Posts tonen met het label België. Alle posts tonen
Posts tonen met het label België. Alle posts tonen

zaterdag, augustus 04, 2012

683. Nieuw Vlaams Vaderinstituut naar voorbeeld van Nederlands Vader Kennis Centrum

http://www.vaderinstituut.be
Oprichting Belgisch Vaderinstituut naar voorbeeld Nederlands Vader Kennis Centrum

Binnenkort zal door Olivier Vanhaelen, Jan van Baelen en Karel Lernout in België het nieuwe Belgische Vaderinstituut worden opgericht, naar het voorbeeld van het al langer succesvolle Nederlandse Vader Kennis Centrum. Initiatiefnemer en inspirator tot het Belgische Vaderinstituut is Jan van Baelen.

Hieronder de link naar een interview met de nieuwe voorzitter Olivier Vanhaelen van het Belgische Vaderinstituut in de Belgische krant De Morgen van afgelopen zaterdag 4 augustus 2012.

We wensen het Belgische Vaderinstituut en Olivier Vanhaelen, Jan van Baelen en Karel Lernout alle succes toe.

Peter Tromp
Voorzitter van het Vader Kennis Centrum (VKC)


Interview: Verblijfsregeling voor kinderen wordt vaak ongestraft overtreden
Bron: België, De Morgen, Binnenland, Lotte Beckers, Brussel, Zaterdag 4 augustus 2012

Olivier Vanhaelen trekt met het Vaderinstituut ten strijde tegen onrechtvaardige behandeling
Ouders die hun kinderen niet te zien krijgen omdat hun ex dwarsligt staan machteloos. De ex van Olivier Vanhaelen werd zelfs veroordeeld tot een gevangenisstraf: 'Maar uiteindelijk verandert er niets.' Met het Vadersinstituut wil Vanhaelen nu ouders bijstaan die in hetzelfde schuitje zitten. Vanhaelen: 'Uiteindelijk komt de boodschap van justitie hierop neer: hou je kind bij je, want al die vonnissen zijn niets waard.' Vanhaelen wil een strengere opvolging van de regels.

Lees het volledige artikel hier verder


maandag, juni 25, 2012

682. Opinieonderzoek - Een meerderheid van 69,5% van de Belgen is voorstander van verblijfsco-ouderschap

Een meerderheid van 69,5% van de Belgen is voorstander van verblijfsco-ouderschap

Bron: België - Le Soir - nc - Voorpagina (Pagina 1) – Vertaling uit Frans door P. Tromp - Maandag 25 juni 2012

Uit een representatief opinieonderzoek voor het Franstalige Belgische tijdschrift Filiatio, blijkt dat zeven op de tien Belgen voorstander is van verblijfsco-ouderschap of gelijk gedeeld verblijf van het kind in de huizen van beide gescheiden ouders. Deze vorm van zorgverdeling geniet voor de Belgen veruit de voorkeur boven die van het hoofdverblijf bij een van de ouders gecombineerd met een weekendverblijf per twee weken bij de andere ouder (15,2%) of de zgn. "5/9"-zorgverdeling, waarbij het kind na de scheiding vijf dagen bij de ene ouder en negen dagen bij de andere ouder verblijft (5,2%).

Een duidelijk verschil werd daarbij waargenomen tussen de beide taalgemeenschappen in België: Verblijfsco-ouderschap en gelijk gedeeld verblijf bij gezamenlijk gezag is populairder bij de Vlamingen (81,2%) dan bij de Franstaligen (54,5%). "De sociaal-economische factor moet hier een rol spelen”, analyseert prof. Yves-Henri Leleu, een specialist in familierecht van de Universiteit van Luik (ULg). “Verblijfsco-ouderschap of gelijk verdeeld verblijf is uiteraard duurder: er zijn twee huizen nodig, twee auto's, enz.. En de “noordelijke landen” zijn meer geëmancipeerd. Tot slot zijn er zeker ook meer gezinsondersteunende diensten (crèches, kinderdagverblijven, ...) beschikbaar aan de Vlaamse kant." 

Onze informatie P.7

Echtscheiding: Verblijfsco-ouderschap is populair in België
Bron: België - Le Soir - DORZEE, HUGH - Pagina 7 - Vertaling uit Frans door P. Tromp - Maandag 25 juni 2012

Gezinnen - Een representatief opinieonderzoek in opdracht van « Filiatio », bevestigt de populariteit van verblijfsco-ouderschap onder de Belgen

Wanneer een paar scheidt, wie draagt er dan de zorg voor de kinderen? Mama, of papa, of allebei? De overgrote meerderheid van de Belgen blijkt voorstander te zijn van een “gelijk verdeelde zorg en verblijf" (zgn. bilocatie of verblijfsco-ouderschap) van de kinderen bij beide ouders.

