Posts tonen met het label Onderwijs. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Onderwijs. Alle posts tonen

zondag, februari 13, 2011

718. Jongenscrisis in het onderwijs (ITS rapport, juni 2010) - Achterstand jongens in voortgezet onderwijs nog steeds niet aangepakt (KRO - Brandpunt )

Gerelateerd artikel:

  • Jongenscrisis in het onderwijs (ROA-rapport, januari 2011) - Gefeminiseerde overleg- en praathuiscultuur in 'Studiehuis' van voortgezet onderwijs gaat ten koste van onderwijsprestaties van jongens, Vaderkenniscentrum, 27 februari 2011; http://vaderkenniscentrum.blogspot.com/2011/02/732a.html
Waarom wordt de huidige achterstand van jongens in het voortgezet onderwijs niet aangepakt? 
Bron: KRO - Brandpunt, 13-02-2011

Get Microsoft Silverlight Bekijk de video in andere formaten.

Waren het begin jaren 90 de meisjes die fors achterliepen op de jongens in het voortgezet onderwijs, nu zijn de rollen volledig omgedraaid. De cijfers liegen er niet om.

Jongens verlaten school vaker zonder diploma, ze zijn oververtegenwoordigd in het speciaal onderwijs, jongens blijven vaker zitten en presteren structureel onder hun niveau. Was de achterstand van de meisjes een sociologisch probleem, de huidige achterstand van de jongens is vooral een onderwijskudig probleem. De achterstand van meisjes leidde tot maatschappelijk debat en campagnes, maar een aanpak van de huidige achterstand van jongens blijft uit.

Aart Zeeman zoekt uit waarom niemand zich druk maakt over de stelselmatige achterstelling van jongens op de middelbare school.


Interview rector Joost van Rijn van het Lek en Linge-college
Bron: KRO-Brandpunt, 13-02-2011

Get Microsoft Silverlight Bekijk de video in andere formaten.


Rector Joost van Rijn van het Lek en Linge-college vindt dat het huidige Nederlandse onderwijs jongens willens en wetens in de kou laat staan: “En de reflex die men overwegend heeft: ja maar die meisjes doen het toch goed. Ik hoor zelfs wel eens: dat is toch helemaal niet erg dat die jongens het minder goed doen. Terwijl ik denk van: dat zijn dezelfde mensen die het in de jaren tachtig ontzettend erg vonden dat die emancipatie van die meisjes zo moeizaam op gang kwam. Dan denk ik: 'Nu zou je het toch echt moeten aantrekken, want het is een verspilling van talent'.”

Interview met professor Jelle Jolles van de Vrije Universiteit
Bron: KRO-Brandpunt, 13-02-2011

Get
Microsoft Silverlight Bekijk de video in andere formaten.


'Meisjes kunnen leren van jongens. Dat ondernemende is iets waar onze samenleving ook behoefte aan heeft. Dus het is heel erg als jongens uitvallen. Jongens kunnen een voorbeeld zijn voor meisjes', zegt hoogleraar Jelle Jolles van de Vrije Universiteit. 'Meisjes kunnen op een al wat jongere leeftijd plannen en prioriteren. Zij staan open voor de kritiek van elkaar en van de leraar. Zij pakken dat op en maken daar een plan van. Jongens, die zijn speels, zijn minder goed in dat plannen.'

Rapport: De onderwijsachterstand van jongens
Bron: KRO-Brandpunt, 13-02-2011

    Een rapport over de achterstand van jongens in het onderwijs geschreven door Geert Driessen en Annemarie van Langen.

    Rapport: “De onderwijsachterstanden van jongens”

    http://www.cool5-18.nl/publicatiesbo

    In sommige landen, waaronder Engeland en de Verenigde Staten, bestaat ongerustheid over het feit dat jongens in het onderwijs in een achterstandspositie dreigen te geraken. Ook in Nederland worden daarover zorgen geuit. Op verzoek van het Ministerie van OCW heeft het ITS daarom de onderwijspositie in kaart gebracht van jongens en meisjes in het primair onderwijs en de eerste vier jaren van het secundair onderwijs in Nederland. Daarbij is onder meer gebruik gemaakt van de gegevens van de eerste meting van COOL5-18 en diens voorloper het Prima-cohortonderzoek.

    De resultaten laten zien dat er qua cognitieve competenties geen sekseverschillen zijn; die zijn er wel wat de niet-cognitieve competenties betreft, waarbij jongens met name qua gedrag en werkhouding ongunstiger scoren. Jongens nemen ook op de meeste onderdelen van de schoolloopbaan een minder gunstige positie in dan meisjes.

    Het rapport van dr. Geert Driessen en dr. Annemarie van Langen (2010) De onderwijsachterstand van jongens. Omvang, oorzaken en interventies kan worden gedownload door hier (pdf) te klikken.

    Conclusies en samenvatting - De onderwijsachterstand van jongens - Omvang, oorzaken en interventies

    Volledig rapport: http://www.cool5-18.nl/pdf-bestanden/De%20onderwijsachterstand%20van%20jongens.pdf

    Geert Driessen
    Annemarie van Langen

    M.m.v. Hetty Dekkers & Sanne Elfering

    ITS – Radboud Universiteit Nijmegen, Juni 2010

    Managementsamenvatting

    Het ITS heeft in dit rapport de onderwijspositie van jongens in vergelijking tot die van meisjes geïnventariseerd, zowel qua cognitieve competenties, niet-cognitieve competenties als schoolloopbanen en zowel in het primair onderwijs als in de eerste jaren van het voortgezet onderwijs in Nederland en enkele andere landen. Deze inventarisatie is een update van de trendstudie die het ITS in 2006 heeft uitgevoerd naar nationale en internationale verschillen in schoolprestaties en onderwijsloopbanen van jongens en meisjes. De aanleiding voor deze update wordt gevormd door recente berichten in de media dat de onderwijsachterstand van jongens ten opzichte van meisjes de laatste jaren groter zou zijn geworden. Hierover zijn in de Tweede Kamer vragen gesteld, waarna de staatsecretarissen voor primair onderwijs en voor voortgezet en beroepsonderwijs eind 2009 toegezegd hebben om onderzoek te laten doen naar de onderwijspositie van jongens.

