Posts tonen met het label Universiteit van Amsterdam. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Universiteit van Amsterdam. Alle posts tonen

woensdag, mei 23, 2012

680. Uitnodiging tot aanmelding voor het symposium 'Betrokken vaders, gedeeld ouderschap' :: Amsterdam, vrijdag 15 juni 2012, 10:00 - 16:30 uur

Datum: Vrijdag 15 juni (10.00 - 16.30 uur)
Locatie: P.C. Hoofthuis van de Universiteit van Amsterdam, Spuistraat 134, 1012 VB Amsterdam (Zaal 104)


Organisatie: Vader Kennis Centrum i.s.m. Universiteit van Amsterdam
Mogelijk gemaakt door: Bernard van Leer Foundation

Programma symposium 'Betrokken vaders, gedeeld ouderschap'
Dagvoorzitter: Louis Tavecchio (em. hoogleraar pedagogiek)
-----------------------------
Vanaf 10.00 uur: Zaal open: Ontvangst en inschrijving, koffie, thee
-----------------------------
10.30 uur: Opening door dagvoorzitter Louis Tavecchio

10.35 - 11.15: “Opvoedingsondersteuning voor vaders van nu”
Saskia de Hoog, sociaal-psycholoog en onderzoeker bij E-Quality, kenniscentrum voor emancipatie, gezin en diversiteit

11.15 - 11.55: “Vader zijn na echtscheiding”
Kim Bastaits, wetenschappelijk medewerker Universiteit Antwerpen onderzoeksgroep CELLO - Studiedienst van de Vlaamse Regering

11.55 - 12.35: “Aanpakken voor aanstaande vaders: een zwangerschapscursus voor mannen”
David Borman, verloskundige, trainer en vader
-----------------------------
12.35 - 13.30: Lunchpauze (Lunch tegen kostprijs verkrijgbaar)
-----------------------------
13.30 - 14.10: “Vaders in perspectief: kwalitatief onderzoek naar de ervaringen van vaders over het verlies van vaderschap en welke rol de hulpverlening hierin speelt”
Mike Barendse, Myrte van der Heijden, Patricia van Reede en Didy Padberg, studenten van de Hogeschool van Amsterdam, opleiding Maatschappelijk Werk & Dienstverlening

14.10 – 14.50: Verdeling van de zorg – en opvoedingstaken in de praktijk: een kwalitatief onderzoek onder uitwonende ouders bij scheiding"
Paulina Kruimer, Ellen Dijkmeijer-Blom en Tom Grims, studenten van de Hogeschool van Amsterdam, opleiding HBO-Rechten

14.50 - 15.30: "Sterke vaders, hoe overleef ik het vaderschap"
Lars Anderson, journalist en schrijver

15.30 - 16.30: Bekendmaking winnaar Vaderdagtrofee m/v 2012
Presentatie juryrapporten voor de drie genomineerden door de jury en bekendmaking van de eindwinnaar van de Vaderdagtrofee 2012 door juryvoorzitter em. prof. dr. Louis Tavecchio

De drie genomineerden voor de Vaderdagtrofee 2012 zijn:

* Wensly Francisco, journalist en programmamaker van de NTR-serie ‘Zonen zonder vaders’, een viertal documentaires over de pijn van zonen die zonder vader opgroeiden. Wat betekent dit gemis in hun leven? Waarom koos vader er voor om niet voor zijn zoon te zorgen?

* Jamila Achahchah, coördinator van het landelijk netwerk vader- en moedercentra bij Movisie, voor de ondersteuning en begeleiding van de oprichting van tien lokale vadercentra voor vooral allochtone vaders

* Perihan Utlu, initiatiefneemster bij Vizyon van twee pilots met het Vader-zoon project SUPER! voor jongens uit groep 7/8 van de basisschool en hun vaders om met elkaar leuke dingen te doen en daardoor (nog) beter met elkaar om te leren gaan

16.30: Afsluiting door de dagvoorzitter
-----------------------------
Vanaf 16.30: Naborrel en hapjes
-----------------------------

Aanmelding:
Tevoren aanmelden voor het symposium is noodzakelijk in verband met de beperkte capaciteit van de zaal.
Nadere inlichtingen:
Voor meer informatie over het symposium vaderschap 2012 en de uitreiking van de Vaderdagtrofee 2012 kunt u contact opnemen met Peter Tromp, voorzitter van het Vader Kennis Centrum (VKC)

Peter Tromp:
T. (030) 238 3636
M. (06) 245 06 249
E. voorzitter{at}vaderkenniscentrum.nl

Meer informatie over het Symposium Vaderschap en de Vaderdagtrofee m/v 2012 is terug te vinden op Vaderdagtrofee.nl

woensdag, maart 14, 2012

Onderzoeksoproep aan vaders van 10-14 maanden oude baby's en peuters - De rol van vaders en moeders in de ontwikkeling van angst en zelfvertrouwen bij baby's

De rol van vaders en moeders in de ontwikkeling van angst en zelfvertrouwen bij baby's

Jonge kinderen worden met veel nieuwe en onbekende situaties geconfronteerd. Denk bijvoorbeeld aan het ontmoeten van onbekenden of voor het eerst naar de crèche gaan. Kinderen tussen de tien en veertien maanden oud beginnen te kijken naar de reacties van anderen om te bepalen hoe zij zich in dit soort situaties moeten gedragen. Dit gedrag wordt ook wel ‘vraagkijken’ genoemd. Wanneer de ouder in een nieuwe of onbekende situatie zelfvertrouwen uitstraalt, zal de kans groter zijn dat het kind dit vertrouwen overneemt. Zo is in eerder onderzoek bijvoorbeeld gevonden dat baby’s zelfverzekerder reageren op een onbekend persoon als ze hun moeder vlak daarvoor zelfverzekerd hebben zien reageren op de onbekende dan wanneer ze hebben gezien dat hun moeder zich onzeker gedroeg.

Het meeste onderzoek naar vraagkijken is gedaan met moeders. Omdat vaders een steeds grotere rol zijn gaan spelen in de opvoeding van hun kinderen, is het belangrijk om ook te onderzoeken hoe het vraagkijken tussen baby’s en hun vaders verloopt in een onbekende situatie. Gaat dit precies hetzelfde als tussen moeders en hun baby’s?

Bij het instituut Child Development and Education van de Universiteit van Amsterdam is daarom een onderzoek gestart naar de ontwikkeling van angst en zelfvertrouwen bij baby’s en wat de mogelijke rol van vaders en moeders daarin is. Het onderzoek wordt uitgevoerd door promovenda Eline Möller onder begeleiding van prof. dr. Susan Bögels en dr. Mirjana Majdandzic. Voor dit onderzoek zijn wij op zoek naar kinderen die in de periode maart 2012 tot september 2012 tussen de 10 en 14 maanden oud zijn en hun beide ouders. We zijn specifiek op zoek naar kinderen die al wel kunnen kruipen maar nog niet kunnen lopen.

Hebt u interesse om met uw baby mee te doen aan het onderzoek of wilt u meer informatie over het onderzoek? Neemt u dan contact op met Eline Möller via (e-mail) of door te bellen naar 020 – 525 12 59.