Volgens een onderzoek uitgevoerd door AEGIS / Deep Blue, in opdracht van het tijdschrift Filiatio (1), zijn bijna zeven op de tien respondenten (69, 5%) voorstander van een egalitaire accommodatie of verblijfsco-ouderschap.

Dit geniet voor de Belgen verre de voorkeur boven een zorgregeling met het hoofdverblijf van de kinderen bij een van de ouders gecombineerd met een weekendverblijf per twee weken bij de andere ouder of de zgn. "5/9"-zorgverdeling, waarbij het kind na de scheiding vijf dagen bij de ene ouder en negen dagen bij de andere ouder verblijft (5,2%).

Er is echter een duidelijk verschil tussen noord / zuid: het verblijfsco-ouderschap of de bilocatie van de kinderen na de scheiding is populairder bij de Vlamingen (81,2%) dan bij de Franstaligen (54,5%). De redenen? "De sociaal-economische factor moet hier een rol spelen”, analyseert prof. Yves-Henri Leleu, een specialist in familierecht van de Universiteit van Luik (ULg). “Verblijfsco-ouderschap of gelijk verdeeld verblijf is uiteraard duurder: er zijn twee huizen nodig, twee auto's, enz.. En de “noordelijke landen” zijn meer geëmancipeerd. Tot slot zijn er zeker ook meer gezinsondersteunende diensten (crèches, kinderdagverblijven, ...) beschikbaar aan de Vlaamse kant. "

Een mening die wordt gedeeld door de auteurs van het onderzoek: "Men ziet ook een grotere professionele betrokkenheid en inzet in het familierecht in Vlaanderen. En, omgekeerd, een grotere weerstand aan de Franse kant ", zegt Celine Lefèvre van het tijdschrift Filiatio.

Het vermijden van conflicten"
Hoe dan ook, de uitkomsten van dit onderzoek zijn verassend. Het bevestigt dat er sprake is van een evolutie van de mentaliteit in België en in het buitenland (Frankrijk, Spanje, Italië...). Een ontwikkeling die ingezet is met de invoering van een nieuw wettelijk kader waarin - met de invoering van de wet van 14 september 2006 - rechters worden aangemoedigd om "prioriteit" te geven aan het verblijfsco-ouderschap van de kinderen na de scheiding. Tenzij dit "waarneembaar in strijd is met de belangen van het kind."
Om tot zijn besluit te komen, houdt de rechter rekening met verschillende criteria (de geografische afstand tussen de beide ouders, "ernstige (niet-)beschikbaarheid" van een van de ouders, de leeftijd van het kind, gebrek aan inzet en belangstelling of verwaarlozing van de zorg door een ouder). "De Belgische wet schrijft geen veralgemenisering of vaste formule voor het verblijfsco-ouderschap voor, maar benadrukt juist het bereiken van een overeenkomst tussen de beide ouders en het voorkomen van geschillen. En als geen van de beide ouders het daarmee eens is, dan zal de rechter ook niet ambtshalve een vaste regeling op leggen, "zegt professor Leleu.

Maar de trend is er: het "gedeelde verblijf" of verblijfsco-ouderschap wordt geleidelijk aan geaccepteerd. Dit niettegenstaande dat deze zorgregeling zowel zijn voordelen heeft (gelijkmatig handhaven van de banden van het kind met beide ouders; bieden van vrijheid aan de beide ouders ...), alsook zijn nadelen (instabiliteit en verplaatsingen voor het kind, de verplichting tot het "doubleren" van verblijfsfaciliteiten en voorzieningen ...), zoals blijkt uit een studie van de Universiteit van Luik (Casman, 2010).

Ook ‘lijken’ de parttime ouders een typisch profiel te hebben: 30-40 jaar, in vaste loondienst, hooggeschoold, beschikkend over flexibele werktijden, enz.

En in de praktijk?
We beschikken niet over data om objectief te kunnen vaststellen wat nu de rol is van rechterlijke beslissingen in het voordeel van deze vorm van verblijfsco-ouderschap en gedeelde zorg.

