

  • 20 november 2007 :: NCRV-interview op de "Dag van de Rechten van het Kind" met een - zich over vaders, gedeeld ouderschap en het met 2/3 meerderheid in de Tweede Kamer aangenomen amendement op het gelijkwaardig ouderschap na scheiding van haar eigen partijgenoot mr. Jan de Wit uiterst smalend uitsprekend - SP-Eerste Kamerlid mw. mr. Quik-Schuijt
    Zie : http://vaderkenniscentrum.blogspot.com/2007/12/51.html

maandag, november 17, 2008

201. Eerste Kamerbehandeling Wetsvoorstel 30145 (Voortgezet Ouderschap na Scheiding) morgenmiddag 18 november (13.30 - 20.00 uur)

Agenda plenaire vergadering van de Eerste Kamer op dinsdag 18 november 2008 13.30 uur

Bron: Eerste Kamer der Staten-Generaal; 17 november 2008

13.30 - 13.40 uur hamerstukken en stemming

13.40 - 15.35 uur eerste termijn Kamer

15.35 - 17.00 uur pauze

17.00 - 19.45 uur antwoord regering, re- en dupliek
Deze tijden zijn indicatief, waar versnelling mogelijk is zullen de tijden worden aangepast.

Deze agenda kan nog gewijzigd worden.

-------------------------------------------
Zie voor het overzicht van behandelstukken van Wetsvoorstel 30145 (Voortgezet Ouderschap Na Scheiding) in de Eerste kamer tot nu toe:
-------------------------------------------

Eerste Kamer debatteert over ouderschapsplan bij echtscheiding
Bron: Eerste Kamer der Staten Generaal - Vrijdag 14 november 2008

Een ouderschapsplan bij echtscheiding wordt verplicht en de mogelijkheid om snel te scheiden ('flitsscheiding') verdwijnt. Dit zijn de hoofdlijnen van een wetsvoorstel (30.145) dat de ministers Hirsch Ballin van Justitie en Rouvoet voor Jeugd en Gezin dinsdag 18 november verdedigen in de Eerste Kamer. Voor het debat met de ministers hebben zich zeven senatoren aangemeld: Broekers-Knol (VVD), Engels (D66), Franken (CDA), Holdijk (SGP), Haubrich-Gooskens (PvdA), Quik-Schuijt (SP) en Strik (GroenLinks).

Ruim twee jaar geleden sneuvelde in de Senaat het initiatiefvoorstel-Luchtenveld (29.676) dat beëindiging van een huwelijk zonder rechterlijke tussenkomst mogelijk maakte en tevens voorzag in een regeling van voortgezet onderschap. Ook na wetenschappelijke kritiek op het uitgangspunt van automatisch voortduren van gezamenlijk ouderschap in geval van scheiding houdt de regering hieraan vast. In de nadere memorie van antwoord wijzen de ministers Hirsch Ballin en Rouvoet op de mogelijkheden voor de rechter om van het gezamenlijk ouderschap af te wijken als dit in het belang van het kind (de kinderen) wordt geacht. Daarbij kan een aan te stellen bijzondere curator een rol spelen.

----------------------------------------
Zie voor het overzicht van behandelstukken van Wetsvoorstel 30145 (Voortgezet Ouderschap Na Scheiding) in de Eerste kamer tot nu toe:

maandag, oktober 06, 2008

173. Stukken Wetsvoorstel 30145 in de Eerste Kamer (Voortgezet Ouderschap Na Scheiding)

Compleet overzicht van Eerste Kamerstukken over Wetsvoorstel 30145 ::

Zie ook: http://vaderkenniscentrum.blogspot.com/2008/10/173.html

Het wetsvoorstel is op 25 november 2008 ook in de Eerste Kamer aangenomen. De fracties van GroenLinks, VVD en D66 stemden tegen. Ook de motie-Strik (GroenLinks) op succesvolle structurele omgangsondersteuningsvoorzieningen werd bij de stemming aangenomen. De fracties van VVD, ChristenUnie en SGP stemden tegen.

  • 20 november 2007 :: NCRV-interview op de "Dag van de Rechten van het Kind" met een - zich over vaders, gedeeld ouderschap en het met 2/3 meerderheid in de Tweede Kamer aangenomen amendement op het gelijkwaardig ouderschap na scheiding van haar eigen partijgenoot mr. Jan de Wit uiterst smalend uitsprekend - SP-Eerste Kamerlid mw. mr. Quik-Schuijt
    Zie : http://vaderkenniscentrum.blogspot.com/2007/12/51.html

donderdag, september 25, 2008

161. Nadere Memorie van Antwoord -Eerste Kamer - Wetsvoorstel 30145 (Voortgezet Ouderschap)

Aanvulling d.d. 30 september:

De commissie Justitie van de Eerste Kamer heeft op dinsdag 30 september n.a.v. de Nadere Memorie van Antwoord van de minister inmiddels eindverslag uitgebracht met betrekking tot wetsvoorstel 30145 en wil nu op 18 november het wetsvoorstel plenair behandelen in de Eerste Kamer.

Mocht er stemming gevraagd worden, dan vindt die een week later plaats.

Zie verder de Nadere Memorie van Antwoord van de minister hieronder.

Peter Tromp
Vaderkenniscentrum

------------------------
EINDVERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE
Vastgesteld 30 september 2008

Na kennisneming van de nadere memorie van antwoord de commissie de openbare behandeling van dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Van de Beeten
De griffier van de commissie, Kim van Dooren

-------------------------------
Korte aantekeningen van de Vergadering van de vaste commissie voor Justitie van de Eerste Kamer van dinsdag 30 september 2008

Met betrekking tot wetsvoorstel 30145

Wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het bevorderen van voortgezet ouderschap na scheiding en het afschaffen van de mogelijkheid tot het omzetten van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding)

wordt eindverslag uitgebracht, onder voorbehoud van een plenaire behandeling. Voorgesteld wordt het debat te houden op 18 november 2008.