De informatiebrochure van het onderzoek is hier te vinden !

woensdag, oktober 12, 2011

“Vaderinclusief beleid begint al tijdens de zwangerschap” (Lezing van Louis Tavecchio, em. hoogleraar pedagogiek UvA, tijdens het Vaderschapsymposium op 17 juni 2011)

Video (deel 1) van de lezing door Louis Tavecchio op het Vaderschapsymposium 2011:


Video (deel 2) van de lezing door Louis Tavecchio op het Vaderschapsymposium 2011:


Hieronder vindt u verder ook de powerpointpresentatie met de sheets bij de lezing "Vaderinclusief beleid begint al tijdens de zwangerschap" uitgesproken door Louis Tavecchio, emeritus hoogleraar pedagogiek, tijdens het Symposium Vaderschap op 17 juni 2011 van Vader Kennis Centrum, Universiteit van Amsterdam en IkVader aan de Universiteit van Amsterdam.

© L.W.C. Tavecchio, Universiteit van Amsterdam, Vader Kennis Centrum, Symposium Vaderschap, 17 juni 2011
---

Sheet 1 - Klik op de afbeelding voor grotere weergave.

Sheet 2 - Klik op de afbeelding voor grotere weergave.

Sheet 3 - Klik op de afbeelding voor grotere weergave.

Sheet 4 - Klik op de afbeelding voor grotere weergave.

Sheet 5 - Klik op de afbeelding voor grotere weergave.

Sheet 6 - Klik op de afbeelding voor grotere weergave.

Sheet 7 - Klik op de afbeelding voor grotere weergave.

Sheet 8 - Klik op de afbeelding voor grotere weergave.

Sheet 9 - Klik op de afbeelding voor grotere weergave.

Sheet 10 - Klik op de afbeelding voor grotere weergave.
http://www.fira.ca

Sheet 11 - Klik op de afbeelding voor grotere weergave.

vrijdag, juni 18, 2010

520. Radio 1 - Dit is de dag - Vaderdagtrofee 2010 - Peter Tromp over betekenis vader in het gezin

Bron: Radio 1 - EO - Dit Is De Dag (ma. t/m vr. 10.30 tot 12.00 uur) – Vrijdag 18 juni 2010

Uit onderzoek bleek deze week dat 6 op de 10 vaders tevreden zijn over de tijd die ze doorbrengen met hun kinderen. Toch vindt Peter Tromp van het Vaderkenniscentrum dat vaders nog veel te weinig positieve aandacht krijgen. Daarom organiseert hij op de vrijdag voor Vaderdag een vaderschapssymposium, waar ook de Vaderdagtrofee uitgereikt zal worden. Een van de genomineerden daarvoor is Wouter Bos. Peter Tromp vertelt meer over dit initiatief.

Gemiddelde waardering: 5,0 van 5,0 sterren

Beluister het gesprek met Peter Tromp

vrijdag, mei 21, 2010

500. Aankondiging 18 juni a.s. : Uitreiking Vaderdagtrofee m/v 2010 en Vaderschapssymposium

Universiteit van Amsterdam, Vader Kennis Centrum en IkVader.nl houden jaarlijkse Vadertop

Vrijdag 18 juni 2010; 12:00 - 18:00 uur

Hoe belangrijk zijn vaders voor kinderen? Wat is hun (gewenste) rol en positie? Die vragen staan centraal tijdens het jaarlijkse symposium over vaderschap op vrijdag 18 juni 2010, dat op initiatief van Vader Kennis Centrum wordt georganiseerd door de Universiteit van Amsterdam, het Vader Kennis Centrum en IkVader.nl. Wetenschappers, vaders en andere betrokkenen geven hun visie op het vaderschap. Aan het eind van de dag vindt voor de vierde maal de uitreiking plaats van de Vaderdagtrofee m/v 2010.

Aanleiding voor het inmiddels jaarlijkse vaderschapssymposium, waarbij topwetenschappers hun visie geven op het vaderschap, is het fenomeen vaderdag.

De Vaderdagtrofee m/v, die aan het eind van het symposium wordt uitgereikt, is een initiatief van het Vader Kennis Centrum georganiseerd in samenwerking met IkVader.nl en de Universiteit van Amsterdam. De trofee wordt uitgereikt aan een persoon of organisatie die zich het afgelopen jaar het meest heeft ingespannen voor kinderen en hun vaders. De trofee werd eerder gewonnen door de SP-Tweede-Kamerfractie (2007), oud-luchtmachtpiloot en vader Jan Steen (2008) en vader Peter Brons en de politie Friesland (2009).

Dit jaar zijn de vier genomineerden voor de trofee: Europoliticus Marije Cornelissen van GroenLinks en the Greens in het Europees Parlement voor het initiatief tot twee weken betaald Europees vaderschapsverlof; oud-politicus Wouter Bos voor zijn spraakmakende keuze voor zijn gezin; kinderpsychiater Glenn Helberg (OCaN) en vader en muzikant Orville Breeveld (Vitamine V) voor hun initiatief voor Caribische vaders; en publiciste en concept- en projectontwikkelaar Charlotte Lemmens voor haar pleidooi voor gelijke rechten voor (gescheiden) vaders.

Voor informatie en de juryrapporten over deze vier genomineerden verwijzen we naar de website van de Vaderdagtrofee m/v 2010 op vaderdagtrofee.blogspot.com

Vaderschapssymposium: "Betrokken vaderschap: Meerwaarde voor de ontwikkeling van het kind"

Tijdstip: Vrijdag 18 juni (12.00 - 18.00 uur), Dagvoorzitter: Howard Komproe (vader en stand-up comedian); Locatie: Universiteit van Amsterdam, Roetersstraat 15, Amsterdam, gebouw A, Zaal A (AB40).

Programma (zaal open vanaf 12.00 uur)

12.00 - 12.30 uur: Zaal open: Inloop en inschrijving, koffie, thee
(Guido Schaake, vader en performer: Muzikale bijdrage)

12.30 uur: Opening door dagvoorzitter Howard Komproe - Introductie: Inhoud, doel en betekenis van programma

12.35 - 12.50: Prof. dr. Louis Tavecchio, bijzonder hoogleraar Pedagogiek, UvA - Rol en pedagogische betekenis van vaders

12.50 - 13.05: Sophie Borghouts, pedagoge - Vaders en Spel: Een unieke en betekenisvolle bijdrage aan de ontwikkeling

13.05 - 13.30: Prof. dr. Vincent Icke, hoogleraar theoretische astrofysica (UvL), bijzonder hoogleraar kosmologie (UvA) en beeldend kunstenaar  - Christiaan Huygens, beroemd zoon van een alleenstaande vader (met korte uitloop voor vragen)

13.35 - 13.45: Guido Schaake, vader en performer: Muzikaal intermezzo

13.45 - 14.10: Prof. dr. Ger Groot, bijzonder hoogleraar Filosofie en Literatuur, Radboud Universiteit: 'En de rest is flauwekul …: Column over de noodzaak van het vaderschap.’