"In het algemeen”, voegt Celine Lefevre toe, “lijkt het erop dat het verblijfsco-ouderschap of de egalitaire accommodatie van de kinderen na de scheiding bij beide ouders is ondervertegenwoordigd in rechterlijke uitspraken. Er is dus sprake van een discrepantie en spanning tussen wat mensen in België vinden en datgene wat door rechters wordt toegepast in de Belgische rechtspraktijk. "
"Elk geval is specifiek”, tempert Professor Leleu. “Verblijfsco-ouderschap is niet altijd van toepassing. In sommige gevallen is het contra-geïndiceerd (geografische afstand tussen de ouders, spanningen tussen de ouders ...). Bovendien, vergt het veel van de dialoog tussen de ex-echtgenoten (medische follow up, sportactiviteiten...) "

In het onderzoek van Filiatio wordt ook gekeken naar andere aspecten van het gezinsleven (mening van het kind, de rol van het recht, juridische en gerechtelijke achterstanden en vertragingen ...), met inbegrip van bemiddeling. En ook hier is de conclusie duidelijk: meer dan zes op de tien Belgen (64%) is voorstander van het “verplicht opleggen van een bemiddeling aan scheidende ouders."

(1) Dit onderzoek werd uitgevoerd middels een telefonische enquête in maart 2012 op basis van een representatieve steekproef van 500 mensen in de leeftijd 18-70 jaar, met een foutenmarge van 4,4%. (www.filiatio.be)

69,5%
Dit is het percentage Belgen dat voorstander is van verbijfsco-ouderschap of "gelijk gedeelde zorg en verblijf" van de kinderen na een scheiding. Met sterke verschillen tussen de Vlaamse (81,2%) en de Franse (54,5%) gemeenschappen.


Origineel artikel in het Frans:

zondag, april 22, 2012

Manifestatie van SOS PAPA België op 25 april 2012 in Brussel

(11:00 - 13:00 uur: Brusselse Jeugdrechtbank: Portalis gebouw, Vierarmenstraat 4, 1000 Brussel)


Ter gelegenheid van de zevende Internationale Bewustwordingsdag Oudervervreemding organiseert SOS Papa België op woensdagmorgen 25 April 2012 tussen 11:00 en 13:00 uur een manifestatie bij de Brusselse Jeugdrechtbank (Portalis gebouw, Vierarmenstraat 4, Rue des Quatre Bras, 4 – 1000 Brussel) om meer aandacht te vragen voor een effectieve aanpak van de affectieve en emotionele schade van scheidingen voor kinderen.

Zie voor meer informatie:

Nederlandse google vertaling:

Platform SOS-Papa, Brussel - Wallonië - Vlaanderen
http://translate.googleusercontent.com/translate_c?hl=fr&ie=UTF8&langpair=fr%7Cnl&rurl=translate.google.com&twu=1&u=http://sospapa.info/&usg=ALkJrhi9QYB5LofXta8gp93LZF9_z58_Fg

Manifestatie van SOS PAPA België op 25 april 2012 in Brussel
Een vader, recht dat niet gehandhaaft wordt en oudervervreemding die niet erkend wordt in België http://translate.google.nl/translate?sl=fr&tl=nl&js=n&prev=_t&hl=nl&ie=UTF-8&layout=2&eotf=1&u=http%3A%2F%2Fsos-papa.blogspot.com%2F2012%2F04%2Fmanifestation-du-25-avril-2012.html

Originele Franse bericht:

Plate-forme SOS papa, Bruxelles - Wallonie - Flandre
http://sospapa.info/

Manifestation du 25 avril 2012
Un papa, justice non appliquée et aliénation parentale non reconnue en Belgique, http://sos-papa.blogspot.com/2012/04/manifestation-du-25-avril-2012.html

dinsdag, november 23, 2010

643. Het Belgische verblijfsco-ouderschap in Vlaanderen geëvalueerd vanuit de ouders en de emancipatiebijdrage (gelijke kansen)

Het verblijfsco-ouderschap geëvalueerd
Bron: Gazet van Antwerpen - 23/11/'10

23 NOVEMBER 2010 - De kindrekening moet verplicht worden. En er moet een regeling komen voor de domiciliëring van kinderen van gescheiden ouders die nu eens bij de ene ouder en dan weer bij de andere ouder verblijven. Dat leert de eerste studie over het verblijfsco-ouderschap. Het gaat om een studie van Marcia Poelman en Marie Kruyfhooft, die vandaag in Antwerpen werd voorgesteld aan het Steunpunt Gelijke Kansenbeleid. Ze belicht het verblijfsco-ouderschap vanuit de visie van de gelijkheid van mannen en vrouwen, niet vanuit het perspectief van de kinderen. Een overzicht.

WAT IS VERBLIJFSCO-OUDERSCHAP?
Op 3 juni 1995 werd het gezagsco-ouderschap ingevoerd. Die wet bepaalt dat beide gescheiden ouders evenveel gezag hebben over hun kinderen, ongeacht waar die kinderen verblijven. Door de wet van 18 juli 2006 werd daar het verblijfsco-ouderschap aan toegevoegd. Die maakt het mogelijk dat de kinderen van gescheiden ouders nu eens bij de vader en dan weer bij de moeder verblijven. Dat kon eigenlijk al, maar in 2006 werd het wettelijk geregeld en werd het verblijfsco-ouderschap als model opgelegd. De rechter kan er slechts op gemotiveerde wijze van afwijken in bepaalde gevallen (bv. als de ouders te ver uit elkaar wonen of als geen enkel overleg meer mogelijk is e.d.). Gezagsco-ouderschap en verblijfsco-ouderschap vallen niet noodzakelijk samen.