    Op grond van de uitgevoerde inventarisatie kunnen de volgende conclusies worden getrokken over het bestaan van een onderwijsachterstand van jongens:
    • In termen van cognitieve competenties is in Nederland er geen sprake van een systematische achterstand van jongens in vergelijking tot meisjes; noch in het primair onderwijs, noch in de eerste vier jaar van het voortgezet onderwijs. De geconstateerde sekseverschillen in prestaties zijn namelijk enerzijds vrij beperkt, anderzijds afwisselend in het voordeel van de meisjes (bij taal en lezen) of de jongens (bij rekenen/wiskunde).
    • De gevonden sekseverschillen in niet-cognitieve competenties zijn soms wèl vrij aanzienlijk, en suggereren bovendien af en toe wel een ongunstigere onderwijspositie van jongens dan van meisjes. In het basisonderwijs worden jongens beduidend zwakker dan meisjes beoordeeld op werkhouding en sociaal gedrag; in groep 8 meer nog dan in groep 2. Onder zorgleerlingen in het regulier onderwijs en leerlingen van het speciaal onderwijs vertonen veel meer jongens dan meisjes gedrags- en concentratiestoornissen. Van andere geconstateerde sekseverschillen in niet-cognitieve competenties is minder duidelijk aan te geven wat het effect is op de onderwijspositie. Zo beschouwen jongens in het voortgezet onderwijs zichzelf als veel minder mild dan meisjes; zij gaan conflicten dan ook minder uit de weg. Ook zijn jongens naar eigen zeggen emotioneel stabieler en hebben zij meer zelfvertrouwen, ook in hun onderwijsmogelijkheden. Een mogelijk bruikbare interessante bevinding voor de onderwijspraktijk is dat jongens meer gemotiveerd raken door competitie, terwijl meisjes meer sociaal gemotiveerd zijn.
    • De schoolloopbanen van jongens zijn in vrijwel alle onderzochte opzichten die mede bepalend zijn voor het uiteindelijke onderwijs(eind)niveau, minder gunstig dan die van meisjes. Om te beginnen neemt een veel groter aandeel van hen deel aan vormen van speciaal onderwijs. Daarnaast blijkt dat jongens in het voortgezet onderwijs vaker dan meisjes doubleren, vaker deelnemen aan de lagere onderwijsniveaus, vaker uitstromen als voortijdig schoolverlater en afstromen naar een lager niveau. Bij al deze aspecten van de vo-schoolloopbaan lopen de sekseverschillen zelden op tot meer dan een paar procent, maar in absolute aantallen gaat het daarmee toch om duizenden leerlingen.
    • Het voorafgaande beeld geldt voor jongens en meisjes als totale groep, maar vrijwel steeds ook, en in gelijke mate, voor de afzonderlijk onderscheiden sociaal-etnische groepen. Met andere woorden: de gehanteerde gegevens wijzen niet op enige vorm van interactie tussen sociaal-etnisch milieu en sekse die ertoe zou leiden dat bepaalde groepen jongens in het Nederlandse onderwijs systematisch een grotere achterstand op de meisjes hebben dan andere.
    • De bovenbeschreven situatie heeft betrekking op de huidige stand van zaken; er zijn echter weinig aanwijzingen gevonden dat deze sterk verschilt van de situatie van vijf tot tien jaar geleden. Er is dus geen sprake van dat in de laatste jaren in Nederland grote veranderingen zijn opgetreden in de onderwijspositie van jongens in vergelijking tot die van meisjes.
    In dit rapport wordt tevens verslag gedaan van een internationale literatuurstudie naar de verklaringen voor de achterstand van jongens en naar mogelijke interventies om deze achterstand te bestrijden. De verklaringen zijn ingedeeld naar analogie van het bekende nature-nurture debat, dat draait om de vraag of eigenschappen en gedrag van mensen zijn aangeboren of aangeleerd. Recentelijk is er veel literatuur verschenen over de biologische verschillen in hersenfunctie en –ontwikkeling tussen jongens en meisjes, die zouden leiden tot sekseverschillen in het onderwijs. Aanvullend hierop, soms ook in strijd hiermee, is er echter ook veel onderzoek uitgevoerd naar de invloed vanuit de omgeving - ouders, leeftijdsgenoten, school en docenten, maatschappelijke context - op het ontstaan van sekseverschillen in het onderwijs. In dit rapport geven we een overzicht van de argumenten die vanuit beide invalshoeken worden aangedragen, en beschrijven tevens de voorgestelde interventies en oplossingen om de achterstand van jongens te bestrijden. Deze zijn in drie typen te onderscheiden: pedagogisch-didactische maatregelen (bijv. het aanleren van onderwijsstrategieën aan docenten, gericht op de specifieke behoefte van jongens aan meer competitie, practicum en/of beweging), sociaal-culturele maatregelen (bijv. programma’s om het zelfbeeld van jongens te verhogen of hun antischool-houding te keren) en organisatorische maatregelen (zoals seksegescheiden onderwijs of het aantrekken van meer mannelijke docenten).

    6 Samenvatting en conclusies

    6.1 Aanleiding en opzet van deze studie

    Deze studie is een update van het onderzoek naar sekseverschillen in onderwijsloopbanen dat het ITS in 2006 heeft uitgevoerd. De reden voor deze update wordt gevormd door berichten dat de onderwijsachterstand van jongens ten opzichte van meisjes de laatste jaren groter zou zijn geworden. Deze achterstand zou met name in het primair onderwijs en de eerste jaren van het voortgezet onderwijs worden opgebouwd. Naar aanleiding van genoemde berichten zijn in de Tweede Kamer vragen gesteld, waarna de staatsecretarissen voor primair onderwijs en voor voortgezet en beroepsonderwijs eind 2009 toegezegd hebben om onderzoek te laten doen naar de onderwijspositie van jongens.

    Het onderzoek bestaat uit twee delen. Ten eerste een inventarisatie van de positie van jongens in vergelijking tot die van meisjes in het Nederlandse onderwijs en ook in enkele andere landen. Ten tweede een literatuurstudie naar de oorzaken van een eventuele jongensachterstand en naar mogelijke interventies om deze te bestrijden. Wat de inventarisatie van de onderwijspositie betreft, is onderscheid gemaakt naar cognitieve competenties (o.a. taal, lezen, rekenen/wiskunde), niet-cognitieve competenties (persoonlijkheidskenmerken, engagement en motivatie) en schoolloopbanen (o.a. doubleren, deelname aan speciaal onderwijs en v.o.-niveau, voortijdig schoolverlaten, op- en afstroom, examenresultaten en sector/profielkeuze). De relatieve positie van jongens en meisjes op deze drie gebieden in zowel primair onderwijs als in de eerste vier leerjaren van het secundair onderwijs is in kaart gebracht. Ook ontwikkelingen in deze positie in de afgelopen jaren zijn in de studie betrokken. Daartoe is enerzijds de stand van zaken per 2006 samengevat, zoals die naar voren komt in het vorige ITS-rapport over sekseverschillen, en anderzijds een aanvulling hierop gegeven aan de hand van actuele onderzoeksdata. In deze samenvatting concentreren we ons vooral op deze update.

    Waar de beschikbare gegevens het toelieten, hebben we de sekseverschillen in onderwijspositie niet alleen voor de groep leerlingen als geheel in kaart gebracht, maar ook nog binnen onderscheiden sociaal-etnische groepen. Daardoor kon worden nagegaan welke groepen jongens het meeste risico op achterstand lopen en of het probleem zich mogelijkerwijs concentreert op kansarme autochtone jongens, zoals bijvoorbeeld in Engeland wel wordt gesuggereerd.

    6.2 Sekseverschillen in cognitieve competenties

    Voor het interpreteren van sekseverschillen in cognitieve en niet-cognitieve competenties is in dit hele rapport gebruik gemaakt van dezelfde maat; de zogenaamde effect size (ES). De algemene vuistregel is dat een ES van 0,20 een klein verschil betreft, een ES van 0,50 een middelmatig verschil en een ES van 0,80 een groot verschil.