-----------------------------------------
E NADERE MEMORIE VAN ANTWOORD
Ontvangen 25 september 2008

Eerste Kamer der Staten-Generaal 1
Vergaderjaar 2008-2009

30145 Wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het bevorderen van voortgezet ouderschap na scheiding en het afschaffen van de mogelijkheid tot het omzetten van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding)



Inleiding

Met belangstelling hebben wij kennis genomen van het nader voorlopig verslag. Wij hopen de nog resterende vragen van de leden van de fracties van de VVD, PvdA en SP zodanig te hebben beantwoord dat de openbare behandeling voldoende is voorbereid.

Rol bijzondere curator

De leden van de VVD-fractie vroegen nog eens een uiteenzetting of toelichting te geven op de plannen met betrekking tot de bijzondere curator.
Het wetsvoorstel beoogt te bevorderen de bijzondere curator vaker te laten benoemen in scheidings- en omgangszaken dan nu het geval is. Een bijzondere curator kan immers een bemiddelende rol in een procedure vervullen en de stem van het kind met name bij zijn ouders naar voren brengen. In het uiterste geval kan hij ook een procedure starten. Hij vertegenwoordigt het kind in en buiten rechte.
De mogelijkheden om een bijzondere curator te benoemen worden door dit wetsvoorstel vergroot doordat de rechter in iedere zaak die aanhangig is, een bijzondere curator kan benoemen (onderdeel H, artikel 1:250 BW). De rechter kan dit doen op verzoek van een belanghebbende maar ook ambtshalve. Een bijzondere curator kan worden benoemd als de belangen van de minderjarige in strijd komen met de belangen van de wettelijke vertegenwoordiger rond kwesties van opvoeding, verzorging en vermogen. Een bijzondere curator kan in theorie iedere natuurlijke persoon zijn, de wet stelt geen nadere eisen aan de bijzondere curator.
Wanneer een kind speelbal is van de ouders in echtscheidingsprocedure zal de bijzondere curator de ouders bijvoorbeeld kunnen wijzen op het recht van het kind om contact te hebben met beide ouders en proberen te bewerkstelligen dat een goed ouderschapsplan wordt opgesteld. Indien de ouders al een mediator hebben ingeschakeld, zal de bijzondere curator in de gesprekken die de mediator voert de stem van het kind naar voren kunnen brengen, hetwelk evenzeer een goede bijdrage aan een deugdelijk ouderschapsplan kan betekenen. Indien alle inspanningen niet tot resultaat leiden, kan de bijzondere curator zo nodig aan de rechter vragen een regeling te treffen op grond van de artikelen 1:253a en/of 377g BW. De werkzaamheden van de bijzondere curator zijn beperkt tot die aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige waarin diens belangen in strijd komen met de belangen van zijn ouders.
In een bijzondere regeling voor de financiering van de bijzondere curator is niet voorzien. Wel is de Wet op de rechtsbijstand van toepassing. Blijkens artikel 2, onder c, van het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand worden, indien de rechtzoekende minderjarig is, en de rechtsbijstand waarvoor een toevoeging wordt gevraagd betrekking heeft op een geschil met de ouder(s), ter bepaling van de draagkracht het inkomen en het vermogen van de ouders niet in aanmerking genomen. Blijkens artikel 11, tweede lid, van genoemd besluit wordt aan het kind ten behoeve van wie een bijzonder curator is benoemd geen eigen bijdrage opgelegd. Om in aanmerking te komen voor toevoeging dient de bijzondere curator ingeschreven te zijn in het register van de Raad voor rechtsbijstand. Dat register betreft bij de Raad ingeschreven advocaten, notarissen, deurwaarders en anderen waarmee de Raad een overeenkomst heeft gesloten. De hoogte van de vergoeding van de bijzondere curator hangt af van de concrete activiteiten waarvoor hij door de rechter is benoemd. Over het algemeen worden de werkzaamheden van de bijzondere curator bij drie zaakscategorieën ondergebracht, te weten echtscheiding (procesvertegenwoordiging in het kader van de procedure), alimentatie en voogdij. De handelingen van de curator die meer betrekking hebben op de totstandkoming van het ouderschapsplan zullen wellicht onder andere zaakscategorieën, zoals advies of omgang worden gerangschikt.

Gelijkwaardig ouderschap versus belang van het kind

De leden van de PvdA-fractie wijzen op de begrippen gezamenlijk ouderlijk gezag, (voortgezet) ouderschap, ouderlijke zorg- en opvoedingstaken en omgangsregelingen en vroegen of het juist is dat het ouderschapsplan niet slechts op het eerste begrip betrekking heeft.
De formulering van kinderen voor wie een ouderschapsplan moet worden opgesteld is verduidelijkt bij amendement Bouchibti (Kamerstukken II 2006/07, 30 145, nr.19). Een ouderschapsplan moet worden opgesteld in de volgende situaties:
a. Er zijn gezamenlijke minderjarige kinderen over wie de echtgenoten al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen; en
b. Er zijn minderjarige kinderen over wie de echtgenoten ingevolge artikel 253sa of 253t het gezag gezamenlijk uitoefenen.
De verplichting tot het opstellen van een ouderschapsplan is derhalve niet beperkt tot ouders die gezamenlijk het gezag uitoefenen over hun kinderen, zoals deze leden terecht stellen. Ook een ouder en een niet-ouder die het gezamenlijk gezag over minderjarige kinderen uitoefenen op grond van de artikelen 253sa of 253t, dienen een ouderschapsplan op te stellen.