De onderzoekers trokken een toevalssteekproef van 766 mensen, die ofwel in 2002 gescheiden zijn en ofwel na 2006. Door deze twee tijdsperiodes wilden ze de gevolgen van de wet meten. Het gaat om dossiers van gescheidenen met kinderen bij de rechtbanken van Gent, Hasselt en Turnhout. Daarnaast werden experten ondervraagd.

De problematiek werd bekeken vanuit de verschillen tussen de geslachten. De gevolgen van het verblijfsco-ouderschap voor de kinderen werd niet bestudeerd. Dat gebeurt later nog. Vorige week ontstond enige opwinding over het "co-schoolschap", waarbij de kinderen om de week in een andere school werden ingeschreven. Het Vlaams Kinderrechtencommissariaat ontving hierover vorig jaar een drietal klachten en was flink tegen dit systeem omdat deze voortdurende pendel tussen scholen, niet in het belang is van de kinderen. (Zie voor zijn visie: hier.)

WAT STELT DE STUDIE VAST?
Wat blijkt uit de studie?
* 80,6% van de echtscheidingen uit de steekproef werden uitgesproken met onderlinge toestemming. De nieuwe echtscheidingsvorm (EOO, echtscheiding door onherstelbare ontwrichting, nvdr) tekent slechts voor 7,5% van de gevallen. 56,6% van de gescheidenen is minder dan vijf jaar uit elkaar, maar 7,5% al meer dan 11 jaar.
* Vooraleer de wet op het verblijfsco-ouderschap van kracht werd, legde de rechter in 12,7% van de gevallen een gelijkmatig verdeeld verblijf op. Na de wetswijziging in 14,6% van de gevallen. De wet van 2006 leidde dus tot een zeer kleine toename.
* De leeftijd van de kinderen speelt geen rol. In het buitenland komt verblijfsco-ouderschap minder voor als de kinderen zeer jong zijn of als het om adolescenten gaat. In Vlaanderen is er blijkbaar geen verschil. Wél is de leeftijd één van de belangrijkste redenen om een verblijfsco-ouderschap dat gestart is weer stop te zetten.
* Ouders die verblijfsco-ouderschap toepassen zijn jonger en recenter gescheiden.
* De kinderen worden nog erg vaak bij de moeder gedomicilieerd: in 69,9% van de gevallen. Dit is niet onbelangrijk omdat domiciliëring allerlei financiële en fiscale gevolgen heeft.
* De ouders hanteren meestal een week-om-week-ritme (83,7%), waarbij de kinderen om de week van de ene woning naar de andere verhuizen. Dan volgt een veertiendaags ritme (3,8%). Maar een kwart van de ouders die deze week/week-wissel hanteren komt de afspraken in de praktijk niet na.
* Grote afstanden tussen de woningen van beide ouders komen zelden voor: 47,6% van de ouders woont op minder dan 5 kilometer van elkaar, maar toch woont 6,7% op een afstand tussen 20 en 30 kilometer en 2,4% op een afstand van meer dan 30 kilometer. De grote afstand is een van de oorzaken om het verblijfsco-ouderschap weer stop te zetten.
* In 15% van de gevallen was de opgestarte regeling alweer gestopt op het moment van het onderzoek, doorgaans op vraag van de kinderen.
* De moeder blijkt nog altijd meer bij te dragen in de kosten van de opvoeding dan de vader. Dat geldt vooral voor de medische kosten, de kosten voor de school en die voor vrije tijd. Als reden zien de onderzoekers dat de rollenpatronen die tijdens het huwelijk bestonden, voortgaan na de scheiding. De moeder gaat makkelijker met de kinderen naar de tandarts dan de vader en ze koopt ook eerder schoolgerief en kledij. Een gezamenlijke kindrekening, waarop de kinderbijslag moet worden gestort, verkleint de kans op een ongelijke verdeling van de kosten.
* Gelijk verdeeld co-ouderschap leidt er toe dat de alimentatie correcter wordt betaald.
* 94,4% van de vrouwen in verblijfsco-ouderschap werkt. Van de vrouwen die de kinderen permanent bij zich hebben werkt 83,7% en als de kinderen permanent bij de vader zijn werkt nog slechts 57,1% van de moeders. Bij de mannen is er geen verschil al naargelang de verblijfsregeling die ze voor hun kinderen hebben.
* Eerder onderzoek toonde aan dat bedienden en middenkaders oververtegenwoordigd zijn in het verblijfsco-ouderschap. Maar in dit onderzoek werden geen verschillen gevonden naar het soort job.
Hoe meer autonomie de ouders hebben om hun werktijd zelf in te delen, hoe meer kans op een verblijfsco-ouderschap.
Slechts 7,7% van de mannen zegt dat ze meer uren gaan werken door het verblijfsco-ouderschap. Bij de vrouwen ligt dat cijfer drie keer zo hoog (27,5%). In totaal werken 68,2% van de mannen evenveel voor de toepassing van het verblijfsco-ouderschap als erna. Bij de vrouwen is dat slechts 51,9%.
De aard van de verblijfsregeling heeft weinig effecten op de loopbaan van hun ouders, zo besluiten de onderzoekers. De ongelijkheden die al voor de scheiding bestonden zetten zich door na de scheiding. De beroepsstatus van voor de scheiding trekt zich door na de scheiding.
* Minder dan de helft van de verblijfsco-ouders zegt dat ze alleen instaan voor de opvang van de kinderen als die bij hen gehuisvest zijn. Als iemand anders de kinderen opvangt zijn dat meestal de grootouders (20,9%).
* 35,4% van de gescheiden ouders heeft op het moment van het onderzoek een nieuwe partner. Bij gelijkmatig verblijf van de kinderen bij beide ouders is er terzake nauwelijks verschil tussen mannen en vrouwen. Maar vooral voor vrouwen is "herpartneren" een goede strategie om inkomensverlies te voorkomen. Dit heeft echter niets met het verblijfsco-ouderschap te maken.
* De gescheiden ouders ruziën over de kinderen, maar die geschillen hangen niet samen met de aard van de verblijfsregeling van de kinderen. De leeftijd van de kinderen speelt wel een rol: hoe ouder het jongste kind, hoe minder conflict inzake zijn opvoeding.