14.10 - 14.30: Joep Zander, pedagoog en beeldend kunstenaar - Herstelmogelijkheden voor ouder-kindrelaties na ouderverstoting

14.30 - 14.40: Guido Schaake, vader en performer: Muzikale bijdrage

14.40 - 15.00: Koffiepauze

15.00 - 15.25: Dr. Renske Keizer, onderzoeker Sociologie, EUR Rotterdam - Papa's leven langer. De relatie tussen kindertal en sterftekansen

15.25 - 15.40: Henk Hanssen, hoofdredacteur IkVader.nl: Zijn vaders slappe zakken ? Vaderschap in het jaar 2009-2010

15.40 - 16.00: Drs. Peter Tromp, pedagoog en coördinator Vader Kennis Centrum - Hoe zit het met gelijkwaardig ouderschap? De positie van (gescheiden) vaders in wet- en regelgeving

16.00 - 16.50: Bekendmaking winnaar Vaderdagtrofee m/v 2010:
Presentatie juryrapporten voor de genomineerden door de jury en de bekendmaking van de winnaar van de trofee in 2010 door juryvoorzitter prof. dr. Louis Tavecchio

16.50 - 17.00: Afsluiting door Howard Komproe (dagvoorzitter)

Vanaf 17.00: Muzikale uitluiding (Guido Schaake, vader en performer), borrelen hapjes

Aanmelding

Aanmeldformulier: Symposium over vaderschap

Contact

  • Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Peter Tromp van het Vader Kennis Centrum: T. (030) 238 3636, M. (06) 2450 6249 of E. vaderkenniscentrum @ gmail . com
  • Ook kunt u zich wenden tot de afdeling Communicatie van de Faculteit voor Maatschappij- en Gedragswetenschappen (FMG) van de Universiteit van Amsterdam: T. (020) 525 4865 of E. communicatie-fmg @ uva . nl

Locatie

Roeterseiland - Gebouw A
Roetersstraat 15
1018 WB Amsterdam
Zaal/kamer: Zaal A

Deelname

Het symposium is bedoeld voor wetenschappers, vaders, beleidsmakers en andere geïnteresseerden. Deelname is kosteloos, maar vanwege het beperkte aantal plaatsen wordt u verzocht om zich aan te melden door middel van het electronische aanmeldformulier.

donderdag, maart 11, 2010

450. Oproep gesloten: Gescheiden vaders voor onderzoek (Opvoedpoli van de Universiteit van Amsterdam)

Inschrijving gesloten

Inmiddels is de inschrijving voor onderstaand onderzoek naar 'Gescheiden vaders en de behoefte aan (opvoedings-)ondersteuning' gesloten. Zie het bericht hieronder van onderzoekster Suzan van Dijk:

Begin maart heeft Vaderkenniscentrum een oproep tot deelname aan het onderzoek naar 'Gescheiden vaders en de behoefte aan (opvoedings-)ondersteuning' geplaatst. Hier ben ik erg dankbaar voor aangezien ik hele goede reacties van zo'n 20 vaders heb mogen ontvangen.Ik heb nu in totaal genoeg vragenlijsten om te beginnen met het analyseren van de data. U kunt de oproep van uw website verwijderen. Eind juni 2010 zal ik mijn scriptie afronden en het Vaderkenniscentrum (en alle vaders die hebben deelgenomen) een digitale versie toesturen. Nogmaals hartelijk dank en met vriendelijke groet,

Suzan van Dijk
Onderzoekster
Universiteit van Amsterdam

Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen
Onderwijsinstituut voor Pedagogische- en Onderwijskundige Wetenschappen

Gescheiden vaders in de schijnwerpers !
Onderzoek naar gescheiden vaders en de behoefte aan (opvoedings-)ondersteuning

Vaders spelen een uitermate belangrijke rol binnen de opvoeding. Ook vaders kunnen behoefte hebben aan ondersteuning bij de opvoeding, voor henzelf of voor de situatie waarin zij opvoeden. Dit onderzoek wordt uitgevoerd vanuit de Universiteit van Amsterdam, in opdracht van de Opvoedpoli.

Klik op de afbeelding voor vergrote weergave !

Doel van het onderzoek

Het doel van het onderzoek is om na te gaan of gescheiden vaders behoefte hebben aan (opvoedings-)ondersteuning.

Onderzoeksgroep vaders met een kind tussen de 0-12 jaar oud
  • Gescheiden vaders
  • Vaders die in scheiding liggen
  • Vaders die een samenlevingscontract hebben verbroken
  • Vaders die ongehuwd hebben samengewoond

maandag, maart 01, 2010

446. De rol van vaders bij de angstontwikkeling van kinderen

Flying Elliott! on Flickr - Photo Sharing!

Susan Bögels, hoogleraar Orthopedagogiek aan de Universiteit van Amsterdam en directeur van het Academisch Behandelcentrum voor Ouder en Kind, denkt dat de vader een cruciale rol speelt bij de angstontwikkeling van kinderen en zij doet daar ook grootschalig onderzoek naar.

Dit zou grote implicaties kunnen hebben.

Susan Bögels zegt daar zelf over:

‘Op dit moment is de kinderwereld heel erg vervrouwelijkt. De thuissituatie, de kinderopvang, het onderwijs: kinderen worden vooral door vrouwen opgevoed. Als mijn theorie klopt, zouden we daar nog eens goed naar moeten kijken. Dan moeten we ervoor zorgen dat vaders - of andere mannelijke rolmodellen - beter zichtbaar worden. En bij de behandeling van overmatige angst en angststoornissen van kinderen zou het betrekken van de vader bij de therapie een voorwaarde moeten zijn.'
Een toegevoegde implicatie kan verder zijn dat de huidige gang van zaken in het familierecht na scheiding, waar vaders juist op afstand van hun kinderen gezet en gemarginaliseerd worden, eveneens heroverweging behoeft.

Peter Tromp
Vaderkenniscentrum


Zie verder ook:

zondag, februari 21, 2010

433. Susan Bögels - Do fathers know best? Bange vaders, bange kinderen?

Bron: Universiteit van Amsterdam - Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen - Auteur: Esther van Bochove, afdeling Communicatie FMG - 15 februari 2010

Susan Bögels ontvangt Vici-subsidie voor uniek onderzoek naar de rol van de vader bij angstontwikkeling van kinderen

Susan Bögels: 'Kinderen wenden zich bij het inschatten van externe risico's mogelijk instinctief eerder tot de vader' (Foto: Aleid Denier van der Gon)

Baby's worden geboren met instinctieve angsten die hen beschermen tegen gevaar. Overmatige angst kan echter schadelijk zijn voor hun ontwikkeling. Hoogleraar Orthopedagogiek Susan Bögels denkt dat de vader een cruciale rol speelt bij de angstontwikkeling van kinderen. Zij ontving een Vici-subsidie van € 1,5 miljoen voor haar onderzoek Do fathers know best?

Moet ik bang zijn voor die hond? Is het wel veilig om op deze stoel te klimmen? Kinderen schatten risico's al vanaf hun babytijd in door te kijken naar de reactie van de ouders. Dit proces heet social referencing. Afhankelijk van de signalen die de ouders afgeven (aanmoedigend of juist angstig en afwerend) besluit het kind om bepaalde dingen wel of niet te doen. Ook leren ze welke zaken of situaties gevaarlijk zijn.

De specifieke rol van de vader in dit proces is vrijwel nooit onderzocht, terwijl deze mogelijk wel cruciaal is, denkt hoogleraar Orthopedagogiek Susan Bögels. ‘Het is bekend dat het brein in een aantal opzichten evolutionair reageert. Vanaf de oertijd zijn vrouwen meer bedreven in het verzorgen, voeden troosten et cetera, en mannen hebben meer expertise op het gebied van de externe omgeving (gevaarlijke dieren, vreemdelingen verjagen, nieuwe gebieden ontdekken). Dit gegeven zou er volgens mijn theorie voor kunnen zorgen dat kinderen bij het inschatten van extern gevaar eerder vertrouwen op hun vader dan op hun moeder.'