    Nederlandse studies in het basisonderwijs
    Uit de actuele data, verzameld in de landelijke cohortonderzoeken van PRIMA en COOL 5-18 , maar ook in PPON en JPO, komt het volgende beeld naar voren. De cognitieve competenties van jongens en meisjes in het Nederlandse basisonderwijs verschillen wel van elkaar, maar deze verschillen zijn over het algemeen hooguit klein te noemen, een enkele keer oplopend naar middelmatig. Bovendien zijn jongens en meisjes beurtelings in het voordeel; de jongens hebben een voorsprong op de meisjes bij de domeinen rekenen/wiskunde, wereldoriëntatie en Engels, de meisjes juist een voorsprong op de jongens bij de domeinen (Nederlandse) taal en lezen. Een indruk hiervan wordt gegeven in Grafiek 6.1, die overigens uitsluitend betrekking heeft op de toetsprestaties en CITO-Eindtoetsscores die in COOL in 2007 zijn verzameld.

    Grafiek 6.1 – De effect sizes van de sekseverschillen in cognitieve competenties in het basisonderwijs. Bron: COOL 5-18 2007. Negatieve ES: meisjes>jongens; positieve ES: jongens>meisjes



    In de PRIMA- en COOL-bestanden konden ook de sekseverschillen in prestaties binnen verschillende sociaal-etnische categorieën worden berekend. Deze bleken in grote lijnen weinig van elkaar of het algemene beeld af te wijken. Daaruit mag worden geconcludeerd dat er geen specifieke sociaal-etnische groepen in het basisonderwijs zijn waar het sekseverschil in prestaties systematisch groter of kleiner is dan daarbuiten.

    Nederlandse studies in het speciaal (basis)onderwijs en onder zorgleerlingen in het basisonderwijs
    Uit de beschikbare studies naar de cognitieve competenties van zorgleerlingen in het basisonderwijs en van leerlingen in het speciaal (basis)onderwijs, blijkt dat in deze groepen slechts beperkte sekseverschillen in prestaties voorkomen, die afwisselend in het voordeel van jongens en meisjes zijn.

    Nederlandse studies in het voortgezet onderwijs
    In de landelijke cohortonderzoeken in het Nederlands voortgezet onderwijs (VOCL en COOL) zijn de prestaties van derdeklassers gemeten. Uit de resultaten blijkt dat de sekseverschillen over het algemeen te typeren zijn als tamelijk of zelfs zeer klein, behalve bij werkwoordspelling waar het een middelmatig verschil betreft. Jongens zijn vooral in het voordeel bij wiskunde, meisjes bij genoemde werkwoordspelling en bij begrijpend lezen. Een overzicht van de resultaten wordt gegeven in Grafiek 6.2, die wederom uitsluitend betrekking heeft op de toetsprestaties die in COOL in 2007 zijn verzameld. De genoemde omvang van de sekseverschillen in prestaties geldt in grote lijnen ook binnen de onderscheiden sociaal-etnische categorieën. Ook in het voortgezet onderwijs is er dus geen specifieke subgroep waar het sekseverschil veel groter of kleiner is dan daarbuiten.

    Grafiek 6.2 – De effect sizes van de sekseverschillen in cognitieve competenties in het voortgezet onderwijs. Bron: COOL 5-18 2007. Negatieve ES: meisjes>jongens; positieve ES: jongens>meisjes


    Internationaal vergelijkende studies
    Uit de resultaten van de internationaal vergelijkende studies PIRLS en TIMSS komen eveneens slechts kleine sekseverschillen naar voren in de prestaties onder basisschoolleerlingen. Deze zijn altijd in het voordeel van de meisjes als het gaat om lezen; bij wiskunde en natuurwetenschappen hebben jongens meestal een lichte voorsprong. In enkele landen is er nauwelijks nog een sekseverschil (Grafiek 6.3).

    Grafiek 6.3 – De effect sizes van de sekseverschillen in cognitieve competenties volgens internationaal vergelijkende studies in het basisonderwijs. Bron: PIRLS 2006, TIMSS 2007. Negatieve ES: meisjes>jongens; positieve ES: jongens>meisjes



    Tevens zijn in het internationaal vergelijkende PISA-onderzoek leerlingen in het voortgezet onderwijs van meerdere landen onderzocht. De sekseverschillen in hun toetsprestaties blijken bij natuurwetenschappen en wiskunde in alle landen heel klein. Bij lezen zijn ze beduidend groter (ES tussen 0,25 en 0,41), steeds in het voordeel van de meisjes.

    6.3 Sekseverschillen in niet-cognitieve competenties

    Nederlandse studies in het basisonderwijs
    Uit de landelijke cohortonderzoeken van PRIMA en COOL is ook informatie beschikbaar over een reeks van niet-cognitieve kenmerken van basisschoolleerlingen. Deels is deze verzameld bij de leerkrachten, in de hogere groepen ook bij de leerlingen zelf. Uit onze analyses blijkt dat in de niet-cognitieve competenties wat grotere sekseverschillen zichtbaar zijn dan in de cognitieve competenties. Met name op sociaal gedrag en werkhouding scoren de meisjes aanzienlijk gunstiger dan de jongens. Bovendien wordt het sekseverschil in werkhouding beduidend groter tussen groep 2 en groep 8. Wat betreft motivatie blijkt dat jongens sterker gericht zijn op competitie (schaal ‘performance’) dan meisjes, terwijl de meisjes sociaal gemotiveerder zijn. Qua welbevinden en taakoriëntatie scoren de meisjes veelal gunstiger, terwijl de jongens meer zelfvertrouwen hebben. Laatstgenoemde verschillen zijn echter tamelijk klein. Grafiek 6.4 geeft een overzicht van de sekseverschillen voor de niet-cognitieve competenties, zoals gemeten in COOL in 2007.

    Grafiek 6.4 – De effect sizes van de sekseverschillen in niet-cognitieve competenties in het basisonderwijs. Bron: COOL 5-18 2007. Negatieve ES: meisjes>jongens; positieve ES: jongens>meisjes



    Binnen de onderscheiden sociaal-etnische groepen zijn de sekseverschillen soms wat groter of kleiner dan algemeen; er is daarin echter opnieuw geen duidelijke trend te ontdekken. Het sekseverschil in niet-cognitieve competenties is in bepaalde sociaal-etnische groepen dus niet systematisch veel groter of kleiner dan in andere.

    Nederlandse studies in het speciaal onderwijs en onder zorgleerlingen in het reguliere onderwijs
    Recent onderzoek in het (voortgezet) speciaal (basis)onderwijs en onder zorgleerlingen in het reguliere onderwijs laat zien dat jongens veel vaker dan meisjes gedragsstoornissen en hyperactiviteit vertonen. Marokkaanse jongens lijken in dit opzicht een extra risico te lopen. Meisjes vertonen vooral vaker internaliserend probleemgedrag en emotionele problemen (o.a. faalangst).