WAT WILLEN DE CO-OUDERS?
De verblijfsco-ouders mochten ook zelf voorstellen formuleren. Wat zijn de belangrijkste?
* Ze pleiten voor een dubbele domiciliëring, zodat de voordelen die uit domiciliëring voortvloeien altijd kunnen spelen. Die voordelen zijn bv. kortingen bij verenigingen, bij het berekenen van het kadastraal inkomen en ook om voordelen bij het toekennen van premies.
* Ze willen dat de kindrekening verplicht wordt omdat zo de kosten gelijkmatiger kunnen worden verdeeld. Nu kan de rechter een kindrekening opleggen, maar hij moet het niet.
* Ze pleiten ook voor inspraak van de kinderen vanaf een bepaalde leeftijd bij het bepalen van de verblijfsregeling. Die inspraak bestaat reeds, maar gaat niet ver genoeg, zo menen de ouders.
* Er zijn te weinig opvangmogelijkheden.
* Afspraken over de kinderen niet naleven moet beter gecontroleerd worden én de procedure moet efficiënter.

WAT VINDEN DE ONDERZOEKSTERS?
Zij volgen de ouders op bepaalde punten. Zo zijn ze ook voorstander van meer kinderopvang, omdat ouders die in ploegen werken zonder extra opvang geen verblijfsco-ouderschap kunnen toepassen. Bovendien zijn ze ervoor gewonnen om de kindrekening automatisch op te leggen.

Ze willen verder dat de ouders duidelijk en helder geïnformeerd worden over de financiële en fiscale gevolgen van de verblijfsregeling. Ze pleiten verder voor psycho-sociale begeleiding van de ouders na de scheiding.

Net zoals een minderheid van de ouders willen ze dat de verblijfs- en kostenregeling op vaste momenten wordt geëvalueerd. Nu moet een ouder die boos is omdat de andere ouder zich niet aan de afspraken houdt, zelf naar de rechter stappen en dat is geen goede zaak.

In tegenstelling tot de ouders zijn de onderzoekers geen echte voorstanders van een dubbele domiciliëring, omdat dit een enorme belasting voor de overheidsadministratie kan worden. Heel wat procedures (het opstellen van de kieslijsten en allerlei subsidiereglementen bv.) vertrekken van één unieke domicilie. Dubbele domiciliëring kan tot nieuwe vormen van fraude leiden. De onderzoekers willen integendeel dat alle voordelen die uit domiciliëring voortvloeien worden opgelijst en dan ook toegekend bij verblijfsco-ouderschap, zonder dat de wet op de domiciliëring moet worden veranderd.