In het promotie-onderzoek van mevrouw Jeppesen de Boer wordt geconcludeerd dat voortzetting van het gezamenlijk ouderlijk gezag niet altijd in het belang is van het kind. De leden van de fractie van de PvdA vroegen of dit consequenties zou moeten hebben voor het voortgezet ouderschap, in het bijzonder de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de omgangsregeling. Tevens vroegen zij in dit kader nog eens nader toe te lichten, waarom de beperkende formulering van artikel 377a niet in strijd zou zijn met de formulering van artikel 3, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en of de uitkomsten van studie van mevrouw Jeppesen de Boer in komende wetgeving zullen worden betrokken.
Van het proefschrift van mevrouw Jeppesen de Boer (Joint parental authority, Intersentia, 2008), dat zij op 23 mei 2008 aan de Universiteit Utrecht heeft verdedigd, is met veel belangstelling kennisgenomen. Mevrouw Jeppesen beveelt onder meer aan het uitgangspunt van automatisch voortduren van gezamenlijk ouderlijk gezag in geval van scheiding te verlaten. Zij vreest dat kinderen uit gezinnen waarin het streven naar een “amicable post-divorce family” niet bereikbaar is, het slachtoffer zullen zijn van wetgeving die van het beginsel van voortduren van gezamenlijk gezag uitgaat. Mevrouw Jeppesen adviseert daarom als uitgangspunt te nemen de daadwerkelijk bij beide ouders aanwezige bereidheid om gezamenlijk het ouderlijk gezag uit te oefenen, die dan tot uitdrukking zou moeten komen in een gezamenlijk verzoekschrift aan de rechter.
Voor ons staat voorop dat een automatisch voortduren van het gezamenlijk ouderlijk gezag in geval van scheiding omdat het voortgezet ouderschap als zodanig in het belang van het kind moet worden geacht, en daarom de hoofdregel dient te zijn. Uiteraard heeft dit uitgangspunt consequenties voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Een zorgregeling dient op maat te zijn en een voortdurende strijd hieromtrent is niet in het belang van het kind. Dit is een van de redenen om in het ouderschapsplan over de zorgverdeling heldere afspraken te maken.
Toch is voortzetting van het ouderlijk gezag inderdaad zoals mevrouw Jeppesen aangeeft, niet altijd in het belang van het kind. Het wetsvoorstel houdt hiermee ook uitdrukkelijk rekening. Immers, het eerste lid van artikel 251a bevat, mede door de grond vermeld onder b, voldoende mogelijkheden om met elke situatie rekening te houden waarin het belang van het kind wijziging van gezamenlijk gezag in gezag van één ouder noodzakelijk maakt. Voorts kan de rechter op verzoek en in het belang van het kind een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen, al dan niet gepaard gaande met een beslissing inzake de hoofdverblijfplaats van het kind bij één der ouders. Deze rechtsingang biedt ons inziens voldoende waarborgen om in die gevallen dat gezamenlijk gezag niet in het belang van het kind blijkt, het ouderlijk gezag te wijzigen in eenhoofdig gezag.
Daarnaast is het volgende van belang. Het uitgangspunt van het van rechtswege voortduren van het gezamenlijk gezag is alweer sinds 1998 in het Burgerlijk Wetboek verankerd. Voorheen was het voortduren van gezamenlijk gezag afhankelijk van een eensluidend verzoek van beide ouders. De rechtsingang voor een ouder afhankelijk te doen zijn van een gezamenlijk verzoek is in strijd met het EVRM, zo is nadien gebleken uit uitspraken van de Hoge Raad terzake van de artikelen 253o en 253c. Het ligt ook hierom niet voor de hand naar de redactie van voor 1998 terug te keren.
De formulering van de ontzeggingsgronden vermeld in het derde lid van artikel 377a nieuw, is niet in strijd met artikel 3, eerste lid, van het IVRK. Voor een nadere toelichting verwijzen wij naar het antwoord op dezelfde vraag van de leden van de SP-fractie in de memorie van antwoord (p. 11).
Op grond van bovenstaande zien wij in de uitkomsten van de studie van mevrouw Jeppesen de Boer geen aanleiding deze te betrekken in toekomstige wetgeving.

De leden van de PvdA-fractie vroegen of de vrees van de Werkgroep Bezorgde Moeder, dat “van de nieuwe wet met haar nadruk op ‘gelijkwaardig ouderschap’ verwacht mag worden dat zij de belangen van kinderen nog verder zal ondergraven omdat er nog vaker tot een omgangsregeling besloten zal worden (…) ook in gevallen waarbij sprake is van huiselijk geweld tijdens het huwelijk, van het voortzetten van mishandeling of seksueel misbruik van de kinderen of mishandelen van de moeder als de kinderen worden overgedragen tijdens een omgangsregeling” inderdaad ongegrond is.
Het uitgangspunt van de diverse regelingen zoals deze in het Burgerlijk Wetboek zijn opgenomen, is dat het in het belang van het kind is dat de band met de beide ouders bewaard blijft. Daarom wordt bijvoorbeeld gehecht aan een regeling inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag (bij gezamenlijk gezag) of een omgangsregeling (bij eenhoofdig gezag). In individuele gevallen is er evenwel voldoende ruimte voor een rechter om die beslissing te nemen die hij aangewezen acht. Zie hiertoe artikel 377a, derde lid, waarin de ontzeggingsgronden voor het recht op omgang zijn opgenomen. Ingevolge artikel 253a, vierde lid, zijn deze ontzeggingsgronden van overeenkomstige toepassing op de regeling inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Overigens wordt in artikel 253a, vierde lid, per abuis verwezen naar artikel 377a, vierde lid. Dat moet zijn: artikel 377a, derde lid. Artikel 253a zal op korte termijn dienovereenkomstig worden aangepast.