Moeders die zorgen, vaders die jagen... Dat klinkt allemaal vrij rolbevestigend en weinig feministisch.

‘Gelukkig ben ik zelf feminist, dus ik mag het zeggen.' (lacht). ‘Ik zeg ook zeker niet dat mannen écht meer weten over de externe omgeving, maar een feit is wel dat zij op dat gebied een evolutionair voordeel hebben ten opzichte van vrouwen. En nog veel belangrijker: kinderen wenden zich bij het inschatten van externe risico's mogelijk instinctief eerder tot de vader. Wij willen onderzoeken of dat werkelijk zo is. En àls het echt zo is, dan betekent dat dat vaders een cruciale rol spelen in zowel het voorkómen van overmatige angst als in het ontstaan ervan. De vader wordt immers gezien als de expert op het gebied van extern gevaar, dus zijn angst wordt door het kind gemakkelijker overgenomen.'

Uit uw literatuuronderzoek blijkt ook dat de vader een belangrijke rol speelt wat betreft de invloed op angst bij kinderen.

‘Dat klopt, en wat verder bleek, is dat er vooral weinig onderzoek is gedaan naar de specifieke rol van de vader op de ontwikkeling van kinderen. De onderzoeken die er zijn, richten zich meestal op de typische moederrol, zoals sensitiviteit of het begrijpen van brabbeltaal. Zaken waar vrouwen over het algemeen beter in zijn. Misschien heeft juist het niet begrijpen van die brabbeltaal door de vader wel een functie. Die specifieke vaderrol is altijd onderbelicht gebleven.'

Wat is daar de oorzaak van?

‘Moeders hebben altijd het grootste deel van de opvoedingstaak op zich genomen, en dus wordt hun rol belangrijker geacht.'

Het onderzoek bestaat voor een belangrijk deel uit experimenten. Hoe zien deze eruit?
‘In de experimenten nemen we zowel de vader als de moeder mee, aangezien we een goede, vergelijkende studie willen doen. We testen bovendien kinderen uit verschillende leeftijdsgroepen, aangezien verschillende typen angsten pas op bepaalde leeftijden ontstaan. Angst voor hoogte bijvoorbeeld: een baby tot 8 maanden ziet geen diepte en heeft dus nog geen last van hoogtevrees. Kinderen van een jaar of vier houden moeiteloos een praatje voor hun ouders, terwijl 10-jarigen daar ineens bang voor zijn. Bij de experimenten kun je denken aan baby's van 10 maanden die over een visual cliff moeten kruipen, een glazen plaat waaronder een grote diepte te zien is. We laten de vader en de moeder aanmoedigende of juist angstige, afwerende signalen afgeven en bekijken wat het effect is op de reactie van het kind: kruipt hij wel of niet over de plaat?'

Dat angstige of afwerende gedrag van de ouders, dat moeten ze acteren?

‘Dat is een van de manieren die we gaan gebruiken, omdat dat ook in eerdere onderzoeken effectief is gebleken. Maar we manipuleren de angst van de ouders ook, bijvoorbeeld door eerst hen bedreigende of juist geruststellende informatie te geven.'

Ook voor oudere kinderen zijn er experimenten.

‘Inderdaad. We laten kinderen van 10-12 jaar een praatje geven, waarbij we de ouders ofwel "bedreigende" informatie laten geven (er staat veel op het spel, het publiek is kritisch), ofwel geruststellende informatie (het is maar een oefening). De vraag bij alle experimenten is, of het kind meer waarde hecht aan het oordeel van de vader, of juist van de moeder.'

Stel dat de theorie klopt, dat vaders een cruciale rol spelen bij de angstontwikkeling van kinderen. Welke implicaties heeft dat dan?

‘Op dit moment is de kinderwereld heel erg vervrouwelijkt. De thuissituatie, de kinderopvang, het onderwijs: kinderen worden vooral door vrouwen opgevoed. Als mijn theorie klopt, zouden we daar nog eens goed naar moeten kijken. Dan moeten we ervoor zorgen dat vaders - of andere mannelijke rolmodellen - beter zichtbaar worden. En bij de behandeling van overmatige angst en angststoornissen van kinderen zou het betrekken van de vader bij de therapie een voorwaarde moeten zijn.'

Auteur: Esther van Bochove, afdeling Communicatie FMG

Bron: FMG Communicatie

Susan Bögels is hoogleraar Orthopedagogiek en directeur van het Academisch Behandelcentrum voor Ouder en Kind aan de Universiteit van Amsterdam.


Gerelateerde artikelen en links:

donderdag, juni 12, 2008

115. Susan Bögels - Universiteit van Amsterdam - Academisch Behandelcentrum voor Ouder en Kind - Nederland verkeert in een opvoedcrisis

Susan Bögels: 'Nederland verkeert in een opvoedcrisis'. Ouders hebben op dit moment vooral moeite met de begrenzing van hun kinderen.