    Nederlandse studies in het voortgezet onderwijs
    Informatie over niet-cognitieve competenties van leerlingen in het voortgezet onderwijs is recentelijk verzameld in VOCL en COOL. Er blijkt in dit opzicht sprake van soms aanzienlijke sekseverschillen, die gedeeltelijk overeenkomen met de bevindingen in het basisonderwijs. Jongens beschrijven zichzelf als beduidend minder mild en tegelijkertijd emotioneel stabieler dan meisjes, en hebben meer zelfvertrouwen. Qua motivatie blijken jongens zich aanzienlijk meer dan meisjes te laten leiden door competitie (‘performance’), meisjes zijn sociaal gemotiveerder; zie Grafiek 6.5. Binnen de onderscheiden sociaal-etnische categorieën komt een vergelijkbaar beeld naar voren.

    Grafiek 6.5 – De effect sizes van de sekseverschillen in niet-cognitieve competenties in het voortgezet onderwijs. Bron: COOL 5-18 2007. Negatieve ES: meisjes>jongens; positieve ES: jongens>meisjes



    Internationaal vergelijkende studies
    Gegevens over niet-cognitieve competenties zijn in de internationaal vergelijkende studies slechts beperkt voorhanden. Uit TIMSS blijkt dat jongens in de meeste landen – inclusief Nederland - significant meer zelfvertrouwen bij wiskunde hebben dan de meisjes. Het zelfvertrouwen bij natuurwetenschappen verschilt nauwelijks naar sekse. In PISA is vastgesteld dat jongens iets meer waarde hechten aan natuurwetenschappen dan meisjes en ook iets meer zelfvertrouwen en plezier hierin hebben. De verschillen zijn over het algemeen gering, maar in Nederland is het sekseverschil in zelfvertrouwen en plezier groter dan elders.

    6.4 Sekseverschillen in schoolloopbanen

    Voor het interpreteren van de sekseverschillen in schoolloopbanen is de effect size-maat niet bruikbaar. Het gaat nu immers niet meer om het vergelijken van scores, maar van percentuele verdelingen. De beoordeling van de relevantie van verschillen daarin moet op basis van zichtsvaliditeit gebeuren en zal sterk afhangen van het onderwerp.

    Nederlandse studies in het basisonderwijs
    Het aandeel jongens en meisjes met een advies voortgezet onderwijs van vmbo-t/havo of hoger verschilt in 2007/08 nauwelijks van elkaar, zo blijkt uit de COOL-data. Een paar jaar eerder, in 2001, kregen wel iets meer meisjes dan jongens dit advies.

    Nederlandse studies in het speciaal onderwijs en onder zorgleerlingen in het reguliere onderwijs
    Uit alle recente data (PRIMA, CFI/Statline) komt naar voren dat jongens veel meer worden doorverwezen naar het (voortgezet) speciaal onderwijs dan meisjes. Het percentage jongens onder de s.o.-deelnemers varieert van circa 52% (so- en vso-doof; cluster 2) tot wel 85% (so-zmok; cluster 4). Dat is overigens geen nieuwe ontwikkeling, maar er zijn wel enkele s.o.-onderwijssoorten waar het aandeel jongens de laatste jaren nog iets is toegenomen. Het omgekeerde komt echter ook voor.

    Nederlandse studies in het voortgezet onderwijs
    Met behulp van landelijke gegevens is ten behoeve van deze studie de schoolloopbaan in de eerste vier jaar van het voortgezet onderwijs gevolgd van de hele cohort dat in 2005/06 is gestart. Daaruit blijkt dat in vrijwel alle opzichten de schoolloopbaan van de jongens ongunstiger verloopt dan die van de meisjes, met uitzondering van de examenresultaten van de onvertraagde vmbo-leerlingen (geen verschil tussen jongens en meisjes).

    Om te beginnen zijn de jongens wat ouder dan de meisjes bij hun start in het voortgezet onderwijs, hetgeen wijst op een opgelopen vertraging. Vervolgens blijkt dat een lager percentage jongens dan meisjes deelneemt aan de hogere niveaus van voortgezet onderwijs (havo en vwo) en juist een hoger percentage jongens aan de lagere niveaus (praktijkonderwijs, vmbo-bbl). Bovendien ontpoppen iets meer jongens dan meisjes zich tot voortijdig schoolverlater. De situatie van de hele cohort in het vierde verblijfsjaar (2008/09) is weergeven in Grafiek 6.6. Daaruit blijkt bijvoorbeeld dat van de meisjes uit de cohort 46% deelneemt aan havo of vwo en 26% aan vmbo-bbl of -kbl, terwijl deze percentages bij de jongens respectievelijk 41% en 30% zijn.

    Grafiek 6.6 – Deelname aan v.o. van cohort 2005/06 in schooljaar 2008/09. Bron: DUO



    Tevens blijken meer jongens dan meisjes van cohort 2005/06 een lwoo-indicatie te krijgen en doubleren jongens bij elke overgang vaker dan meisjes. Ook zijn er sekse-verschillen in de doorstroom naar niveau: meer jongens dan meisjes stromen in de loop der tijd af naar een lager niveau, meer meisjes dan jongens juist op naar een hoger niveau. Vooral bij de eerste twee overgangen tussen schooljaren zijn hierin sekseverschillen zichtbaar. Het hele doorstroompatroon van de jongens en meisjes in de vier onderzochte schooljaren is grafisch weergegeven in Grafiek 6.7. Verticale pijlen die een stippellijn overschrijden duiden op een op- of afstroom over de grenzen van avo of vmbo heen (bijv. van havo naar vmbo). Verticale pijlen die binnen de stippellijn blijven, duiden op een op- of afstroom binnen avo of vmbo (bijv. van vwo naar havo).

    Grafiek 6.7 – Stromen in het v.o. van cohort 2005/06 in schooljaar 2008/09. Bron: DUO. Blauw= jongens, roze= meisjes. Rondje: voortijdig schoolverlaten



    De sekseverschillen in cohort 2005/06 zijn ook aanzienlijk als het gaat om de richtingkeuze (horizontale onderwijspositie). Met name in het vmbo is de sectorkeuze sterk seksebepaald; met name bij Techniek en Zorg en Welzijn. In havo en vwo zijn de sekseverschillen in profielkeuze de laatste jaren kleiner aan het worden (Grafiek 6.8).

    Grafiek 6.8 – Sector- en profielkeuze in het vo van cohort 2005/06 in schooljaar 2008/09. Bron: DUO. Blauw= jongens, roze= meisjes



    Tot slot stellen we vast dat het hele voorafgaande beeld van de sekseverschillen in v.o.-loopbanen grotendeels in gelijke mate ook van toepassing is binnen de onderscheiden sociaal-etnische categorieën in cohort 2005/06. Uitzonderingen hierop betreffen steeds de meest kansrijke groep: onder westerse leerlingen die niet wonen in een armoedeprobleemcumulatiegebied zijn de sekseverschillen soms wat groter dan daarbuiten.