Een ouderschapsplan in een eerder stadium

Met betrekking tot de vraag of het door de heer Schonewille voorgestelde ouderschapsplan ten tijde van het aangaan van een huwelijk of ander samenlevingsverband tot een grotere effectiviteit zou kunnen leiden dan het nu in te voeren ouderschapsplan ten gevolge van een echtscheiding, wordt door de leden van de PvdA-fractie opgemerkt dat een ouderschapsplan ook op een niet gejuridiseerde wijze kan worden bekeken en dat daar een taak ligt voor de Minister voor Jeugd en Gezin. Deze leden vroegen het afwijzende antwoord in deze nog eens te heroverwegen.
In het antwoord zoals gegeven in de memorie van antwoord, is aangegeven dat er vooralsnog geen reden is nu reeds tot een uitbreiding van de wettelijke verplichting tot het opstellen van een ouderschapsplan over te gaan. Dat neemt niet weg dat het, zoals deze leden terecht aangeven, belangrijk is nader beleid te ontwikkelen om ouders zich ervan bewust te laten (blijven) zijn, dat hun kinderen hun eigen belangen hebben in dit soort emotioneel ingewikkelde situaties. In de Nota gezinsbeleid die in het najaar naar de Tweede Kamer wordt gestuurd, zal worden ingegaan op de verschillende manieren waarop mensen een gezin (gaan) vormen en op welke manier de overheid daar ondersteuning bij zou kunnen of moeten bieden. Ondersteuning bij opvoeding wordt zowel vanuit preventief als curatief oogpunt benaderd. In de nota zal ook worden ingegaan op het opgroeien in een eenoudergezin en de effecten van echtscheiding op kinderen.

Administratieve scheiding

De leden van de PvdA-fractie vroegen alsnog in te gaan op de vraag of het massale gebruik van de flitsscheiding illustreert, dat er een evidente maatschappelijke behoefte bestaat aan een eenvoudige (administratieve) scheiding. Daarnaast menen deze leden in de brief van de minister van Justitie van 28 maart 2007 gelezen te hebben, dat een administratieve scheiding technisch mogelijk zou zijn en leiden hieruit af dat dit kabinet – hoewel de memorie van toelichting dit afwijst – wellicht niet afwijzend staat tegenover de administratieve scheiding.
Wij zijn niet voornemens administratieve scheiding mogelijk te maken. Juridisch-technisch is deze wijze van scheiden zeker mogelijk. In de voornoemde brief in een paragraaf over problemen met de flitsscheiding (Kamerstukken II 2006/07, 30 145, nr.9, p.2), maar ook in het kader van het wetsvoorstel van de heer Luchtenveld, is dit uiteengezet. Dit betekent echter niet dat, overeenkomstig het coalitieakkoord, voorstellen inzake de administratieve echtscheiding zullen worden gedaan. Wel zal binnenkort bij de Tweede Kamer worden ingediend het wetsvoorstel waarin zal worden voorgesteld de notaris bevoegd te maken om echtscheidingen bij de rechter aanhangig te maken ingeval het een gemeenschappelijk verzoek betreft en daarbij geen kinderen zijn betrokken.

Mediation

De leden van de SP-fractie vroegen door wie de kosten van het zogenoemde “ouderschapsonderzoek”, ook wel aangeduid als deskundigenbericht met gebruikmaking van mediation, worden gedragen. Zij wezen erop dat het onderzoek voor rechters een buitengewoon belangrijk hulpmiddel is om onwillende ouders toch, zij het onder enige dwang, aan tafel te krijgen om na te denken over de, in verband met hun scheiding noodzakelijke, regelingen voor hun kinderen.
Het wordt onderschreven dat een deskundigenbericht met gebruikmaking van mediation een laatste redmiddel kan zijn. Het kan worden ingezet in zeer problematische echtscheidingen waarbij het belang van de kinderen ernstig in de knel is gekomen. De Rechtspraak past dit zware middel vooralsnog toe in hoger beroep als een vrijwillige verwijzing naar mediation geen optie meer is.
De kosten voor dit forensisch onderzoek kunnen, bijvoorbeeld indien het na een lange strijd voor de rechter ondoenlijk is om aan de hand van de opstelling van partijen te bepalen wie zich ‘schuldig’ maakt aan deze impasse teneinde hem of haar in alle kosten te veroordelen, met toepassing van artikel 284 Rv geheel ten laste van het Rijk worden gebracht.

Relatie met Brussel IIbis

De leden van de SP-fractie vroegen of aangegeven kan worden wat de praktijk is van de tenuitvoerlegging van een beschikking inzake het omgangsrecht op grond van Brussel IIbis met een certificaat maar zonder exequatur in andere EU-lidstaten. Zij vroegen hierbij of hier een taak voor de Centrale Autoriteit ligt.
Een beschikking inzake het omgangsrecht kan in één van de andere EU-lidstaten met een certificaat maar zonder exequatur op dezelfde voet en met dezelfde middelen ten uitvoer worden gelegd als een beslissing van de nationale rechter in de betreffende lidstaat. De Centrale autoriteit heeft hierbij noch een taak, noch bevoegdheden. De Centrale autoriteit kan in het geval een ouder in Nederland problemen ondervindt met de uitvoering van zijn/haar omgangsregeling in een andere EU-lidstaat deze ouder in het kader van samenwerking tussen centrale autoriteiten informatie verschaffen. Zo kan zij bij de desbetreffende centrale autoriteit informatie opvragen over welke procedures er aldaar mogelijk zijn om alsnog de bepaalde omgang ten uitvoer te leggen en/of kan zij navraag doen terzake de contactgegevens van advocaten die deze ouder kunnen bijstaan om tot tenuitvoerlegging van de omgangsuitspraak te komen.