Tientallen ouders melden zich bij UvA/Virenze voor een behandeling

Bron: Universiteit van Amsterdam - Bachelor Gedrag en samenleving - Auteur: Esther van Bochove, afdeling Communicatie FMG - 13 maart 2008
Het Academische Behandelcentrum voor Ouder en Kind is een samenwerkingsverband tussen de Universiteit van Amsterdam en Virenze, een instelling voor kind-, jeugd- en volwassenenzorg. Het centrum biedt onder meer behandelingen tegen angststoornissen, echtpaar- en gezinstherapie, cognitieve gedragstherapie en sociale vaardigheidstrainingen. Wetenschappelijk onderzoek maakt integraal deel uit van alle behandelingen.
Bij het in januari opgerichte Academische Behandelcentrum voor Ouder en Kind hebben zich de afgelopen maanden tientallen ouders met kinderen gemeld voor een behandeling. Initiatiefnemer prof. dr. Susan Bögels: 'Opvoedcursussen zouden standaard in het ziektekostenpakket moeten zitten.'
Susan Bögels: 'Ouders worden veel meer geconfronteerd met normen- en waardenvraagstukken. Dat maakt opvoeden moeilijker dan vroeger'
Al die opvoedprogramma's op televisie, trainingen zoals die van UvA/Virenze... is opvoeden nou zo moeilijk?
'Nederland verkeert in een opvoedcrisis. Ouders hebben op dit moment vooral moeite met de begrenzing van hun kinderen. Hoe bescherm je ze tegen alcohol en drugs? Wat mogen ze wel en niet? Vroeger boden religie, familie en dorpsgemeenschap een gezamenlijke context; de groep stelde de grenzen. Nu die contexten weggevallen zijn, worden ouders veel meer zelf geconfronteerd met normen- en waardenvraagstukken. Dat alles maakt opvoeden moeilijker dan vroeger.'
Iedere ouder verplicht op opvoedcursus?
'Ik zou het niet verplicht willen stellen, maar ik vind wel dat opvoedcursussen standaard in het ziektekostenpakket zouden moeten zitten.'
Het behandelcentrum biedt mindful parenting aan, een behandeling die haar oorsprong vindt in meditatie. Dat klinkt zweverig
'Mindfulness is inderdaad een beetje zweverig, maar het gaat mij vooral om de vraag of het effectief is. De kern is om ouders te leren onbevooroordeeld waar te nemen, waarbij ze aandacht hebben voor het hier en nu. Als je een kind hebt met ADHD, kun je als ouder elke keer opnieuw gestresst raken als je kind druk is. Je wordt boos omdat het ‘nooit' stil is, met als waarschijnlijk effect dat het kind nog drukker gedrag gaat vertonen. Mindfulness kan ouders helpen om kalmte en rust te bewaren. Het idee is dat kinderen daar zelf ook rustiger van worden.'
En vanwaar die angsttrainingen? Een beetje bang zijn is toch heel normaal?
'Sommige kinderen zijn zo angstig, dat het hen of hun gezin belemmert in hun functioneren. Ze durven bijvoorbeeld niet naar school, of durven niet alleen thuis te zijn terwijl ze daar wel de leeftijd voor hebben. Soms kunnen ouders daardoor niet naar hun werk.'
De trainingen voor angstige kinderen waarnaar jullie onderzoek doen, richten zich niet op de kinderen, maar op de ouders. Waarom is daarvoor gekozen?
We weten dat de ouders een grote invloed kunnen uitoefenen op het gedrag van hun kinderen. Ouders kunnen hun eigen angsten overdragen op hun kinderen, en omgekeerd gaan ouders voorzichtiger om met bange kinderen. Ons uitgangspunt is dat ouders hun kinderen kunnen helpen om van hun angsten af te komen. Wij willen graag onderzoeken of er verschil is in effectiviteit tussen vaders en moeders. Daarom hebben we aparte moeder- en vadergroepen gevormd. Voor elk ouderpaar dat zich meldt met een angstig kind, bepalen wij door loting of de vader of de moeder de training krijgt aangeboden. Om het effect van de training optimaal te meten, behandelen we dus niet de kinderen zelf.'
Hoe trainen jullie de ouders?
‘Allereerst maken we de ouders duidelijk wat angst is, zodat ze zich goed kunnen inleven in wat hun kind voelt. Daartoe laten we ze dingen doen die ze eng vinden. Ze moeten licht grensoverschrijdend gedrag vertonen zoals zomaar iemand op straat een euro vragen voor de tram, of alle wekkers bij de HEMA tegelijk laten aflopen. Vervolgens leren we de ouders hoe ze hun kind kunnen begeleiden door middel van een ‘angsttrap'. Elke keer zet je een klein stapje, en uiteindelijk kom je op het punt waarvoor het kind zo bang was.'
Zijn er al resultaten?
'We hebben net de eerste training met vaders en moeders afgerond, dus die data moeten allemaal nog worden verwerkt. Ik weet wel dat alle ouders zeer tevreden waren over het effect van de training.'
Auteur: Esther van Bochove, afdeling Communicatie FMG
Bron: FMG Communicatie: communicatie-fmg@uva.nl

Gerelateerd artikel:

vrijdag, mei 30, 2008

105. Ouderschap en angst - Toename van psychopathologie bij kinderen (Samenvatting van de oratie van Susan Bögels als hoogleraar Orthopedagogie)

Aaaaahhhhhhh! on Flickr - Photo Sharing!

Bron: Nederlandse Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen (NVO), NVO Bulletin, nummer 5/6, December 2006

http://www.nvo.nl/440.htm
http://www.kinderwijs.nl/artikelen.asp?postid=180

Samenvatting van de oratie van Prof. Dr. Susan Bögels op vrijdag 1 december 2006 bij de aanvaarding van haar benoeming tot hoogleraar Orthopedagogiek, in het bijzonder integratieve jeugdzorg, aan de Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam

Menig dominee zou jaloers zijn bij het zien van zo’n volle zaal als de Lutherse Kerk tijdens de oratie van PROF. DR. SUSAN BÖGELS, hoogleraar bijzonder integratieve jeugdzorg, aan de Faculteit der Maatschappij en Gedragswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam. Susan Bögels ging in op de ‘dramatische’ stijging van angst bij kinderen. Ze constateert onder andere een grote overlap tussen angststoornissen van ouders en kinderen.

Gerelateerde artikelen en links:

Dragen ouders hun angst over op hun kinderen? Wat is de over­belichte rol van de moeder en de onderbelichte van de vader? En wat betekent dit alles voor behandelings­methoden als de cognitieve gedragstherapie? Over in de lucht geworpen kinderen sprak ze, en over Harry Potter en de Ivoren toren. Maar ze staat met beide voeten op de grond. Bijvoorbeeld wanneer ze suggereert dat preventie voor verzekeraars wel eens goedkoper uit zou kunnen pakken dan behandeling. Hier een beknopte en bewerkte weergave van haar oratie.

Angst bij kinderen is dramatisch gestegen: zo hebben normale kinderen in de VS nu dezelfde angstniveaus als kinderen in een psychiatrische inrichting 50 jaar geleden (Twenge, 2000). Dat kan niet worden verklaard uit de recente angst voor terrorisme; het onderzoek was afgerond voor 9-11. Niet alleen bij kinderen is die angst gestegen, maar ook bij volwassenen – hun ouders. Voor andere vormen van psychopathologie bij kinderen, zoals de autisme spectrum stoornis zien we dezelfde toename.

Misschien hangt deze stijging in psychopathologie wel voor een deel samen met de ontwikkeling van gestructureerde diagnostische interviews om psychopathologie te meten, en de verandering en verfijning van definities van psychopathologie. Zo’n verandering van meting of definitie kan echter niet het toegenomen angstniveau van de kinderen in de VS verklaren: de meting toen en nu was identiek. Allerlei medische/biologische factoren kunnen een rol spelen bij de toename van psychopathologie. Ook maatschappelijke veranderingen kunnen daartoe bijdragen. Zo kan gespeculeerd worden dat de latere leeftijd waarop vaders tegenwoordig kinderen krijgen bijdraagt aan de toename in autisme. Het eerder geciteerde Amerikaanse onderzoek naar toename in angst [1] laat zien dat alleenstaand ouderschap en het wegvallen van een sociale gemeenschapsstructuur, in combinatie met een toename in dreiging of afgenomen veiligheid, de stijging in angst bij kinderen in de tijd verklaart. (Merk hierbij op dat alleenstaand ouderschap meestal het wegvallen van de vader betekent.)

Tot slot kunnen veranderingen in opvoeding een rol spelen bij de toename in psychopathologie bij kinderen. De thans zo populaire reality TV (her)opvoedingsprogramma’s tonen de crisis waarin de opvoeding in welvarende Westerse landen zich bevindt. Ouders begrenzen niet meer en geven geen (echte) aandacht, een opvoedingsstijl die clinici vaak zo treffend aanduiden als “verwennende verwaarlozing”. Dit gebrek aan aandacht en duidelijke grenzen door ouders blijkt gedragsproblemen bij kinderen in stand te houden [2]. Of verwennende verwaarlozing ook verband houdt met een angstige ontwikkeling bij kinderen, is een vraag voor nader onderzoek.