    6.5 Oorzaken en interventies

    In dit rapport is tevens verslag gedaan van een internationale literatuurstudie naar de verklaringen voor de achterstand van jongens en naar mogelijke interventies om deze achterstand te bestrijden. Uit het verloop van het debat over de achterstand van jongens geschetst blijkt overigens dat hierover bepaald geen algehele consensus bestaat.

    De verklaringen zijn door ons beschreven naar analogie van het bekende nature-nurture (‘aangeboren-aangeleerd’) debat. Recentelijk is er veel literatuur verschenen over de biologische verschillen in hersenfunctie en –ontwikkeling tussen jongens en meisjes, die zouden leiden tot sekseverschillen in het onderwijs. Aanvullend hierop (soms ook in strijd hiermee) is echter ook veel onderzoek verschenen naar de invloed vanuit de omgeving (ouders, leeftijdsgenoten, school en docenten, maatschappelijke context) op het ontstaan van sekseverschillen in het onderwijs.

    De interventies die in de literatuur worden aangetroffen om de achterstand van jongens te bestrijden, komen veelal direct voort uit de verklaringen voor deze achterstand die de auteurs zelf als meest relevant beschouwen. In onze beschrijving hebben we drie typen interventies onderscheiden: pedagogisch-didactische maatregelen (bijv. het aanleren van onderwijsstrategieën aan docenten, gericht op de specifieke behoefte van jongens aan meer competitie, practicum en/of beweging), sociaal-culturele maatregelen (bijv. programma’s om het zelfbeeld van jongens te verhogen of hun anti-school-houding te keren) en organisatorische maatregelen (zoals seksegescheiden onderwijs of het aantrekken van meer mannelijke docenten).

    Om te voorkomen dat we hier sterk in herhaling vallen, verwijzen we voor meer informatie over het debat, de verklaringen en de interventies inzake de jongensachterstand naar het betreffende hoofdstuk.

    6.6 Conclusies

    In dit rapport is de onderwijspositie van jongens in vergelijking tot die van meisjes geïnventariseerd, zowel qua cognitieve competenties, niet-cognitieve competenties als schoolloopbanen en zowel in het primair onderwijs als in de eerste jaren van het voortgezet onderwijs in Nederland en enkele andere landen. Op grond hiervan trekken wij de volgende conclusies over het bestaan van een onderwijsachterstand van jongens.
    • In termen van cognitieve competenties is in Nederland er geen sprake van een systematische achterstand van jongens in vergelijking tot meisjes; noch in het primair onderwijs, noch in de eerste vier jaar van het voortgezet onderwijs. De geconstateerde sekseverschillen in prestaties zijn namelijk enerzijds vrij beperkt, anderzijds afwisselend in het voordeel van de meisjes (bij taal en lezen) of de jongens (bij rekenen/wiskunde).
    • De gevonden sekseverschillen in niet-cognitieve competenties zijn soms wel vrij aanzienlijk, en suggereren bovendien af en toe wel een ongunstigere onderwijspositie van jongens dan van meisjes. In het basisonderwijs worden jongens beduidend zwakker dan meisjes beoordeeld op werkhouding en sociaal gedrag; in groep 8 meer nog dan in groep 2. Onder zorgleerlingen en leerlingen van het speciaal onderwijs vertonen veel meer jongens dan meisjes gedrags- en concentratiestoornissen. Van andere geconstateerde sekseverschillen is minder duidelijk aan te geven wat het effect is op de onderwijspositie. Zo beschouwen jongens in het voortgezet onderwijs zichzelf als veel minder mild dan meisjes; zij gaan conflicten dan ook minder uit de weg. Ook zijn jongens naar eigen zeggen emotioneel stabieler en hebben zij meer zelfvertrouwen, ook in hun onderwijsmogelijkheden. Een mogelijk bruikbare interessante bevinding voor de onderwijspraktijk is dat jongens meer gemotiveerd raken door competitie, terwijl meisjes meer sociaal gemotiveerd zijn.
    • De gevonden sekseverschillen in schoolloopbanen zijn moeilijker te interpreteren dan de sekseverschillen in prestaties en niet-cognitieve competenties. We stellen echter vast dat de jongens in vrijwel alle onderzochte opzichten die mede bepalend zijn voor het uiteindelijke onderwijs(eind)niveau, een minder gunstige schoolloopbaan doorlopen dan meisjes. Om te beginnen neemt een veel groter aandeel van hen deel aan vormen van speciaal onderwijs. Daarnaast blijkt dat jongens in het voortgezet onderwijs vaker dan meisjes doubleren, vaker deelnemen aan de lagere onderwijsniveaus, vaker uitstromen als voortijdig schoolverlater en afstromen naar een lager niveau. Bij al deze aspecten van de vo-schoolloopbaan lopen de sekse-verschillen zelden op tot meer dan een paar procent, maar in absolute aantallen gaat het daarmee toch om duizenden leerlingen.
    • Het voorafgaande beeld geldt voor jongens en meisjes als totale groep, maar vrijwel steeds ook voor de afzonderlijk onderscheiden sociaal-etnische groepen. Met andere woorden: de gehanteerde gegevens wijzen niet op enige vorm van interactie tussen sociaal-etnisch milieu en sekse die ertoe zou leiden dat bepaalde groepen jongens in het Nederlandse onderwijs systematisch een grotere achterstand op de meisjes hebben dan andere.
    • De bovenbeschreven situatie heeft betrekking op de huidige stand van zaken; er zijn echter weinig aanwijzingen gevonden dat deze sterk verschilt van de situatie van vijf tot tien jaar geleden. Er is dus geen sprake van dat in de laatste jaren in Nederland grote veranderingen zijn opgetreden in de onderwijspositie van jongens in vergelijking tot die van meisjes.

    maandag, oktober 05, 2009

    388. Knelpunten van gescheiden ouders (Resultaten van een exploratief E-Quality onderzoek - Gescheiden ouders in de knel bij gezamenlijke zorg)

    Kanttekeningen bij dit E-Quality 'onderzoek'


    Over de steekproeftrekking door E-Quality


    In 2009 heeft E-Quality exploratief kwalitatief onderzoek gedaan naar de knelpunten voor ouders na een scheiding onder een selectieve steekproef van 175 zelf aangemelde ouders die gedurende de periode half maart t/m half april 2009 selectief geworven werden via websites als www.co-ouders.nl, www.oudersonline.nl, en www.ouderalleen.nl.

    Door gescheiden vaders bezochte websites, zoals deze website van het Vaderkenniscentrum en andere websites van gescheiden vaders, zijn daarbij door het feministische en op vrouwenbelangen geöriënteerde E-Quality juist zorgvuldig van de werving en steekproeftrekking voor dit en andere E-Quality-onderzoeken buiten gesloten, want met mannen en gescheiden vaders heeft het sterk sexe discriminerende E-Quality maar weinig op.

