Posts tonen met het label Verblijfsco-ouderschap. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Verblijfsco-ouderschap. Alle posts tonen

maandag, juni 25, 2012

682. Opinieonderzoek - Een meerderheid van 69,5% van de Belgen is voorstander van verblijfsco-ouderschap

Een meerderheid van 69,5% van de Belgen is voorstander van verblijfsco-ouderschap

Bron: België - Le Soir - nc - Voorpagina (Pagina 1) – Vertaling uit Frans door P. Tromp - Maandag 25 juni 2012

Uit een representatief opinieonderzoek voor het Franstalige Belgische tijdschrift Filiatio, blijkt dat zeven op de tien Belgen voorstander is van verblijfsco-ouderschap of gelijk gedeeld verblijf van het kind in de huizen van beide gescheiden ouders. Deze vorm van zorgverdeling geniet voor de Belgen veruit de voorkeur boven die van het hoofdverblijf bij een van de ouders gecombineerd met een weekendverblijf per twee weken bij de andere ouder (15,2%) of de zgn. "5/9"-zorgverdeling, waarbij het kind na de scheiding vijf dagen bij de ene ouder en negen dagen bij de andere ouder verblijft (5,2%).

Een duidelijk verschil werd daarbij waargenomen tussen de beide taalgemeenschappen in België: Verblijfsco-ouderschap en gelijk gedeeld verblijf bij gezamenlijk gezag is populairder bij de Vlamingen (81,2%) dan bij de Franstaligen (54,5%). "De sociaal-economische factor moet hier een rol spelen”, analyseert prof. Yves-Henri Leleu, een specialist in familierecht van de Universiteit van Luik (ULg). “Verblijfsco-ouderschap of gelijk verdeeld verblijf is uiteraard duurder: er zijn twee huizen nodig, twee auto's, enz.. En de “noordelijke landen” zijn meer geëmancipeerd. Tot slot zijn er zeker ook meer gezinsondersteunende diensten (crèches, kinderdagverblijven, ...) beschikbaar aan de Vlaamse kant." 

Onze informatie P.7

Echtscheiding: Verblijfsco-ouderschap is populair in België
Bron: België - Le Soir - DORZEE, HUGH - Pagina 7 - Vertaling uit Frans door P. Tromp - Maandag 25 juni 2012

Gezinnen - Een representatief opinieonderzoek in opdracht van « Filiatio », bevestigt de populariteit van verblijfsco-ouderschap onder de Belgen

Wanneer een paar scheidt, wie draagt er dan de zorg voor de kinderen? Mama, of papa, of allebei? De overgrote meerderheid van de Belgen blijkt voorstander te zijn van een “gelijk verdeelde zorg en verblijf" (zgn. bilocatie of verblijfsco-ouderschap) van de kinderen bij beide ouders.

Volgens een onderzoek uitgevoerd door AEGIS / Deep Blue, in opdracht van het tijdschrift Filiatio (1), zijn bijna zeven op de tien respondenten (69, 5%) voorstander van een egalitaire accommodatie of verblijfsco-ouderschap.

Dit geniet voor de Belgen verre de voorkeur boven een zorgregeling met het hoofdverblijf van de kinderen bij een van de ouders gecombineerd met een weekendverblijf per twee weken bij de andere ouder of de zgn. "5/9"-zorgverdeling, waarbij het kind na de scheiding vijf dagen bij de ene ouder en negen dagen bij de andere ouder verblijft (5,2%).

Er is echter een duidelijk verschil tussen noord / zuid: het verblijfsco-ouderschap of de bilocatie van de kinderen na de scheiding is populairder bij de Vlamingen (81,2%) dan bij de Franstaligen (54,5%). De redenen? "De sociaal-economische factor moet hier een rol spelen”, analyseert prof. Yves-Henri Leleu, een specialist in familierecht van de Universiteit van Luik (ULg). “Verblijfsco-ouderschap of gelijk verdeeld verblijf is uiteraard duurder: er zijn twee huizen nodig, twee auto's, enz.. En de “noordelijke landen” zijn meer geëmancipeerd. Tot slot zijn er zeker ook meer gezinsondersteunende diensten (crèches, kinderdagverblijven, ...) beschikbaar aan de Vlaamse kant. "

Een mening die wordt gedeeld door de auteurs van het onderzoek: "Men ziet ook een grotere professionele betrokkenheid en inzet in het familierecht in Vlaanderen. En, omgekeerd, een grotere weerstand aan de Franse kant ", zegt Celine Lefèvre van het tijdschrift Filiatio.