Lees ook:

vrijdag, maart 26, 2010

461. Belgische scheidende ouders kiezen in 4 op 10 gevallen voor verblijfsco-ouderschap sinds invoering van wet op beurtelingse huisvesting (bilocatie) in 2006

Vier op de tien kiezen co-verblijf

Bron: België - De Standaard - Van onze redactrice Veerle Beel - donderdag 25 maart 2010

GENT - In vier op de tien gevallen kiezen (Belgische) scheidende ouders voor verblijfsco-ouderschap. Als de rechter de knoop moet doorhakken, is dat slechts in een kwart van de gevallen.

Verblijfsco-ouderschap is goed voor het welzijn van de ouders die ervoor kiezen en ertoe in staat zijn.

Maar voor de kinderen maakt het niet zoveel uit waar ze wonen. Belangrijker is of ze een goed contact behouden met de beide ouders. Dat is een van de opvallendste conclusies uit het grote Ipos-onderzoek naar de levenskwaliteit van gezinnen in scheiding. Het gaat om een samenwerking tussen meerdere universiteiten.

Een jaar lang, van maart 2008 tot maart 2009, hebben onderzoekers elke dag postgevat in de rechtbanken van Antwerpen, Gent, Mechelen en Kortrijk. Ze nodigden iedereen die voor een scheidingszaak kwam uit om mee te doen. Doel: achterhalen welke elementen de levenskwaliteit van mensen tijdens een scheiding verhogen of verlagen. 1.865 volwassenen deden mee en 175 van hun kinderen, tussen 11 en 17 jaar.

Vier op de tien kinderen zeggen dat ze beurtelings bij elk van de ouders gaan wonen en dat strookt ook met wat de ouders zeggen die zelf tot een overeenkomst komen. Ouders die het op dit punt niet eens geraken, laten de knoop doorhakken door de rechter. Die beslist in een kwart van de gevallen tot verblijfsco-ouderschap. De nieuwe echtscheidingswet van 2007 schuift dit gedeelde verblijf nochtans als ‘prioritair te onderzoeken' naar voren.

‘Het is goed dat magistraten de wet niet als “norm” hanteren en dat het hen niet tegenhoudt om op maat van de gezinnen te werken, want dat is belangrijk voor de levenskwaliteit', zegt de Gentse professor Ann Buysse, die het Ipos-onderzoek coördineert. Verblijfsco-ouderschap blijkt vooral aan te slaan waar weinig ouderlijk conflict leeft en bij bedienden. Minder bij arbeiders, en ook minder bij hogere kaderleden. Wellicht heeft dit ook te maken met de haalbaarheid en de praktische organisatie van het gedeelde verblijf.

Nog opvallend: ouders die midden in een scheidingsprocedure zitten, melden een eerder laag gevoel van welbevinden. Kinderen niet. Het overheersende gevoel bij hen is er een van opluchting. Al is het ook mogelijk dat alleen die kinderen meededen die zich niet bijzonder verdrietig of verward voelen.

Blz. 7 Ouderconflict erger dan scheiding zelf.

Veerle Beel

Ouderconflict is erger dan scheiding zelf

Bron: België - De Standaard - (vbr) - donderdag 25 maart 2010

GENT - Kinderen kunnen het best met de scheiding van hun ouders overweg als ze begrijpen waarom.

‘Voor ouders is het wellicht erger dat ze hun kinderen niet meer elke avond kunnen onderstoppen dan voor hun kinderen', zegt de Gentse professor Ann Buysse. ‘Niet waar en bij wie ze wonen, is voor hen het belangrijkste, maar de kwaliteit van de relaties die ze met hun beide ouders blijven hebben.'

Professor Buysse, die psychologe is, verdedigt die stelling al een tijdje, en ziet ze nu ook voorzichtig bevestigd in de eerste resultaten van het grote IPOS-scheidingsonderzoek.

‘Hoe beter de relatie met hun moeder én hun vader, hoe beter kinderen zich ook voelen', aldus Buysse.

‘Ze moeten het idee hebben dat ze altijd een beroep op hen kunnen doen. En ook dat er bij de beslissingen over de scheiding rekening wordt gehouden met wat voor hen belangrijk is. Een jongen wil blijven voetballen. Iemand anders wil naar de muziekles blijven gaan, of samen met opa piano blijven spelen. De vraag die telt, is: hebben mijn ouders gedacht aan wat voor mij belangrijk is om gelukkig te zijn? Tel ik nog mee?'

Over het algemeen boeten ouders tijdens het scheidingsproces meer aan levenskwaliteit in dan hun kinderen: ze zijn minder tevreden met hun leven op emotioneel, materieel, fysiek en relationeel gebied, en rapporteren een lagere productiviteit en maatschappelijke participatie. Wie in een echtscheiding door onderlinge toestemming (EOT) is verwikkeld, ervaart minder conflicten dan wie voor de rechter verschijnt in een procedure op grond van onherstelbare ontwrichting (EOO).