Angststoornissen

Van alle vormen van psychopathologie komen angststoornissen het meest voor in de normale bevolking, zowel bij kinderen als hun ouders. Schattingen, bij kinderen en volwassenen, lopen uiteen van 5-20%. Top-down en bottom-up onderzoek laat een grote overlap zien tussen angststoornissen bij ouders en kinderen. Uit ons eigen bottom-up onderzoek bij 128 kinderen die voor behandeling waren verwezen vanwege angststoornissen bleek dat in 39% van de gezinnen minimaal een van de ouders ook een huidige angststoornis heeft. Voor een deel kan deze overlap verklaard worden uit genetische factoren [3]. De orthopedagogiek doet onderzoek naar de niet-genetische oorzaken van de overlap in psychopathologie tussen ouders en kinderen, waarbij de rol van opvoeding onze speciale aandacht heeft.

Ouderschap en angst

Als een ouder een angststoornis heeft, hoe beïnvloedt dat dan zijn of haar directe opvoedingsgedrag, de relatie tussen de ouders onderling (die indirect weer invloed heeft op het opvoedingsgedrag), en het functioneren van het hele gezin?

Moeders met een paniekstoornis bleken geïrriteerder te reageren op hun kind bij het samen maken van een tekening [4], en vaders die meer angstig waren bleken vaker de Tangram puzzle aan te raken die hun zonen moesten oplossen, een indicatie van overprotectief gedrag [5]. Ouders met angststoornissen bleken minder met hun kind in een speeltoestel te klimmen dan ouders zonder angststoornis. Overmatige angst bij ouders kan dus op allerlei manieren hun opvoedingsgedrag beïnvloeden: hun opvoedingsstijl kan er afwijzend, overbeschermend, minder autonomie bevorderend, en minder speels door worden.

Verschillen tussen kinderen in gevoeligheid voor opvoeding

Dragen ouders met overmatige angst via hun opvoedingsstijl deze angst over op hun kinderen?

Niet noodzakelijk, dit hangt af van het temperament van het kind.

De interactie van opvoeding met biologische en genetische factoren in het kind is belangrijk in de zoektocht naar het ontstaan van angststoornissen in de kindertijd. Belsky’s (1997) theorie over “differential succeptibility of rearing” suggereert dat er twee typen kinderen zijn. Kinderen die nauwelijks gevoelig zijn voor opvoeding, en waarbij de ontwikkeling zich ontvouwt volgens hun genetische make-up. En kinderen, die door een bepaalde aanleg, zoals een angstig of moeilijk temperament, zeer gevoelig zijn voor wat hun ouders doen, denken, en voelen. Die kinderen zijn oplettende observatoren, die de signalen over of de wereld gevaarlijk is of niet, uit de boodschappen halen die hun ouders over die wereld geven, of bij wie een angstig of moeilijk temperament versterkt wordt door gebrek aan aandacht en grenzen van de ouders. Het bewijs voor deze theorie is zeer overtuigend. Ook bij zeer ernstige vormen van ouderlijk tekortschieten, zoals agressief misbruik, is aangetoond dat dit met name tot agressief gedrag bij kinderen leidt, als zij hiervoor al kwetsbaar waren vanwege hun genetische make-up. Hoe temperamentsfactoren een rol spelen bij de ontwikkeling van angststoornissen is nog onontgonnen terrein.

Onderzoek naar de rol van de moeder overheerst

Wellicht is het gebrek aan onderzoek naar de rol van de vader in de ontwikkeling van angst bij kinderen terug te voeren op de gehechtheidstheorie van Bowlby (1969). Daarin wordt de vroege relatie tussen moeder en kind beschouwd als de blauwdruk voor alle andere relaties. De wijze waarop een kind gehecht is aan zijn primaire verzorger: veilig, angstig of vermijdend, zou het ontstaan van psychopathologie bij kinderen verklaren. Hechting werd daarbij vooral tot het domein van moeders gerekend, omdat moeders immers doorgaans de primaire verzorgers zijn.

Ik betwist niet dat hechting het primaire domein van de moeder is, maar er is 40 jaar na de lancering van deze theorie nauwelijks evidentie voor die rol van gehechtheid bij het ontstaan van angststoornissen in de kindertijd. Wel is er veel onderzoek verricht naar wat genoemd wordt overprotectie. Ook dit onderzoek betrof voornamelijk moeders. Overprotectie betreft een gedragspatroon dat bestaat uit overdreven regulering van de activiteiten en routines van het kind, een hoge mate van ouderlijke waakzaamheid en indringerigheid, en het afremmen van onafhankelijk probleemoplossen.

Overprotectie door ouders blijkt verband te houden met angst bij kinderen. Volgens een recente meta-analyse van onze onderzoeksgroep is de effect size medium [6].

Maar wat beweegt moeders tot overprotectief gedrag? Al in 1943 beschreef Levy een gezinspatroon van onderdanige vaders in interactie met overprotectieve moeders die het kind monopoliseerden: “They [the fathers] readily adapted to complete surrender”. Achter een overprotectieve moeder kan dus een afwezige of onderdanige vader schuilgaan.

Vaders en angst

Mijn collega Perrin vertelde mij over een gezin dat de tsunamie in Thailand overleefd had, maar waarbij beide jonge kinderen ernstig getraumatiseerd waren. Toen de golf aankwam rende de moeder terug naar het water om haar jonge kinderen te redden, terwijl de vader vluchtte en sindsdien niet meer gesignaleerd is. De hulpverlening nadien was in eerste instantie gericht op wat men noemt het “overprotectieve” opvoedingsgedrag van de (getraumatiseerde) moeder. Zo liet de moeder beide kinderen bij zich in bed slapen.

Maar welk signaal had de vluchtende en nu afwezige vader afgegeven over of er bescherming is als de kinderen het nodig hebben? Is het overprotectieve gedrag van de moeder niet veeleer het gevolg van de ontstane onveiligheid door het wegvallen van de vader?

Er is overtuigend longitudinaal onderzoek dat laat zien dat vaderlijke, meer dan moederlijke betrokkenheid bij pubers, deze kinderen beschermt tegen een depressieve en angstige ontwikkeling als jong-volwassenen [7]. Ons eigen onderzoek laat zien dat vaders met angststoornissen van invloed zijn op het functioneren van het hele gezin en op de opvoeding [8]. Vaders met een angststoornis stimuleren de autonomie van hun kinderen minder dan vaders zonder angststoornis. In gezinnen van angstige vaders is meer conflict, de relatie tussen de ouders is minder goed in zulke gezinnen, en het gezin is minder verbonden met de buitenwereld. Deze verbanden vonden we niet of veel minder sterk bij moeders met angststoornissen.

Verschillen tussen vaders en moeders

Vaders en moeders zijn verschillend. Camus (2000) observeerde bij baby-zwemmen dat moeders hun babies met het gezicht naar zichzelf gericht houden, terwijl vaders hun babies andersom vasthouden, zodat zij het zwembad en de andere kinderen en ouders kunnen zien. Dit onderzoek ondersteunt de theorie dat vaders, meer dan moeders, de opening zijn voor het kind naar de buitenwereld. Onderzoek van Lamb (1977) laat zien dat moeders meer fysiek contact hebben met hun babies voor voeding, verzorging, en troost, terwijl vaders’ fysieke contact meer gericht is op spel.