    Daarom is het interessant om ook te bezien wat E-Quality in haar onderhavig verslag juist niet vermeld, d.w.z. weg heeft gelaten. Wat dan onmiddelijk in het oog springt is dat E-Quality er in haar verslag van afziet om de voor elk onderzoek gangbare nadere beschrijving van haar (selectieve) steekproef te geven, behoudens de volgende aan het slot weggemoffelde kanttekening bij het eigen onderzoek:
    Op andere kenmerken vormen de 175 respondenten geen afspiegeling van de bevolking. Zo zijn zij overwegend autochtoon, hoog opgeleid en werkend. Voor deze inventarisatie van knelpunten is dat geen bezwaar, maar om te weten te komen welke problemen bij welke groepen spelen, zou nader onderzoek nodig zijn.
    Men kan er door de boven beschreven selectieve wijze van werving door E-Quality met buitensluiting van gescheiden vaders echter gevoeglijk van uitgaan dat vrouwen en moeders, en volgens bovenstaande kanttekening ook nog hoofdzakelijk hoog opgeleide blanke vrouwen en moeders, de hoofdmoot uitmaken van de steekproeftrekking door E-Quality voor dit onderzoek, terwijl mannen en vaders daarin óf sterk ondervertegenwoordigd zijn óf zelfs nagenoeg ontbreken. Dit laatste wordt echter door E-Quality ook in de weggemoffelde kanttekening aan het slot verzwegen. Door deze ernstige tekortkoming in de steekproeftrekking zelf niet als ernstig tekort te willen zien, maar mogelijk zelfs eerder als 'voordeel', geeft E-Quality er als 'onderzoeker' opnieuw blijk van haar eigen sexe-geborneerdheid en -discriminatie. Over de verdere kwaliteit van dit 'onderzoek' door E-Quality zijn daarmee verder helaas nog maar weinig illusies mogelijk.

    De geconstateerde vijf knelpunten door E-Quality


    De belangrijkste geconstateerde knelpunten voor 'scheidingsouders' uit deze E-Quality inventarisatie onder hoofdzakelijk hoog opgeleide blanke vrouwen en moeders zijn:
    1. In de Gemeentelijke Basis Administratie is het niet mogelijk om kinderen op meerdere adressen in te schrijven.
    2. Slechts één van beide ouders kan bij woningbouwverenigingen op basis van de GBA aanspraak maken op een gezinswoning c.q. een woning met voldoende kamers voor de kinderen.
    3. Er bestaat onwetendheid bij ouders over de mogelijkheid om de kinderbijslag door de Sociale Verzekeringsbank naar rato aan beide ouders uit te laten keren.
    4. Voor het toekennen en verdelen van toeslagen zijn ouders op elkaar aangewezen omdat de Belastingdienst het geld op basis van de GBA aan één ouder toekent.
    5. De communicatie en informatieverstrekking op scholen verloopt veelal via één ouder, waardoor de andere ouder belangrijke informatie mis kan lopen.

    De vier aanbevelingen van E-Quality


    Op grond van bovenstaande vijf knelpunten uit deze inventarisatie komt E-Quality dan tot de volgende vier beleidsaanbevelingen:

    1. De overheid kan een sturende rol op zich nemen om voorwaarden te creëren zodat bestaande knelpunten voor gescheiden ouders worden verminderd en/of weggenomen, en zodat administratieve systemen zoals de GBA meer in overeenstemming worden gebracht met de feitelijke leefsituatie van veel gezinnen. Het ministerie voor Jeugd en Gezin zou een coördinerende rol kunnen vervullen in de samenwerking tussen diverse ministeries, waaronder het ministerie van Binnenlandse Zaken (GBA) en het ministerie van Financiën (Belastingdienst).
    2. Het zou nuttig zijn als instanties voor zichzelf nagaan of de gemeentelijke administratie en/of het hoofdwoonadres wel het juiste criterium is om hun eigen beleid mee uit te voeren.
    3. Instanties kunnen actiever beleid voeren op het gebied van communicatie en informatieverstrekking aan gescheiden ouders.
    4. Scholen kunnen het administratief mogelijk maken om meerdere contactgegevens in te voeren bij één kind, en post en informatiebrieven in tweevoud meegeven aan kinderen met gescheiden ouders.

      Dat ook deze aanbevelingen een zeer hoog 'vrouwengehalte' hebben mag na al het voorgaande inmiddels boven alle twijfel verheven zijn.

      De aanbevelingen munten allen uit door grote vaagheid. En de laatste aanbeveling geeft bv. bovendien een non-oplossing voor het geconstateerde informatieprobleem vanuit de scholen omdat iedereen weet dat het juist de vaders zijn die door de moeders van de informatievoorziening vanuit de scholen worden buitengesloten. Door nu voor te stellen twee brieven met de kinderen "mee naar huis te geven", komen beide brieven nog steeds thuis bij moeders die de informatievoorziening naar vaders nog steeds kunnen en zullen blokkeren. Om dit probleem werkelijk op te lossen, zullen, wanneer er een scheiding aan de orde is, de informatiebrieven vanuit de school natuurlijk gewoon per post door de school direct aan beide ouders moeten worden toegezonden. Maar dat wil E-Quality niet. Men wil de informatiestroom vanuit de school kennelijk via de kinderen toch weer in handen van de moeders leggen om zo de huidige mogelijkheden tot blokkering en manipulatie van de informatiestroom uit de school voor moeders te kunnen behouden.

      Hieronder vindt u het volledige inventarisatieverslag van E-Quality.

      Peter Tromp
      Vaderkenniscentrum

      Gescheiden ouders in de knel bij gezamenlijke zorg

      Bron: E-Quality - September 2009

      Elk jaar zijn 50 tot 60 duizend kinderen betrokken bij de scheiding van hun ouders. Wanneer ouders na de scheiding gezamenlijk voor de kinderen blijven zorgen, moet er veel geregeld worden. Uit het onderzoek Nieuwe gezinnen van E-Quality, kenniscentrum voor emancipatie, gezin en diversiteit, blijkt dat ouders bij instanties soms tegen praktische problemen aanlopen doordat hun kind na de scheiding op meerdere adressen woont. Om meer zicht te krijgen op deze knelpunten heeft E-Quality een inventarisatie uitgevoerd onder gescheiden ouders. Hieruit blijkt dat ouders met name problemen ervaren op het gebied van huisvesting, financiën en onderwijs.

      Hoe ouders na de scheiding voor hun kinderen gaan zorgen, verschilt per gezin. De diversiteit aan gezinstypen is in Nederland dan ook groot. Uit het onderzoek ‘Nieuwe gezinnen. Scheidingen en de vorming van stiefgezinnen’ blijkt dat 92% van de kinderen contact heeft met beide ouders. Steeds meer ouders blijven na de scheiding samen voor hun kinderen zorgen. Co-ouderschap, waarbij beide ouders de kinderen voor ongeveer een gelijk deel verzorgen, is een stijgende trend. 15% van de kinderen woont na de scheiding van hun ouders daadwerkelijk in deze gezinsvorm (E-Quality, 2008).