De Minister van Justitie,
Dr. E.M.H. Hirsch Ballin

De Minister voor Jeugd en Gezin,
Mr. A. Rouvoet

donderdag, juli 10, 2008

121. Wetsvoorstel 30145: Voortgezet Ouderschap na Scheiding: Nader Voorlopig Verslag van de Vaste Commissie voor Justitie van 8 juli 2008

Inleiding

Hieronder vindt u het laatste zojuist verschenen "Nader Voorlopig Verslag" van 8 juli 2008 van de Vaste Commissie van Justitie van de Eerste Kamer in reactie op de aan haar door het Ministerie van Justitie op 6 juni 2008 toegestuurde "Memorie van Antwoord".

Zie voor de voorgaande "Memorie van Antwoord" waarop dit "Nader Voorlopig Verslag" weer een reactie is:

De "Memorie van Antwoord" was op zijn beurt weer een reactie van de Minister van Justitie op het eerdere "Voorlopig Verslag" van de Vaste Commissie van Justitie van de Eerste Kamer van 9 oktober 2007. Zie daarvoor:
  • Voorlopig Verslag van 9 oktober 2007 van de Vaste Commissie van Justitie van de Eerste Kamer
    Vaderkenniscentrum - VKC Nr. 36
    - Wetsvoorstel 30145 - Voortgezet ouderschap na scheiding
Het Wetsvoorstel 30145 op het Voortgezet Ouderschap na Scheiding zelf tenslotte, zoals dat op 12 juni 2007 door de Tweede Kamer voor behandeling naar de Eerste Kamer werd gestuurd vindt u op:
  • Eindversie van het Wetsvoorstel 30145 (Voortgezet Ouderschap na Scheiding) zoals op 12 juni 2008 in de Tweede Kamer aangenomen en naar de Eerste Kamer gestuurd werd
    Vaderkenniscentrum - VKC Nr. 21
    - Wetsvoorstel 30145 - Voortgezet Ouderschap na Scheiding
Momenteel is de Eerste Kamer met Zomerreces tot en met 8 september 2008 (de eerste vergadering is op 9 september), waarna de behandeling van dit wetsvoorstel zal worden hervat.

Peter Tromp
Vaderkenniscentrum

EERSTE KAMER DER STATEN-GENERAAL

Vergaderjaar 2007 - 2008

30145 Wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het bevorderen van voortgezet ouderschap na scheiding en het afschaffen van de mogelijkheid tot het omzetten van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding)

Samenstelling Vaste Commissie van Justitie van de Eerste Kamer [2]

NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE
Vastgesteld 8 juli 2008


De memorie van antwoord heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende nadere opmerkingen en het stellen van de volgende nadere vragen.


Inleiding

De leden van de VVD-fractie waarderen de uitgebreide beantwoording van de door hen gestelde vragen in het voorlopig verslag. Zij hebben nog de volgende vraag.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling de uitvoerige beantwoording van de gestelde vragen gelezen. Toch hebben zij nog enige aanvullende vragen, die deels zijn opgeroepen door het promotie-onderzoek van mevrouw Jeppesen de Boer dat, tijdens het lange uitblijven van de beantwoording door de regering, is gepubliceerd.

De leden van de SP-fractie achten hun vragen in grote lijnen zeer bevredigend beantwoord, waarvoor dank. De memorie van antwoord roept echter toch twee (nieuwe) vragen op.


Rol bijzondere curator

De leden van de VVD-fractie is nog onvoldoende duidelijk wat nu eigenlijk de bedoeling van de regering is met betrekking tot de belangrijker rol die de bijzondere curator moet gaan spelen. Kan de regering de leden van de VVD-fractie nog eens een heldere uiteenzetting geven over c.q. toelichting geven op de plannen met betrekking tot de bijzondere curator inclusief de uitwerking ervan - plus kosten - in de praktijk?


Gelijkwaardig ouderschap versus belang van het kind
De leden van de PvdA-fractie onderkennen, dat enerzijds het gezamenlijk ouderlijk gezag en anderzijds het (voortgezet) ouderschap, ouderlijke zorg- en opvoedingstaken en omgangsregelingen, gedeeltelijk samenvallende maar op onderdelen te onderscheiden begrippen zijn. Als deze leden het goed hebben begrepen, ziet het ouderschapsplan zoals genoemd in dit wetsvoorstel uitdrukkelijk niet op het eerste begrip, maar wel op de overige begrippen. Is dit juist?

In het promotie-onderzoek van mevrouw Jeppesen de Boer wordt aangetoond, dat voortzetting van het gezamenlijk ouderlijk gezag niet altijd in het belang is van het kind. Zo dat een juiste conclusie is: zou dat dan niet tevens consequenties moeten hebben voor het voortgezet ouderschap, i.c. de zorg- en opvoedingstaken en de omgangsregeling? Kan de regering in dit kader nog eens nader toelichten, waarom de beperkende formulering van artikel 377a niet in strijd zou zijn met de formulering van artikel 3, lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK)? (Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.)