Vaders blijken anders te spelen met hun kind: fysieker en risicovoller. Een recente illustratie van dit typische vaderspel is te vinden op internet, waar miljoenen foto’s van ouder-kind inter­acties te vinden zijn. Er is een website die speciaal gaat over ouders die hun kinderen in de lucht gooien. [9]

Van de 90 foto’s die door ouders geplaatst zijn, zijn maar liefst 85 van vaders die hun kind in de lucht gooien. De vaders doen hun best de kinderen zo hoog mogelijk te laten vliegen. Wat heeft deze macho vertoning van mannen die hun kind zo hoog mogelijk in de lucht gooien met angst te maken? Als we kijken naar de gezichten van de kinderen zien we dat sommigen een gemengde uitdrukking tonen van angst en plezier, de meesten hebben ronduit plezier. Hoog in de lucht, onder de voorwaarde dat ze daarna veilig opgevangen worden, leren ze de fysieke spanning en arousal die met deze gooi en vrije val gepaard gaat, te interpreteren als plezier in plaats van angst. Later zullen ze deze sensaties eigenstandig gaan herhalen. Niet alleen de ervaring dat extreme arousal prettig kan zijn, maar ook het rolmodel dat vader gegeven heeft terwijl hij zijn kind in de lucht gooide, zal herhaald worden.

Praktijk van de jeugdzorg

Jeugdzorg subsidieprogramma’s schreeuwen om het implementeren van effectieve (evidence-based) interventies. Maar overstijgen die interventies wel het niveau van suggestie en magie, van hekserij en toverkracht? Onlangs bleek uit een Canadees onderzoek [10], dat Harry Potter voorlezen aan angstige kinderen net zo effectief was als het geven van het FRIENDS programma, een preventieve interventie voor angstige kinderen gebaseerd op cognitief-gedragstherapeutische principes. Zolang we geen evidentie hebben dat onze interventies beter zijn dan creatieve placebo’s, zoals Harry Potter voorlezen, kunnen onderzoekers geen verstandige dingen vertellen aan werkers in de jeugdzorg over wat zij het best kunnen doen. Wat moeten onderzoekers dan wel doen? Zich terugtrekken in de ivoren toren om interventies radicaal te verbeteren. Om deze verbeterde interventies qua effectiviteit te vergelijken met de nu gangbare interventies. En om meta-analyses te doen naar gepubliceerde en vooral ongepubliceerde effectonderzoeken, omdat meta-analyses wél richting geven aan welke kant we op moeten.

Zo bleek uit een recente meta-analyse van Weisz (2006) bijvoorbeeld dat cognitieve gedragstherapie voor depressieve kinderen maar matig effectief is. Houdt dat in dat we nu cognitieve gedragstherapie moeten implementeren, of dat we onze krachten moeten bundelen om interventies te verbeteren? Ik pleit voor het laatste, althans voor interventies die niet beduidend effectiever zijn dan een geloofwaardige placebo behandeling. Naast implementatie van evidence-based interventies is kosteneffectiviteit een onderwerp dat een belangrijke rol gaat spelen in de praktijk van de jeugdzorg, zeker nu de vraag zo hoog is en de wachtlijsten zo lang. De resultaten van zorg worden in kaart gebracht aan de hand van de kosten per QALY, quality adjusted life years, van een interventie. De resultaten van ons eigen onderzoek, waarop Bodden binnenkort promoveert, laten zien dat gezinsgerichte CGT minder kosteneffectief is dan individuele CGT voor het kind. Deze bevinding zou implicaties moeten hebben. Het nu nog gangbare beleid in de jeugdzorg om ouders middels ouderbegeleiding te betrekken in behandeling van hun kind met angtststoornissen, zou in het licht van deze bevindingen opnieuw geëvalueerd moeten worden. Ook is het nodig onderzoek te doen naar de relatieve kosteneffectiviteit van behandeling versus preventie in de jeugdzorg.

Preventie

Voor verzekeraars zou preventie wel eens goedkoper uit kunnen pakken dan behandeling. Goed zorgbeleid is gebaseerd op een lange termijn afweging van kosten en baten, en ouders blijken graag mee te werken aan preventieve gezondheidszorg, mits die te combineren is met de realiteit van hun drukke leven.

Preventie van psychopathologie bij kinderen via vroegtijdig bijsturen van de opvoeding bij “at risk” groepen is een groeiend werkterrein voor de orthopedagogiek. Met steun van een ZonMW preventie-subsidie bestudeert Simon de (kosten)effectiviteit van een preventieve interventie via ouders, bij het kind zelf, of het overlaten aan het natuurlijk beloop, bij kinderen die “at risk” zijn om een angststoornis te onwikkelen vanwege verhoogde angstsymptomen. Waar het gaat om curatieve interventies in de jeugdzorg, het behandelen van angststoornissen bij kinderen, is er weinig evidentie dat het betrekken van de ouders belangrijk is. Over preventie van angst is echter nog geen onderzoek verricht. Een interventie gericht op hoe ouders hun voor angst gevoelige kind kunnen bijstaan lijkt juist bij kinderen die nog geen angststoornissen of andere psychopathologie ontwikkeld hebben, maar die vanwege een angstig temperament gevoelig zijn voor ouderlijke signalen, veelbelovend. En op wie van de ouders moet vooral ingezet worden als het gaat om preventie van psychopathologie bij kinderen? Oudertrainingen richten zich op beide ouders, maar in de praktijk komen toch vooral de moeders, en zelden alleen de vaders. Van der Bruggen gaat onderzoeken of een vaderinterventie mogelijk effectiever is dan een moederinterventie, wanneer het gaat om preventie van angststoornissen bij at risk kinderen, die nog niet in de jeugdzorg terecht zijn gekomen.

Mindfulness

Hoewel het er bij de behandeling van angststoornissen nog niet op lijkt dat het betrekken van de ouders zinvol is, bij externaliserende stoornissen ligt dat mogelijk anders. Externaliserende stoornissen zijn vormen van psychopathologie waarbij het kind de problemen extern uit, zoals bij gedragsstoornissen of ADHD. Het kind is druk, liegt, steelt, is brutaal, maakt ruzie, etc. Onderliggend zijn er problemen in de aandacht, planning, en gedragssturing of impulsiviteit. Met Van Oord en Geurts, en een aantal behandelcentra in het zuiden en westen, werken we aan de ontwikkeling en evaluatie van een interventie waarbij we direct ingrijpen in verstoorde aandachtsprocessen bij kinderen, via mindfulness training, een aandachtstraining die gebaseerd is op oosterse meditatietechnieken. Ook ouders volgen een mindfulness training, die we mindful parenting noemen. Ouders leren onbevooroordeeld aandacht te besteden aan hun kind en werken tegelijkertijd aan eigen aandachtsproblemen als die er zijn.

De eerste resultaten van mindfulness en mindful parenting bij kinderen met externaliserende stoornissen zijn veelbelovend: kinderen kunnen de aandacht beter vasthouden na de training, vertonen minder gedragsproblemen en sociale problemen, en voelen zich gelukkiger na de training [11].

SUSAN BÖGELS

Noten:

1. Twenge, 2000
2. Patterson, 1995
3. Boer & Bögels, 2000
4. Ficker, Schneider, Gommlich-Schneider, Nündel, & Wolke, 2002
5. Van der Bruggen, Bögels, & van Zeilst, 2006
6. Van der Bruggen, Bögels, & Stams, 2006
7. Bögels & Phares, 2006
8. Bögels et al., in voorbereiding
9. http://www.flickr.com/groups/throw_your_kids_in_the_air
10. Miller, Laye-Gindhu, & Gold, 2006
11. Bögels, Hoogstad, van Dun, & De Schutter, 2006

Ouderschap en angst

Bron: Universiteit van Amsterdam, vrijdag 1 december 2006
http://pow-alumni.socsci.uva.nl/alumni/S.Bogels.html

Oratie Orthopedagogiek Mw. prof. dr. Susan M. Bögels, hoogleraar Orthopedagogiek, in het bijzonder integratieve jeugdzorg.