Het vermijden van conflicten"
Hoe dan ook, de uitkomsten van dit onderzoek zijn verassend. Het bevestigt dat er sprake is van een evolutie van de mentaliteit in België en in het buitenland (Frankrijk, Spanje, Italië...). Een ontwikkeling die ingezet is met de invoering van een nieuw wettelijk kader waarin - met de invoering van de wet van 14 september 2006 - rechters worden aangemoedigd om "prioriteit" te geven aan het verblijfsco-ouderschap van de kinderen na de scheiding. Tenzij dit "waarneembaar in strijd is met de belangen van het kind."
Om tot zijn besluit te komen, houdt de rechter rekening met verschillende criteria (de geografische afstand tussen de beide ouders, "ernstige (niet-)beschikbaarheid" van een van de ouders, de leeftijd van het kind, gebrek aan inzet en belangstelling of verwaarlozing van de zorg door een ouder). "De Belgische wet schrijft geen veralgemenisering of vaste formule voor het verblijfsco-ouderschap voor, maar benadrukt juist het bereiken van een overeenkomst tussen de beide ouders en het voorkomen van geschillen. En als geen van de beide ouders het daarmee eens is, dan zal de rechter ook niet ambtshalve een vaste regeling op leggen, "zegt professor Leleu.

Maar de trend is er: het "gedeelde verblijf" of verblijfsco-ouderschap wordt geleidelijk aan geaccepteerd. Dit niettegenstaande dat deze zorgregeling zowel zijn voordelen heeft (gelijkmatig handhaven van de banden van het kind met beide ouders; bieden van vrijheid aan de beide ouders ...), alsook zijn nadelen (instabiliteit en verplaatsingen voor het kind, de verplichting tot het "doubleren" van verblijfsfaciliteiten en voorzieningen ...), zoals blijkt uit een studie van de Universiteit van Luik (Casman, 2010).

Ook ‘lijken’ de parttime ouders een typisch profiel te hebben: 30-40 jaar, in vaste loondienst, hooggeschoold, beschikkend over flexibele werktijden, enz.

En in de praktijk?
We beschikken niet over data om objectief te kunnen vaststellen wat nu de rol is van rechterlijke beslissingen in het voordeel van deze vorm van verblijfsco-ouderschap en gedeelde zorg.

"In het algemeen”, voegt Celine Lefevre toe, “lijkt het erop dat het verblijfsco-ouderschap of de egalitaire accommodatie van de kinderen na de scheiding bij beide ouders is ondervertegenwoordigd in rechterlijke uitspraken. Er is dus sprake van een discrepantie en spanning tussen wat mensen in België vinden en datgene wat door rechters wordt toegepast in de Belgische rechtspraktijk. "
"Elk geval is specifiek”, tempert Professor Leleu. “Verblijfsco-ouderschap is niet altijd van toepassing. In sommige gevallen is het contra-geïndiceerd (geografische afstand tussen de ouders, spanningen tussen de ouders ...). Bovendien, vergt het veel van de dialoog tussen de ex-echtgenoten (medische follow up, sportactiviteiten...) "

In het onderzoek van Filiatio wordt ook gekeken naar andere aspecten van het gezinsleven (mening van het kind, de rol van het recht, juridische en gerechtelijke achterstanden en vertragingen ...), met inbegrip van bemiddeling. En ook hier is de conclusie duidelijk: meer dan zes op de tien Belgen (64%) is voorstander van het “verplicht opleggen van een bemiddeling aan scheidende ouders."