Is de vrees van de Webgroep Bezorgde Moeders, dat “van de nieuwe wet met haar nadruk op ‘gelijkwaardig ouderschap’ verwacht mag worden dat zij de belangen van kinderen nog verder zal ondergraven omdat er nog vaker tot een omgangsregeling besloten zal worden (…) ook in gevallen waarbij sprake was van huiselijk geweld tijdens het huwelijk, van het voortzetten van mishandeling of seksueel misbruik van de kinderen of mishandelen van de moeder als de kinderen worden overgedragen tijdens een omgangsregeling” ongegrond?

Kan de regering overigens aangeven of zij overweegt om de uitkomsten van studie van mevrouw Jeppesen de Boer in komende wetgeving te betrekken? Zo nee, waarom niet?

Een ouderschapsplan in een eerder stadium

De leden van de PvdA-fractie hebben al eerder aangegeven het opstellen van een ouderschapsplan een goede zaak te vinden. Wel zouden deze leden graag zien, dat het instrument effectiever zou kunnen worden ingezet. In dit verband vroegen zij de minister van Justitie of hij bereid was met zijn collega voor Jeugd en Gezin te overleggen, of onder meer het door Schonewille voorgestelde ouderschapsplan ten tijde van het aangaan van een huwelijk of ander samenlevingsverband tot een grotere effectiviteit zou kunnen leiden dan het nu in te voeren ouderschapsplan ten gevolge van een echtscheiding. De minister van Justitie antwoordt daarop, dat hij de ontwikkelingen eerst eens af wil wachten en daarna de hele echtscheidingsketen in ogenschouw wil nemen. Echter het voorstel van Schonewille heeft nu juist betrekking op een fase die – naar deze leden hopen – nog niet in de echtscheidingsketen is gelegen en mogelijk niet tot een echtscheiding behoeft te leiden, als het advies zou worden uitgevoerd. Een ouderschapsplan kan ook op een niet gejuridiseerde wijze worden bekeken. Dit nu hoort bij uitstek bij het programmaministerie voor Jeugd en Gezin thuis. Wil de regering haar afwijzende antwoord in deze nog eens heroverwegen?

Administratieve scheiding

De regering is niet ingegaan op de vraag van de leden van de PvdA-fractie, of ook zij vindt, dat het massale gebruik van de flitsscheiding illustreert, dat er een evidente maatschappelijke behoefte bestaat aan een eenvoudige (administratieve) scheiding.

Deze leden menen in de brief van de minister van Justitie van 28 maart 2007[1] gelezen te hebben, dat een administratieve scheiding goed mogelijk zou zijn, mits maar een constitutieve beslissing ter zake zou worden genomen. Daaruit menen zij te mogen afleiden, dat dit kabinet niet afwijzend staat tegenover een dergelijke administratieve scheiding. In de memorie van toelichting echter wijst de regering deze mogelijkheid rigoureus af: “dit kabinet is niet voornemens…” Hoe moeten deze leden deze tournure – op zijn minst in toonzetting - verstaan? Kent de regering wellicht onderzoeken onder de bevolking, die uitwijzen dat er geen behoefte aan een vorm van administratieve echtscheiding zou bestaan?

Mediation en jeugdzorg

In de paragraaf Mediation en jeugdzorg wijdt de regering enige woorden aan de kosten van – kort gezegd - forensische mediation. Deze dienen door partijen gezamenlijk gedragen te worden. Zij vallen niet onder het regime van mediation naast rechtspraak. Deze vorm van door de rechtbank opgedragen mediation, voorheen ook wel deskundigenbericht met gebruikmaking van mediation genoemd en, naar de leden van de SP-fractie zich hebben laten vertellen, thans “ouderschapsonderzoek” geheten, is een voor rechters buitengewoon belangrijk hulpmiddel om onwillende ouders toch, zij het onder enige dwang, aan tafel te krijgen om na te denken over de, in verband met hun scheiding noodzakelijke, regelingen voor hun kinderen. De kosten zijn hoog, €3500,- of meer, en vormen voor ouders die toch eigenlijk al niets willen – ze zijn immers niet bereid een mediationtraject in te stappen – veelal een goede reden om niet zelf na te denken over hun kinderen. De rechter moet de knoop dan maar doorhakken. Dat dit niet in het belang van de kinderen is is zonneklaar.

Nu zegt de regering dat de bepaling in artikel 284 lid 1 Rv dat “de artikelen 195, 199 en 200 Rv van overeenkomstige toepassing zijn in verzoekschriftprocedures, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet” ruimte geeft om in het belang van het kind een forensisch mediator aan te wijzen zonder partijen hiervoor een voorschot te vragen en in debet te stellen. De vraag van de leden van de SP-fractie is nu: door wie worden die kosten uiteindelijk gedragen? Wordt alsnog een van de partijen of beide ouders in de kosten veroordeeld, of blijven deze kosten ten laste van ’s Rijks kas?

Relatie met Brussel IIbis

Voorts roept de memorie van antwoord, artikelsgewijs commentaar, nog de volgende vraag op. De regering merkt ten overvloede op dat een beschikking inzake het omgangsrecht op grond van Brussel IIbis met een certificaat maar zonder exequatur in andere EU-lidstaten ten uitvoer kan worden gelegd. De theorie is de leden van de SP-fractie bekend. Zij zouden echter graag iets horen over de praktijk. Ligt hier een taak voor de Centrale Autoriteit, onderdeel van het ministerie van Justitie, en zo ja, hoe komt het dat het in voorkomende gevallen de Centrale Autoriteit niet lukt om nakoming van een beschikking van de Nederlandse rechter af te dwingen? Graag ontvangen deze leden hier duidelijkheid over.

De leden van de commissie zien de reactie van de minister met belangstelling tegemoet.