      POLITIEKE BETROKKENHEID

      Ook de politiek stimuleert dat ouders gezamenlijk voor hun kinderen blijven zorgen. Om die gezamenlijke zorg van ouders te bevorderen heeft de Eerste Kamer november 2008 het wetsvoorstel ‘Bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding’ aangenomen. Deze wet legt niet alleen het recht op omgang vast, maar ook de plichten van (gehuwde) ouders. Als ouders die getrouwd zijn willen scheiden, moeten zij in hun verzoek aan de rechter een ouderschapsplan toevoegen. In dit plan staan onder meer de afspraken over de kinderalimentatie en over de verdeling van zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders.

      INVENTARISATIE

      Een groeiende groep kinderen woont na de scheiding feitelijk op verschillende adressen. Ze slapen meerdere nachten per week bij de ene ouder én een of meer nachten bij de andere ouder. Ouders krijgen op dat moment met verschillende instanties te maken, zoals woningbouwverenigingen, belastingdienst, zorgverzekeraars en scholen. Instanties gaan in hun beleid vaak (nog) niet uit van deze feitelijke situatie; ook in hun werkwijze of administratie gaan zij er vanuit dat een kind maar op één adres woont. Dit levert voor gescheiden ouders die samen voor hun kinderen blijven zorgen knelpunten op.

      In de inventarisatie stonden de volgende vragen centraal:
      • Welke knelpunten ervaren gescheiden ouders?
      • Bij welke instanties spelen deze knelpunten?
      • Hoe verloopt het contact met deze instanties?
      • Wat zijn mogelijke oplossingen voor de knelpunten?

      Op verschillende fora is een oproep geplaatst om de digitale vragenlijst in te vullen; hierop hebben zowel mannen als vrouwen gereageerd . De betreffende ouders zorgen daadwerkelijk samen met hun ex-partner voor de kinderen, maar zijn niet allemaal co-ouders.

      KNELPUNTEN IN BEELD

      Uit de inventarisatie blijkt dat er knelpunten spelen bij instanties op het gebied van huisvesting, financiën en onderwijs. Een overkoepelend knelpunt is dat ouders hun kinderen in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) niet op meerdere adressen kunnen inschrijven. Dit knelpunt lijkt ten grondslag te liggen aan andere problemen op het gebied van huisvesting en financiën.

      Inschrijven bij de gemeente

      Gescheiden ouders met kinderen die op meerdere adressen wonen, kunnen hun kinderen bij de gemeente niet op meerdere adressen inschrijven. Hierdoor komt de woonsituatie zoals die in de werkelijkheid is niet overeen met de situatie van die gezinnen in de GBA. Ouders ervaren het als vervelend dat zij hun kinderen niet op beide adressen in kunnen schrijven. Omdat veel instanties de GBA als criterium voor hun eigen regels hanteren, werkt dit knelpunt door op andere gebieden, zoals huisvesting en financiën.

      Knelpunt 1:

      In de Gemeentelijke Basis Administratie is het niet mogelijk om kinderen op meerdere adressen in te schrijven.

      Huisvesting

      Ouders ervaren knelpunten op het gebied van huisvesting bij woningbouwverenigingen. Het aantal kamers waar ouders recht op hebben bij de toewijzing van huurwoningen geschiedt op basis van de GBA. Slechts één ouder heeft dus recht op een kamer voor het kind, terwijl het kind op meerdere adressen woont. De andere ouder kan niet via de woningbouwvereniging aan een huis komen waarin het kind ook een eigen kamer heeft.

      Wanneer ouders contact opnemen met een woningbouwvereniging verloopt dit volgens de ouders moeizaam. Zij ervaren de woningbouwvereniging als niet coöperatief en vinden de instantie niet makkelijk benaderbaar. Woningbouwverenigingen zijn echter aan regels gebonden, en zij geven aan dat zij hierop geen uitzonderingen kunnen maken. “Sommige instanties reageren ronduit bot”, aldus een ouder, door te zeggen dat een kind niet in elk huis een eigen kamer nodig heeft.

      De problemen worden dan ook veelal niet in samenwerking met de woningbouwvereniging opgelost. In enkele gevallen proberen ouders zelf een oplossing te zoeken door kinderen tijdelijk over te schrijven naar het andere adres wanneer één van de ouders direct na de scheiding op zoek moet naar een woning. In andere gevallen worden kinderen verdeeld over de verschillende adressen ingeschreven. Deze mogelijkheid gaat echter niet op wanneer ouders samen voor één kind zorgen. Bovendien geeft het wellicht wel recht op een gezinswoning, maar niet altijd op het gewenste aantal kamers (er lijkt dan bijvoorbeeld slechts één kind bij elke ouder te wonen, terwijl er in feite twee kinderen zijn die een deel van de tijd bij de ene ouder zijn en een deel van de tijd bij de andere).

      Knelpunt 2:

      Slechts één van beide ouders kan bij woningbouwverengingen op basis van de GBA aanspraak maken op een gezinswoning c.q. een woning met voldoende kamers voor de kinderen.

      Financiën

      Op het gebied van financiën ervaren ouders knelpunten bij de Belastingdienst en de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Volgens sommige ouders keert de SVB aan slechts één ouder de kinderbijslag uit. Volgens informatie van de SVB is dit onjuist: wanneer een kind om beurten bij elk van de ouders woont, verdeelt de SVB de kinderbijslag tussen de beide ouders. Hoeveel kinderbijslag beide ouders krijgen, bepaalt de SVB door te kijken naar de rechterlijke uitspraak, het ouderschapsplan of de schriftelijke overeenkomst tussen de ouders. Als er niets is afgesproken, dan betaalt de SVB aan beide ouders de helft van de kinderbijslag. Niet alle ouders die samen voor hun kinderen zorgen, zijn op de hoogte van deze mogelijkheid om de kinderbijslag aan twee ouders te laten uitkeren.

      Knelpunt 3:

      Er bestaat onwetendheid bij ouders over de mogelijkheid om de kinderbijslag door de Sociale Verzekeringsbank naar rato aan beide ouders uit te laten keren.

      Bij de Belastingdienst kunnen ouders niet aangeven dat zij gezamenlijk voor hun kinderen zorgen en hier ook allebei de financiële lasten voor dragen. Bij deze instantie geldt de GBA wel als criterium waarop toeslagen en/of de kortingen worden toegekend aan de ouders (met uitzondering van de combinatiekorting). Hierdoor moeten ouders onderling afspraken maken over de verdeling van dit geld. De ouder die de toeslag ontvangt, moet een deel van het geld doorspelen naar de andere ouder. Ouders blijven op deze manier afhankelijk van de goodwill van de ander. Zolang de ouders hier redelijkerwijs met elkaar over kunnen praten, hoeft dit geen probleem te zijn. Zoals een ouder terecht opmerkt, wordt het doorspelen van geld lastig wanneer de relatie tussen de gescheiden ouders problematisch is. Daarnaast is er bij ouders onduidelijkheid over de toepassing van belastingregels op situaties waarin ouders gezamenlijk voor hun kinderen blijven zorgen. Zo bestaat er onduidelijkheid over welke ouder het spaargeld van het kind moet opgeven en welke aftrekposten opgegeven kunnen worden voor belastingaangiftes.