(1) Dit onderzoek werd uitgevoerd middels een telefonische enquête in maart 2012 op basis van een representatieve steekproef van 500 mensen in de leeftijd 18-70 jaar, met een foutenmarge van 4,4%. (www.filiatio.be)

69,5%
Dit is het percentage Belgen dat voorstander is van verbijfsco-ouderschap of "gelijk gedeelde zorg en verblijf" van de kinderen na een scheiding. Met sterke verschillen tussen de Vlaamse (81,2%) en de Franse (54,5%) gemeenschappen.


Origineel artikel in het Frans:

zondag, mei 06, 2012

669. Gedeeld ouderschap na scheiding: Analyse van het beschikbare onderzoek naar verblijfsco-ouderschap (Linda Nielsen, 2011)

Shared Parenting After Divorce: A Review of Shared Residential Parenting Research
Source: Linda Nielsen - Journal of Divorce & Remarriage - Volume 52, Issue 8 - pages 586-609 - Available online: 18 Nov 2011

Gedeeld ouderschap na scheiding: Een analyse en beoordeling van het beschikbare onderzoek naar gedeeld verblijfsco-ouderschap
Bron: Linda Nielsen - Tijdschrift voor Echtscheiding & Hertrouwen - Volume 52, Nummer 8 - Pagina's 586-609 - beschikbaar online: 18 november 2011

ABSTRACT
One of the most complex and compelling issues confronting policymakers, parents, and the family court system is what type of parenting plan is most beneficial for children after their parents' divorce. How much time should children live with each parent? An increasing number of children are living with each parent at least 35% of the time in shared residential parenting families: How are these children and their parents faring? In what ways, if any, do divorced parents who share the residential parenting differ from parents whose children live almost exclusively with their mother? How stable are shared residential parenting plans? By reviewing the existing studies on shared parenting families, these questions are addressed.

GENERAL CONCLUSIONS BY LINDA NIELSEN
Given the growing popularity of shared residential parenting, policymakers and professionals who work in family court, as well as parents, should find the research compelling. As demonstrated in this review, overall these studies have reached four general conclusions.
  1. First and foremost, most of these children fare as well or better than those in maternal residence—especially in terms of the quality and endurance of their relationships with their fathers.
  2. Second, parents do not have to be exceptionally cooperative, without conflict, wealthy, and well educated, or mutually enthusiastic about sharing the residential parenting for the children to benefit.>
  3. Third, young adults who have lived in these families say this arrangement was in their best interest—in contrast to those who lived with their mothers after their parents’ divorce.
  4. And fourth, our country, like most other industrialized countries, is undergoing a shift in custody laws, public opinion, and parents’ decisions—a shift toward more shared residential parenting.
With the research serving to inform us, we can work together more effectively and more knowledgeably to enhance the well-being of children whose parents are no longer living together.

dinsdag, november 23, 2010

643. Het Belgische verblijfsco-ouderschap in Vlaanderen geëvalueerd vanuit de ouders en de emancipatiebijdrage (gelijke kansen)

Het verblijfsco-ouderschap geëvalueerd
Bron: Gazet van Antwerpen - 23/11/'10

23 NOVEMBER 2010 - De kindrekening moet verplicht worden. En er moet een regeling komen voor de domiciliëring van kinderen van gescheiden ouders die nu eens bij de ene ouder en dan weer bij de andere ouder verblijven. Dat leert de eerste studie over het verblijfsco-ouderschap. Het gaat om een studie van Marcia Poelman en Marie Kruyfhooft, die vandaag in Antwerpen werd voorgesteld aan het Steunpunt Gelijke Kansenbeleid. Ze belicht het verblijfsco-ouderschap vanuit de visie van de gelijkheid van mannen en vrouwen, niet vanuit het perspectief van de kinderen. Een overzicht.