De voorzitter van de commissie Justitie, Van de Beeten
De griffier van de commissie, Kim van Dooren


[1] Kamerstuk 30145, nr. 9 onder 2

[2] Samenstelling Vaste Commissie van Justitie van de Eerste Kamer:

  • Holdijk (SGP)
  • Dölle (CDA)
  • Tan (PvdA)
  • Van de Beeten (CDA) (voorzitter)
  • Broekers-Knol (VVD)
  • De Graaf (VVD)
  • Kneppers-Heynert (VVD)
  • Kox (SP)
  • Westerveld (PvdA) (vice-voorzitter)
  • Russell (CDA)
  • Engels (D66)
  • Franken (CDA)
  • Peters (SP)
  • Quik-Schuijt (SP)
  • Haubrich-Gooskens (PvdA)
  • Ten Horn (SP)
  • Janse de Jonge (CDA)
  • Koffeman (PvdD)
  • Böhler (GL)
  • Van Bijsterveld (CDA)
  • Strik (GL)
  • Lagerwerf-Vergunst (CU)
  • Rehwinkel (PvdA)
  • Duthler (VVD)
  • Yildirim (Fractie-Yildirim)

maandag, december 10, 2007

50. Gastcolumn "tegen gelijkwaardig ouderschap" van SP-Senator Quik-Schuit bij SP-Senator Meulenbelt, ook al tegen

Inleiding

Een klein groepje machtige, als "moedermaffia" (*) bekend staande feministische juristen en doctorandussen uit het Ministerie van Justitie, rechterlijke macht, kinderbescherming en universitaire wereld houdt het Nederlandse familie- en scheidingsrecht nu al decennia lang in een ijzeren wurggreep gevangen en blokkeert elke ontwikkeling naar een meer gelijkwaardig en gedeeld ouderschap na de scheiding. Men deinst er daarbij niet voor terug om de Tweede Kamer als wetgever openlijk de les te leren en haar wetgevingsinitiatieven te frustreren en tegen te werken. Steeds dezelfde namen duiken daarbij op en het groepje blijkt over een uitstekend georganiseerde politieke en juridische lobby te beschikken.

Hieronder een voorbeeld van de vrijblijvende verkoopretoriek naar buiten waarachter het werkelijke machtsdenken van de dames in het familierecht wordt verhuld: men zegt voor gelijkwaardigheid te zijn maar men blijkt er toch tegen of er is al 'gelijkwaardigheid' dus er hoeft niets te veranderen; men stelt het dictaat dat vaders eerst maar voor de scheiding meer moeten gaan zorgen willen ze er na de scheiding nog voor hun kinderen kunnen zijn, maar men wil niets doen en doet niets om de banden van vaders met hun kinderen die voor de scheiding meer zorgden na de scheiding ook te beschermen, etc. etc.

Dezelfde mv. Quik-Schuit die hieronder de mond vol heeft over gelijkwaardig ouderschap, heeft in haar vorige beroep als familierechter aan de Rechtbank Utrecht decennia lang vooropgelopen en de toon gezet in het in de praktijk systematisch buitensluiten van kinderen van hun vaders in haar rechtbank. Zij heeft letterlijk tienduizenden kinderen voorgoed alle contact met hun vader ontzegd en deze weerloze kinderen bovendien hun halve families - opa's en oma's, tantes en ooms, neven en nichten - voorgoed ontnomen.

Van deze oud-familierechter is ook de uitspraak afkomstig dat je als vader een omgangsregeling van haar rechtbank maar beter in kunt lijsten en boven je bed kunt hangen, want hij is toch nergens anders goed voor.

Het is vandaag 10 december, de Dag van de Rechten van de Mens. Als het woord Goelag Archipel al niet uitgevonden zou zijn, dan zou het voor mv. mr. Nanneke Quik-Schuit uitgevonden kunnen worden. Zij is een kille bureaucratische misdadigster die de afgelopen tientallen jaren achter de gesloten deuren van haar 'geheime' familierechtbank - waar zij als vice-president niet alleen de toon zette en de regie voerde - maar ook als rechter de scepter heeft gezwaaid in duizenden scheidingszaken met kinderen en daarbij haar machtswellust naar hartelust heeft botgevierd en haar buitensluitingspraktijken naar hartelust heeft bedreven ten aanzien van weerloze kinderen, hun vaders en de opa's en oma's en verdere familie van vaderskant bij scheidingen.

Dat deze kampioen van, en het symbool voor, de structurele mensenrechtenschendingen in het Nederlandse familie- en scheidingsrecht nu in de Nederlandse Eerste Kamer zit is daarom met recht een schande te noemen.



(*) De term Moedermaffia is in Nederland een geliefde en veelgebruikte term door Henk Hanssen van de populaire vadersite IkVader om te beschrijven welke weerstand hij tegenkomt tegen betrokken vaderschap van de zijde van Nederlandse moeders en vrouwen. De aanduiding “Moedermaffia” is afkomstig van de Britse schrijfster Adrienne Burgess. Daarmee wordt geduid op het ongebreidelde en egocentrische poortgedrag en machtsdenken van een groep vrouwen en moeders die vaders en mannen koste wat het koste uit het leven van hun kinderen willen buitensluiten. Zij beroepen zich bij het vooropstellen van het eigen moederbelang naar willekeur op “het belang van hun kinderen”, dat daarbij volstrekt met hun eigenbelang vereenzelvigd wordt. De Nederlandse hoogleraar Dorien Pessers heeft in dit verband gesproken van een volstrekt "doorgeschoten familierecht" in Nederland waarin de machtsverhoudingen tussen de sexen eenzijdig ten gunste van moeders zijn doorgeslagen.