Op vrijdag 1 december 2006 om 14.30 uur heeft mevr. Susan Bögels haar hoogleraarsbenoeming aanvaard met het uitspreken van haar oratie: Ouderschap en angst.

Susan Bögels studeerde Klinische Psychologie in Groningen en was daarna sinds 1986 verbonden aan de Universiteit Maastricht. Zij promoveerde daar bij de capaciteitsgroep Onderwijsontwikkeling en Onderwijsresearch en werd in 2000 universitair hoofddocent bij de capaciteitsgroep Medische, Klinische en Experimentele Psychologie. Daarnaast is zij als cognitief gedragstherapeut altijd werkzaam geweest bij de RIAGG in Maastricht. In 2005 ontving Bögels een Vidi-subsidie van NWO voor het onderzoek ‘The role of the father in childhood social anxiety’.

Mevr. Bögels zal in het kader van haar leerstoel aan de UvA/FMG onderzoek gaan doen naar de intergenerationele transmissie van psychopathologie, in het bijzonder angststoornissen, vanaf de babytijd. Daarnaast zal haar onderzoek zich richten op preventie en behandeling van psychopathologie in kinderen.

Ouderschap en angst

Angststoornissen zijn de belangrijkste vorm van psychopathologie bij kinderen en volwassenen, en de overlap tussen angststoornissen bij ouders en hun kinderen is groot, stelt Susan Bögels in haar oratie. Naast erfelijke aanleg kunnen factoren in de opvoeding, op zichzelf en in samenspel met de aanleg van het kind, deze overlap verklaren. Ouders met angststoornissen blijken meer (over)beschermend in de relatie met hun kind. Dragen zij hiermee hun angst over op hun kinderen? Dat hangt mogelijk af van de aanleg van het kind. Kinderen met een geïnhibeerd temperament zouden gevoeliger zijn voor signalen van hun ouders over de wereld om hen heen: is het een wereld vol gevaar of vol kansen? Bögels onderzoekt welk gedrag van moeders en vaders bij welke kinderen een angstige ontwikkeling voorspellen. Of de uitkomst van dit onderzoek implicaties heeft voor de hulpverlening is de vraag. Kinderen met angststoornissen zijn namelijk zeer goed te behandelen met een cognitieve gedragstherapie, waarbij de ouders nauwelijks betrokken worden.

Zie voor een kennismaking met Susan Bögels de Nieuwsbrief POW april 2006; pag. 2.


Introductie nieuwe collega Susan Bögels

Bron: Universiteit van Amsterdam, Afdeling pedagogiek en Onderwijskunde, Nieuwsbrief POW, april 2006
http://pow-alumni.socsci.uva.nl/alumni/documents/NieuwsbriefPOWapril2006.pdf

Per 1-2-2006 ben ik begonnen aan een nieuw avontuur in mijn leven: hoogleraar ontwikkelings- en opvoedingsproblemen bij Pedagogie. Eerst iets over mijn geschiedenis. Ik heb klinische psychologie gestudeerd in Groningen, met als bijvak kinderpsychiatrie. Mijn eerste onderzoek als student ging overigens over onderwijskunde; het was een marxistisch-feministisch participerend onderzoek naar (gebrek aan) loopbanen op de Mavo, en het stuk dat wij hierover schreven (getiteld: Is er leven op de Mavo? Gewoon plat op je bek liggen en wachten tot de bel gaat) heb ik nog gepresenteerd op de Onderwijsresearchdagen in Amsterdam! Ik wilde na mijn studie psychotherapeut worden en onderzoek doen, en was ook erg geïnteresseerd in vaardigheidstraining. Psychotherapeutfuncties waren er nauwelijks, en aio plekken bestonden nog niet, dus ik begon als “skillslabmedewerker” aan de Universiteit Maastricht, en ontwikkelde het vaardigheidsonderwijs voor de studie Geestelijke Gezondheidkunde. Na een jaar bemachtigde ik daarnaast een part-time functie binnen de geacademiseerde volwassenafdeling van de RIAGG Maastricht, waardoor ik alle klinische opleiding kon doen die ik wilde en ook onderzoek naar effectiviteit van psychotherapie kon starten.

Ik promoveerde echter op een ander terrein: de ontwikkeling van diagnostische interviewvaardigheden, bij de vakgroep Onderwijsontwikkeling en Onderwijsresearch. Daarna stortte ik me volledig op het klinische psychologie onderzoek. Mijn interesses waren sociale fobie en vooral blozen! We lieten mensen een liedje zingen voor de camera en daarna hun video terugzien in aanwezigheid van publiek, en bepaalden dan de doorbloeding van de wangen. Op de RIAGG onderzocht ik een nieuwe behandeling die ik voor bloosangst ontwikkelde; taakconcentratietraining. Er waren twee redenen waarom ik steeds meer geinteresseerd raakte in kinderen: sociale angst ontstaat vroeg, in de kindertijd, en ik zag veel ouders op de RIAGG die vaak al 20 jaar last van sociale fobie hadden maar pas nu behandeling zochten omdat ze bang waren hun angst over te dragen op hun kinderen.

Ik nam het initiatief tot het academiseren van de afdeling Kinder en Jeugd van Riagg Maastricht, en deed onderzoek naar bijv. gezins cognitieve gedragstherapie voor kinderen met angststoornissen. In tegenstelling tot mijn verwachting, bleek dit een minder effectieve benadering dan alleen het kind behandelen. Ik hou van tegendraads onderzoek, en van bevindingen die totaal tegen je hypothese ingaan.

Dat overkomt mij regelmatig, en daar leer ik het meest van: dat dingen niet zijn zoals je denkt. Wat ik hier wil doen is experimenteel onderzoek stimuleren, naar de oorzaak van psychopathologie bij kinderen, en naar evidence-based behandeling van ontwikkelingspsychopathologie en opvoedingsproblemen. Mijn eigen onderzoek zal de eerste jaren vooral gaan over de rol van de vader in de ontwikkeling van angst bij kinderen, vanaf de babytijd. Voor dit onderzoek (waarvoor ik een Vidi innovatiesubsidie van NWO heb gekregen) wordt momenteel een babylab gebouwd, waar we over een half jaar de eerste zwangere ouders hopen te ontvangen. Dus wie labfaciliteiten zoekt, kom t.z.t. vooral eens kijken! Ik hoop mijn passie voor onderzoek en rotsvaste geloof in evidence-based werken in de jeugdzorg over te kunnen brengen op de studenten Pedagogie.Ik zal vooral op Maandag en Dinsdag aanwezig zijn. Dit heeft te maken met mijn complexe gezinssituatie: onze 4 kinderen wonen in Maastricht, terwijl mijn partner en ik in Amsterdam werken. Ik prijs mijzelf gelukkig met de nieuwe collega’s, kansen en mogelijkheden die ik hier zie, en sluit af met de volgende spreuk: Waar je ook aan begint, sluit niets uit.