WAT IS VERBLIJFSCO-OUDERSCHAP?
Op 3 juni 1995 werd het gezagsco-ouderschap ingevoerd. Die wet bepaalt dat beide gescheiden ouders evenveel gezag hebben over hun kinderen, ongeacht waar die kinderen verblijven. Door de wet van 18 juli 2006 werd daar het verblijfsco-ouderschap aan toegevoegd. Die maakt het mogelijk dat de kinderen van gescheiden ouders nu eens bij de vader en dan weer bij de moeder verblijven. Dat kon eigenlijk al, maar in 2006 werd het wettelijk geregeld en werd het verblijfsco-ouderschap als model opgelegd. De rechter kan er slechts op gemotiveerde wijze van afwijken in bepaalde gevallen (bv. als de ouders te ver uit elkaar wonen of als geen enkel overleg meer mogelijk is e.d.). Gezagsco-ouderschap en verblijfsco-ouderschap vallen niet noodzakelijk samen.

De onderzoekers trokken een toevalssteekproef van 766 mensen, die ofwel in 2002 gescheiden zijn en ofwel na 2006. Door deze twee tijdsperiodes wilden ze de gevolgen van de wet meten. Het gaat om dossiers van gescheidenen met kinderen bij de rechtbanken van Gent, Hasselt en Turnhout. Daarnaast werden experten ondervraagd.

De problematiek werd bekeken vanuit de verschillen tussen de geslachten. De gevolgen van het verblijfsco-ouderschap voor de kinderen werd niet bestudeerd. Dat gebeurt later nog. Vorige week ontstond enige opwinding over het "co-schoolschap", waarbij de kinderen om de week in een andere school werden ingeschreven. Het Vlaams Kinderrechtencommissariaat ontving hierover vorig jaar een drietal klachten en was flink tegen dit systeem omdat deze voortdurende pendel tussen scholen, niet in het belang is van de kinderen. (Zie voor zijn visie: hier.)