Dan nu de gastcolumn van mv. mr. Nanneke Quik-Schuit - oud-familierechter en vice-president van de Rechtbank Utrecht nu senator voor de SP in de Eerste Kamer en woordvoeder familierecht en justitie voor de SP-fractie in de Eerste Kamer - over 'gelijkwaardig ouderschap' in het weblog van de 'feministe' en collega SP-senator in de Eerste Kamer, Anja Meulenbelt:


Gelijkwaardig Ouderschap



Weblog Anja Meulenbelt » Geplaatst onder: Algemeen om 6.53 uur vrijdag 16 november 2007

Te gast: collega Nanneke Quik over ouderschap na scheiding, een column die ze schreef.

In 1985 werden ouders binnen het huwelijk gelijkwaardig. Toen ik mijn kinderen opvoedde had mijn man het nog voor het zeggen als we het niet eens waren over bijvoorbeeld de schoolkeuze. Hij wist dat uiteraard niet, we hebben dus nooit problemen gehad. Ware dat wel zo geweest dan hadden we de kinderrechter kunnen laten beslissen. Dat kwam in die jaren practisch nooit voor.

In 1998 kwam het gelijkwaardig ouderschap na echtscheiding in de wet. Het ouderlijk gezag bleef vanaf toen gewoon voortbestaan na scheiding. Logisch, je scheidt niet van je kinderen. Procedures over toewijzing van de kinderen, omgang en alimentatie hadden we al. Daar kwamen toen verzoeken van velerlei aard bij: schoolkeuze, medische behandeling, paspoorten, maar ook de vraag of iemand mag verhuizen met de kinderen.

Rechters moesten volgens de wet primair “een vergelijk tussen de ouders beproeven.” Omdat dat vaak niet lukte gingen zij een beleid ontwikkelen. Verhuizen mag niet als daardoor voortzetting van het co-ouderschap feitelijk onmogelijk wordt. Om maar een voorbeeld te noemen. Omdat er ondanks het voortduren van het ouderlijk gezag na echtscheiding nog steeds veel kinderen ernstig onder de scheiding te lijden hebben, bedachten zowel het ministerie van justitie als de Tweede Kamer tegelijkertijd het ouderschapsplan. Prima boodschap: mensen, denk erom, als je overweegt om uit elkaar te gaan moet je eerst iets regelen voor de kinderen.

Of veel kinderen daarmee geholpen zijn is zeer de vraag: mensen die strijd blijven voeren doen dat met een uit de pc van de advocaat gerold ouderschapsplan ook. Wat zij nodig hebben is hulp, mediation, desnoods verplicht, omgangshuizen om langs die weg het vertrouwen dat het contact met de ouder goed is voor het kind terug te winnen. De initiatiefwet is gesneuveld omdat deze ook de administratieve echtscheiding bevatte en daar was de Eerste Kamer nog niet aan toe.

Scheiding en omgang roept veel emoties op en brengt daardoor veel mensen in beweging: de Dwaze Vaders, Fathers 4Justice, vereniging grootouders-ouders-kinderen hebben een uitstekende PR en worden gehoord. Het is een handjevol mannen dat veel bereikt. Zo meende mijn partij dat in de wet onvoldoende duidelijk te lezen viel dat ouders ook na scheiding gelijkwaardig zijn. Het congres vroeg om dit in de wet te laten opnemen. De motie van die strekking van partijgenoot de Wit werd unaniem door de Tweede Kamer aangenomen. Toen kwamen ook de vrouwen in beweging met de actiegroep Bezorgde Moeders. Veel voorbeelden van vaders die het af laten weten, verhalen over mishandeling en misbruik. Er is duidelijk een probleem dat deze wet niet gaat oplossen. Het probleem is nl niet het vaderschap ná scheiding maar het vaderschap tijdens de samenwoning.

Gelijkwaardigheid binnen een relatie betekent niet dat beide partners het zelfde zijn of doen. Het betekent wel dat zij samen keuzes maken waar zij beiden achter staan. Als dat is dat de een voor de kinderen zorgt en de ander full-time buitenhuis werkt: prima, is het een fifty-fifty verdeling van de zorg, ook goed, 40-60 allemaal goed, zolang beide ouders gelukkig zijn met hun keuze.

Blijkens het feit dat slechts 10% van de vaders een zorgdag per week opneemt terwijl de arbeidsparticipatie van vrouwen volgens het CPB nog fiks omhoog moet, vinden de meeste vaders het wel prima als de moeder de zorg grotendeels voor haar rekening neemt. Ik vind het begrijpelijk dat veel vaders zich pas realiseren hoe belangrijk de kinderen voor hen zijn als ze niet meer iedere avond samen aan tafel zitten. Maar ik vind het voor hen ook te laat: het enige objectieve criterium om de zorg na scheiding te verdelen is de verdeling van de zorg tijdens de samenwoning: het gaat immers primair om het belang van de kinderen. Voor zover onze wet dat niet duidelijk verwoordt: het kinderrechtenverdrag doet dat wel. Kinderen hebben recht op en behoefte aan continuiteit en voorspelbaarheid. Hoe minder er in hun leven verandert na de scheiding hoe beter.

Gelijkwaardig ouderschap na scheiding is dus zo veel mogelijk die vorm van ouderschap die er voordien was. Mijn advies aan alle vaders: bedenk hoe je het zou willen na een eventuele scheiding en anticipeer daarop zolang je nog een gezellig gezinnetje vormt. En strijd voor je recht op deeltijdarbeid.

Om ieder misverstand over de betekenis van gelijkwaardig ouderschap te voorkomen heb ik daarover vragen aan de Minister gesteld. Nu maar hopen dat hij mijn opvatting deelt.

Nanneke Quik-Schuijt
Lid Eerste Kamer SP

40 Reacties »