      Een deel van de ouders vindt dat het contact met de Belastingdienst stroef verloopt. Net als de woningbouwverenigingen verwijst de Belastingdienst naar de geldende regels en geeft zij aan dat ze hier niets aan kan veranderen. Uit de inventarisatie blijkt dat ouders daarom op zoek gaan naar mogelijkheden om als co-ouders een voordelige belastingaangifte te doen. Ouders schrijven bij de gemeente de kinderen verdeeld over de woonadressen in om op deze manier toch recht te hebben op bepaalde belastingregelingen. Ook het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) geeft deze tip om de kans te vergroten dat ouders in aanmerking komen voor sommige regelingen. Wanneer ouders één kind hebben wordt de tip gegeven om het kind in te schrijven op het adres van de ouder met het laagste inkomen. Dit zou de kans om in aanmerkingen te komen voor belastingregelingen vergroten.

      Knelpunt 4:

      Voor het toekennen en verdelen van toeslagen zijn ouders op elkaar aangewezen omdat de Belastingdienst het geld op basis van de GBA aan één ouder toekent.

      Onderwijs

      Gescheiden ouders ervaren op het gebied van onderwijs een gebrekkige communicatie en informatieverstrekking op basisscholen en in het voortgezet onderwijs. Volgens de ouders verloopt de informatievoorziening vanuit de scholen naar één ouder, namelijk de ouder waarbij het kind in het schoolsysteem ingeschreven staat.

      Hierdoor loopt de ouder van wie de contactgegevens niet in het schoolssysteem staan informatie mis. Problemen die genoemd worden zijn:
      • geen informatie ontvangen over de school (zoals schoolkrant);
      • geen informatie krijgen over extra vrije dagen, ouderavonden;
      • geen rapporten te zien krijgen;
      • inlogcodes voor de schoolsite slechts éénmaal vertrekt (voor toegang tot schoolinformatie);
      • niet uitgenodigd worden voor ouderavonden;
      • bij calamiteiten wordt standaard één ouder gebeld, terwijl op dat moment mogelijk de andere ouder zorgt.

      Het contact dat de ouders hierover hebben met de scholen verloopt heel wisselend. Sommige scholen zijn welwillend, hebben begrip voor de situatie en maken aanpassingen in hun systeem om in het vervolg beide ouders te kunnen informeren. Er zijn ook scholen die minder positief reageren en aangeven dat de informatieverstrekking via het hoofdadres van het kind gaat of dat het opnemen van meerdere adressen binnen het administratiesysteem niet kan. Wat in de meeste gevallen wel duidelijk wordt, is dat de school een actieve houding van de ouder verwacht. De verantwoordelijkheid om op de hoogte te zijn van de schoolgang van hun kind ligt bij de ouders zelf.

      Knelpunt 5:

      De communicatie en informatieverstrekking op scholen verloopt veelal via één ouder, waardoor de andere ouder belangrijke informatie mis kan lopen.

      ALGEMENE CONCLUSIES

      Uit de inventarisatie blijkt dat in veel gevallen instanties nog niet ingespeeld zijn op co-ouderschap als gezinstype (of andere variaties van gedeeld ouderschap na scheiding). Bij gemeentes is het gewoonweg niet mogelijk om een kind op meerdere adressen in te schrijven. Dit levert knelpunten op bij woningbouwverenigingen en de Belastingdienst, omdat zij woningen en toeslagen toekennen op basis van de Gemeentelijke Basisadministratie. Dat ouders hun kind niet op meerdere adressen in kunnen schrijven ligt daarmee dus aan de basis van meerdere knelpunten.

      Ook scholen houden niet zonder meer rekening met een tweede woonadres in hun eigen administratiesystemen. Scholen zouden meer rekening kunnen houden met de veranderende thuissituatie van kinderen door meerdere contactgegevens in hun administratie op te nemen, post en informatiebrieven in tweevoud aan kinderen met gescheiden ouders mee te geven.

      De registratie en administratie van woonadressen komt voor een groeiende groep kinderen niet meer overeen met de daadwerkelijke situatie. Het is aan te bevelen dat instanties nagaan of de GBA en/of het woonadres het juiste criterium voor de uitvoering van het eigen beleid is. Zoals de SVB laat zien zijn er ook andere criteria te bedenken waar instanties mee kunnen werken (zoals rechterlijke macht, ouderschapsplan of een schriftelijke overeenkomst tussen beide ouders).

      Niet alleen komt de administratieve situatie veelal niet overeen met de feitelijke situatie, maar ook vormt dit een belemmering voor ouders die na scheiding hun kinderen gezamenlijk willen blijven opvoeden. Zoals vermeld wil de overheid de gezamenlijke zorg voor kinderen door gescheiden ouders bevorderen. Om dit proces te ondersteunen zou de overheid de instanties moeten aansporen om in hun administratie en regelgeving rekening te houden met nieuwe vormen van ouderschap, zoals co-ouderschap of andere variaties waarbij kinderen niet fulltime bij één van de ouders wonen. Wanneer ouders besluiten om de zorg- en opvoedtaken samen op zich te nemen moeten daar wel voldoende mogelijkheden voor zijn. De overheid zou hierin een sturende rol kunnen vervullen en voorwaarden kunnen creëren om co-ouderschap of andere vormen van gedeeld ouderschap voor gescheiden ouders beter mogelijk te maken.

      AANBEVELINGEN

      • De overheid kan een sturende rol op zich nemen om voorwaarden te creëren zodat bestaande knelpunten voor gescheiden ouders worden verminderd en/of weggenomen, en zodat administratieve systemen zoals de GBA meer in overeenstemming worden gebracht met de feitelijke leefsituatie van veel gezinnen. Het ministerie voor Jeugd en Gezin zou een coördinerende rol kunnen vervullen in de samenwerking tussen diverse ministeries, waaronder het ministerie van Binnenlandse Zaken (GBA) en het ministerie van Financiën (Belastingdienst).
      • Het zou nuttig zijn als instanties voor zichzelf nagaan of de gemeentelijke administratie en/of het hoofdwoonadres wel het juiste criterium is om hun eigen beleid mee uit te voeren.
      • Instanties kunnen actiever beleid voeren op het gebied van communicatie en informatieverstrekking aan gescheiden ouders.
      • Scholen kunnen het administratief mogelijk maken om meerdere contactgegevens in te voeren bij één kind, en post en informatiebrieven in tweevoud meegeven aan kinderen met gescheiden ouders.

      BRON

      Clement, C., Van Egten, C. & De Hoog, S. (2008). Nieuwe gezinnen. Scheidingen en de vorming van stiefgezinnen. Den Haag: E-Quality.

      VOETNOTEN

      1. www.oudersonline.nl, www.ikvader.nl, www.co-ouders.nl, www.ouderalleen.nl (periode: half maart t/m half april 2009).
      2. Op andere kenmerken vormen de 175 respondenten geen afspiegeling van de bevolking. Zo zijn zij overwegend autochtoon, hoog opgeleid en werkend. Voor deze inventarisatie van knelpunten is dat geen bezwaar, maar om te weten te komen welke problemen bij welke groepen spelen, zou nader onderzoek nodig zijn.