WAT STELT DE STUDIE VAST?
Wat blijkt uit de studie?
* 80,6% van de echtscheidingen uit de steekproef werden uitgesproken met onderlinge toestemming. De nieuwe echtscheidingsvorm (EOO, echtscheiding door onherstelbare ontwrichting, nvdr) tekent slechts voor 7,5% van de gevallen. 56,6% van de gescheidenen is minder dan vijf jaar uit elkaar, maar 7,5% al meer dan 11 jaar.
* Vooraleer de wet op het verblijfsco-ouderschap van kracht werd, legde de rechter in 12,7% van de gevallen een gelijkmatig verdeeld verblijf op. Na de wetswijziging in 14,6% van de gevallen. De wet van 2006 leidde dus tot een zeer kleine toename.
* De leeftijd van de kinderen speelt geen rol. In het buitenland komt verblijfsco-ouderschap minder voor als de kinderen zeer jong zijn of als het om adolescenten gaat. In Vlaanderen is er blijkbaar geen verschil. Wél is de leeftijd één van de belangrijkste redenen om een verblijfsco-ouderschap dat gestart is weer stop te zetten.
* Ouders die verblijfsco-ouderschap toepassen zijn jonger en recenter gescheiden.
* De kinderen worden nog erg vaak bij de moeder gedomicilieerd: in 69,9% van de gevallen. Dit is niet onbelangrijk omdat domiciliëring allerlei financiële en fiscale gevolgen heeft.
* De ouders hanteren meestal een week-om-week-ritme (83,7%), waarbij de kinderen om de week van de ene woning naar de andere verhuizen. Dan volgt een veertiendaags ritme (3,8%). Maar een kwart van de ouders die deze week/week-wissel hanteren komt de afspraken in de praktijk niet na.
* Grote afstanden tussen de woningen van beide ouders komen zelden voor: 47,6% van de ouders woont op minder dan 5 kilometer van elkaar, maar toch woont 6,7% op een afstand tussen 20 en 30 kilometer en 2,4% op een afstand van meer dan 30 kilometer. De grote afstand is een van de oorzaken om het verblijfsco-ouderschap weer stop te zetten.
* In 15% van de gevallen was de opgestarte regeling alweer gestopt op het moment van het onderzoek, doorgaans op vraag van de kinderen.
* De moeder blijkt nog altijd meer bij te dragen in de kosten van de opvoeding dan de vader. Dat geldt vooral voor de medische kosten, de kosten voor de school en die voor vrije tijd. Als reden zien de onderzoekers dat de rollenpatronen die tijdens het huwelijk bestonden, voortgaan na de scheiding. De moeder gaat makkelijker met de kinderen naar de tandarts dan de vader en ze koopt ook eerder schoolgerief en kledij. Een gezamenlijke kindrekening, waarop de kinderbijslag moet worden gestort, verkleint de kans op een ongelijke verdeling van de kosten.
* Gelijk verdeeld co-ouderschap leidt er toe dat de alimentatie correcter wordt betaald.
* 94,4% van de vrouwen in verblijfsco-ouderschap werkt. Van de vrouwen die de kinderen permanent bij zich hebben werkt 83,7% en als de kinderen permanent bij de vader zijn werkt nog slechts 57,1% van de moeders. Bij de mannen is er geen verschil al naargelang de verblijfsregeling die ze voor hun kinderen hebben.
* Eerder onderzoek toonde aan dat bedienden en middenkaders oververtegenwoordigd zijn in het verblijfsco-ouderschap. Maar in dit onderzoek werden geen verschillen gevonden naar het soort job.
Hoe meer autonomie de ouders hebben om hun werktijd zelf in te delen, hoe meer kans op een verblijfsco-ouderschap.
Slechts 7,7% van de mannen zegt dat ze meer uren gaan werken door het verblijfsco-ouderschap. Bij de vrouwen ligt dat cijfer drie keer zo hoog (27,5%). In totaal werken 68,2% van de mannen evenveel voor de toepassing van het verblijfsco-ouderschap als erna. Bij de vrouwen is dat slechts 51,9%.
De aard van de verblijfsregeling heeft weinig effecten op de loopbaan van hun ouders, zo besluiten de onderzoekers. De ongelijkheden die al voor de scheiding bestonden zetten zich door na de scheiding. De beroepsstatus van voor de scheiding trekt zich door na de scheiding.
* Minder dan de helft van de verblijfsco-ouders zegt dat ze alleen instaan voor de opvang van de kinderen als die bij hen gehuisvest zijn. Als iemand anders de kinderen opvangt zijn dat meestal de grootouders (20,9%).
* 35,4% van de gescheiden ouders heeft op het moment van het onderzoek een nieuwe partner. Bij gelijkmatig verblijf van de kinderen bij beide ouders is er terzake nauwelijks verschil tussen mannen en vrouwen. Maar vooral voor vrouwen is "herpartneren" een goede strategie om inkomensverlies te voorkomen. Dit heeft echter niets met het verblijfsco-ouderschap te maken.
* De gescheiden ouders ruziën over de kinderen, maar die geschillen hangen niet samen met de aard van de verblijfsregeling van de kinderen. De leeftijd van de kinderen speelt wel een rol: hoe ouder het jongste kind, hoe minder conflict inzake zijn opvoeding.

WAT WILLEN DE CO-OUDERS?
De verblijfsco-ouders mochten ook zelf voorstellen formuleren. Wat zijn de belangrijkste?
* Ze pleiten voor een dubbele domiciliëring, zodat de voordelen die uit domiciliëring voortvloeien altijd kunnen spelen. Die voordelen zijn bv. kortingen bij verenigingen, bij het berekenen van het kadastraal inkomen en ook om voordelen bij het toekennen van premies.
* Ze willen dat de kindrekening verplicht wordt omdat zo de kosten gelijkmatiger kunnen worden verdeeld. Nu kan de rechter een kindrekening opleggen, maar hij moet het niet.
* Ze pleiten ook voor inspraak van de kinderen vanaf een bepaalde leeftijd bij het bepalen van de verblijfsregeling. Die inspraak bestaat reeds, maar gaat niet ver genoeg, zo menen de ouders.
* Er zijn te weinig opvangmogelijkheden.
* Afspraken over de kinderen niet naleven moet beter gecontroleerd worden én de procedure moet efficiënter.

WAT VINDEN DE ONDERZOEKSTERS?
Zij volgen de ouders op bepaalde punten. Zo zijn ze ook voorstander van meer kinderopvang, omdat ouders die in ploegen werken zonder extra opvang geen verblijfsco-ouderschap kunnen toepassen. Bovendien zijn ze ervoor gewonnen om de kindrekening automatisch op te leggen.

Ze willen verder dat de ouders duidelijk en helder geïnformeerd worden over de financiële en fiscale gevolgen van de verblijfsregeling. Ze pleiten verder voor psycho-sociale begeleiding van de ouders na de scheiding.

Net zoals een minderheid van de ouders willen ze dat de verblijfs- en kostenregeling op vaste momenten wordt geëvalueerd. Nu moet een ouder die boos is omdat de andere ouder zich niet aan de afspraken houdt, zelf naar de rechter stappen en dat is geen goede zaak.

In tegenstelling tot de ouders zijn de onderzoekers geen echte voorstanders van een dubbele domiciliëring, omdat dit een enorme belasting voor de overheidsadministratie kan worden. Heel wat procedures (het opstellen van de kieslijsten en allerlei subsidiereglementen bv.) vertrekken van één unieke domicilie. Dubbele domiciliëring kan tot nieuwe vormen van fraude leiden. De onderzoekers willen integendeel dat alle voordelen die uit domiciliëring voortvloeien worden opgelijst en dan ook toegekend bij verblijfsco-ouderschap, zonder dat de wet op de domiciliëring moet worden veranderd.

Lees ook:

vrijdag, maart 26, 2010

461. Belgische scheidende ouders kiezen in 4 op 10 gevallen voor verblijfsco-ouderschap sinds invoering van wet op beurtelingse huisvesting (bilocatie) in 2006

Vier op de tien kiezen co-verblijf

Bron: België - De Standaard - Van onze redactrice Veerle Beel - donderdag 25 maart 2010

GENT - In vier op de tien gevallen kiezen (Belgische) scheidende ouders voor verblijfsco-ouderschap. Als de rechter de knoop moet doorhakken, is dat slechts in een kwart van de gevallen.

Verblijfsco-ouderschap is goed voor het welzijn van de ouders die ervoor kiezen en ertoe in staat zijn.

Maar voor de kinderen maakt het niet zoveel uit waar ze wonen. Belangrijker is of ze een goed contact behouden met de beide ouders. Dat is een van de opvallendste conclusies uit het grote Ipos-onderzoek naar de levenskwaliteit van gezinnen in scheiding. Het gaat om een samenwerking tussen meerdere universiteiten.

Een jaar lang, van maart 2008 tot maart 2009, hebben onderzoekers elke dag postgevat in de rechtbanken van Antwerpen, Gent, Mechelen en Kortrijk. Ze nodigden iedereen die voor een scheidingszaak kwam uit om mee te doen. Doel: achterhalen welke elementen de levenskwaliteit van mensen tijdens een scheiding verhogen of verlagen. 1.865 volwassenen deden mee en 175 van hun kinderen, tussen 11 en 17 jaar.

Vier op de tien kinderen zeggen dat ze beurtelings bij elk van de ouders gaan wonen en dat strookt ook met wat de ouders zeggen die zelf tot een overeenkomst komen. Ouders die het op dit punt niet eens geraken, laten de knoop doorhakken door de rechter. Die beslist in een kwart van de gevallen tot verblijfsco-ouderschap. De nieuwe echtscheidingswet van 2007 schuift dit gedeelde verblijf nochtans als ‘prioritair te onderzoeken' naar voren.

‘Het is goed dat magistraten de wet niet als “norm” hanteren en dat het hen niet tegenhoudt om op maat van de gezinnen te werken, want dat is belangrijk voor de levenskwaliteit', zegt de Gentse professor Ann Buysse, die het Ipos-onderzoek coördineert. Verblijfsco-ouderschap blijkt vooral aan te slaan waar weinig ouderlijk conflict leeft en bij bedienden. Minder bij arbeiders, en ook minder bij hogere kaderleden. Wellicht heeft dit ook te maken met de haalbaarheid en de praktische organisatie van het gedeelde verblijf.

Nog opvallend: ouders die midden in een scheidingsprocedure zitten, melden een eerder laag gevoel van welbevinden. Kinderen niet. Het overheersende gevoel bij hen is er een van opluchting. Al is het ook mogelijk dat alleen die kinderen meededen die zich niet bijzonder verdrietig of verward voelen.

Blz. 7 Ouderconflict erger dan scheiding zelf.

Veerle Beel

Ouderconflict is erger dan scheiding zelf

Bron: België - De Standaard - (vbr) - donderdag 25 maart 2010

GENT - Kinderen kunnen het best met de scheiding van hun ouders overweg als ze begrijpen waarom.

‘Voor ouders is het wellicht erger dat ze hun kinderen niet meer elke avond kunnen onderstoppen dan voor hun kinderen', zegt de Gentse professor Ann Buysse. ‘Niet waar en bij wie ze wonen, is voor hen het belangrijkste, maar de kwaliteit van de relaties die ze met hun beide ouders blijven hebben.'

Professor Buysse, die psychologe is, verdedigt die stelling al een tijdje, en ziet ze nu ook voorzichtig bevestigd in de eerste resultaten van het grote IPOS-scheidingsonderzoek.

‘Hoe beter de relatie met hun moeder én hun vader, hoe beter kinderen zich ook voelen', aldus Buysse.

‘Ze moeten het idee hebben dat ze altijd een beroep op hen kunnen doen. En ook dat er bij de beslissingen over de scheiding rekening wordt gehouden met wat voor hen belangrijk is. Een jongen wil blijven voetballen. Iemand anders wil naar de muziekles blijven gaan, of samen met opa piano blijven spelen. De vraag die telt, is: hebben mijn ouders gedacht aan wat voor mij belangrijk is om gelukkig te zijn? Tel ik nog mee?'

Over het algemeen boeten ouders tijdens het scheidingsproces meer aan levenskwaliteit in dan hun kinderen: ze zijn minder tevreden met hun leven op emotioneel, materieel, fysiek en relationeel gebied, en rapporteren een lagere productiviteit en maatschappelijke participatie. Wie in een echtscheiding door onderlinge toestemming (EOT) is verwikkeld, ervaart minder conflicten dan wie voor de rechter verschijnt in een procedure op grond van onherstelbare ontwrichting (EOO).

‘Voor kinderen is ouderlijk conflict altijd moeilijk', zegt Buysse. Ze plaatst wel een kanttekening: ‘Alle kinderen krijgen wel eens te maken met ouders die ruzie maken. Als het gaat om intens en frequent conflict, wordt het lastig voor hen. Maar als kinderen begrijpen wat er gebeurt en waarom hun ouders ruzie maken, kunnen ze er beter mee omgaan. Daarom moeten scheidingsdeskundigen ouders aanmoedigen om met hun kinderen over de scheiding te praten. Kinderen hebben recht op een duidelijke en correcte uitleg.'

Een op de vijf scheidende volwassenen gaat in bemiddeling, maar slechts een derde regelt ook alles via die bemiddeling. Er zijn aanwijzingen in het onderzoek dat bemiddeling een goed traject is voor kinderen, omdat ze minder ouderconflict meemaken. Voor de levenskwaliteit van de ouders maakt het niet uit.

Deskundigen, die ook massaal werden ondervraagd, zijn verdeeld over de zin van bemiddeling.

Justitieassistenten, die meestal met moeilijke scheidingen worden geconfronteerd, zijn er helemaal voorstander van dat scheidenden vanaf het begin naar bemiddeling worden gestuurd. Hulpverleners en bemiddelaars zijn veeleer akkoord. Magistraten en notarissen antwoorden neutraal. Advocaten gaan eerder niet akkoord.

Buysse stelt vast dat de scheidingsdeskundigen vooral op hun eigen terrein blijven. ‘Het zou niet slecht zijn als er meer werd samengewerkt. Ieder heeft zijn specialiteit en de context waarin mensen scheiden is complex.'

De resultaten van dit onderzoek worden vandaag voorgesteld in het Vlaams Parlement.

(vbr)