‘Voor kinderen is ouderlijk conflict altijd moeilijk', zegt Buysse. Ze plaatst wel een kanttekening: ‘Alle kinderen krijgen wel eens te maken met ouders die ruzie maken. Als het gaat om intens en frequent conflict, wordt het lastig voor hen. Maar als kinderen begrijpen wat er gebeurt en waarom hun ouders ruzie maken, kunnen ze er beter mee omgaan. Daarom moeten scheidingsdeskundigen ouders aanmoedigen om met hun kinderen over de scheiding te praten. Kinderen hebben recht op een duidelijke en correcte uitleg.'

Een op de vijf scheidende volwassenen gaat in bemiddeling, maar slechts een derde regelt ook alles via die bemiddeling. Er zijn aanwijzingen in het onderzoek dat bemiddeling een goed traject is voor kinderen, omdat ze minder ouderconflict meemaken. Voor de levenskwaliteit van de ouders maakt het niet uit.

Deskundigen, die ook massaal werden ondervraagd, zijn verdeeld over de zin van bemiddeling.

Justitieassistenten, die meestal met moeilijke scheidingen worden geconfronteerd, zijn er helemaal voorstander van dat scheidenden vanaf het begin naar bemiddeling worden gestuurd. Hulpverleners en bemiddelaars zijn veeleer akkoord. Magistraten en notarissen antwoorden neutraal. Advocaten gaan eerder niet akkoord.

Buysse stelt vast dat de scheidingsdeskundigen vooral op hun eigen terrein blijven. ‘Het zou niet slecht zijn als er meer werd samengewerkt. Ieder heeft zijn specialiteit en de context waarin mensen scheiden is complex.'

De resultaten van dit onderzoek worden vandaag voorgesteld in het Vlaams Parlement.

(vbr)

zaterdag, maart 07, 2009

289. Een prachtvader - De verhuizing van vader Deon van Moorsel en dochter Tessa voor de Nederlandse jeugdzorg naar België

Commentaar vooraf: Vaderkenniscentrum steunt vader Deon van Moorsel in zijn gemaakte keuze als vader om te verhuizen naar België, gezien het laakbare en vaderexclusieve handelen door Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant in zijn zaak. Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant had vanaf de start met voorkeur dienen te overwegen om zijn dochter bij vader te plaatsen i.p.v. in een - Jeugdzorg meer geld en omzet opleverend - pleeggezin. Dat Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant een plaatsing bij vader niet met voorkeur heeft overwogen en in plaats daarvan de voorkeur gegeven heeft aan een pleegzorgplaatsing, maakt deze instelling ongeschikt voor jeugdzorg.

Vader Deon van Moorsel verhuisde, samen met zijn dochter Tessa, vorig jaar zomer naar België om een uithuisplaatsing van Tessa te voorkomen. Deon en zijn vrouw zijn niet meer bij elkaar en tot voor kort woonde Tessa nog gewoon bij haar moeder in Nederland. Maar als haar moeder in een psychose raakt en daarna depressief wordt, ontstaan er problemen. De Kinderbescherming maakt zich ernstige zorgen over Tessa's welzijn en wil daarover in gesprek met haar vader. Maar dan blijkt dat ze Tessa een jaar uit huis in een pleeggezin willen plaatsen i.p.v. bij haar vader en dat het contact tussen ouders en dochter geminimaliseerd moet worden tot een uurtje per week om Tessa van haar ouders te vervreemden en te laten hechten aan deze pleegouders. Dat wil vader Deon niet laten gebeuren en met toestemming van moeder besluit hij samen met dochter Tessa naar België te verhuizen. Maar dat is nog niet zo eenvoudig, want inmiddels hebben kinderbescherming en jeugdzorg Tessa al zonder toestemming van de ouders of de rechter aan de zorg en het gezag van moeder "onttrokken" (een strafbare handeling, Wetboek van Strafrecht, Art. 279), haar ontvoerd en in een tijdelijk pleeggezin ondergebracht ... Zie verder: EO Netwerk TV, 5 maart 2009 Gerelateerde artikelen:

  • Gezinnen vluchten naar België voor Nederlandse jeugdzorg - De vlucht van Deon en Tessa naar België (Misstanden bij Bureaus Jeugdzorg: Nr. 10)
  • Justitie trekt dagvaarding op basis van gefabriceerde aangifte van Bureau Jeugdzorg Eindhoven tegen kritische Eindhovense advocaat Mr. van Ruth in (Vaderkenniscentrum - VKC Nr. 67)
  • Presentatie over de misstanden in de jeugdzorg door de Eindhovense advocaat Mr. van Ruth op de op 20 september 2008 gehouden conferentie “Problematiek in de jeugdzorg, zorg en het falen van het recht” van het Platform Rechtsorde Herstel i.s.m. Dmitri, patiëntenorganisatie voor onbedoelde schade (JeugdzorgTV)
Meer over Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant: Onderzoek naar fraude bij Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant Zoals een opmerkzame Joep Zander in zijn bijdrage "grwrr" (Zie « Joep Zander weblog - 8 maart 2009) op zijn weblog daarbij onmiddelijk vast stelde is het Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant dat deze zaak aanhangig maakte en afkeurend sprak over de keuzes van ouders om naar België te verhuizen, hetzelfde Bureau Jeugdzorg dat een dag later landelijk in het nieuws kwam met het volgende fraudebericht "Onderzoek naar fraude bij Jeugdzorg Noord-Brabant" (Zie « Volkskrant - Binnenland - 06 maart 2009).

vrijdag, september 05, 2008

142. België - Brussel - Woensdagmiddag 10 september a.s - Actie schoenen


Persbericht

Ouderlijke ontvoeringen :
ACTIE SCHOENEN


voor het Belgische Kabinet van de heer Melchior Wathelet te Brussel
woensdag 10 september 2008


In mei ontmoetten leden van de vereniging S.O.S. Rapts Parentaux de recent aangestelde Staatssecretaris voor Gezinsbeleid, de heer Melchior Wathelet. Zij hebben toen herinnerd aan het droevige lot van de kinderen die het slachtoffer werden van ouderlijke ontvoeringen, maar ook aan het gebrekkig functioneren van het Federaal Contactpunt en de aanverwante administraties.

Behalve een bericht van juni dat aan de ouders van de vereniging meedeelde dat de heer Wathelet op dat ogenblik bezig was met de verdeling van de taken in de schoot van zijn administratie… HEBBEN WE NIETS MEER GEHOORD! Daarbuiten kregen we kennis van nieuwe bewijzen die zich opstapelen van de voorgekomen problemen met het Staatssecretariaat voor Gezinsbeleid en het Federaal Contactpunt.

De ouders hebben daarom besloten het geheugen van de heer Wathelet op te frissen en hem te tonen dat onze dossiers ter plaatse aan het trappelen zijn!

Daarom zullen wij, ouders van de vereniging, honderden paren schoenen neerleggen op de trappen van zijn kabinet en die symboliseren dan de kinderen die slachtoffer zijn van een ouderlijke ontvoering.


Wanneer? Woensdag 10 september 2008 te 14 u.
Waar? Voor het Kabinet van de heer Melchior Wathelet
Wetstraat 51 – 1000 Brussel


Na de techniek van de « kleine pasjes » van Mevrouw Onkelinx, zouden we misschien kunnen overgaan naar een « korte draf », om enkele kilometers vlugger op te schieten in de meanders van Justitie

De ouders van de vereniging vragen dan ook aan de heer Wathelet om een gemengde werkgroep in te stellen met inbegrip van “SOS Rapts Parentaux”, die belast wordt voor Kerstmis een rapport over te maken aan de Staatssecretaris voor Gezinsbeleid, een werk dat een stand van zaken weergeeft van wat er reeds gedaan werd inzake ouderlijke ontvoeringen en met voorstellen voor verbeteringen voor een doeltreffend functioneren.

Voor uitvoeriger inlichtingen, contacteer:
Madame Kouhmane Sultana :
02/763 23 17 – GSM : 0494/41 54 84
e-mail: sosraptsparentaux@hotmail.com


donderdag, augustus 21, 2008

137. Vlaanderen - Vechtscheiding eindigt in cel - Elk jaar 20.000 klachten over bezoekrecht

Vechtscheiding eindigt in cel
De Standaard Online - Van onze redacteur - Dajo Hermans - Bekijk de pagina uit de krant - donderdag 21 augustus 2008


Guy Laureys: 'Mijn kinderen zien mij niet meer graag.'
Walter Saenen © Walter Saenen

ANTWERPEN - De Antwerpse strafrechter velde zopas een bijzonder vonnis: hij veroordeelde een vrouw tot één jaar effectieve celstraf omdat ze haar ex-man vier jaar lang verhinderde om contact te hebben met hun twee kinderen.

Dat een moeder of vader veroordeeld wordt omdat het omgangsrecht niet gerespecteerd wordt, gebeurt wel vaker in ons land. Maar dat een rechter mama of papa naar de cel stuurt, mag in dit soort zaken gerust uitzonderlijk genoemd worden. De rechtbank stelde dat Guy Laureys (38) uit Kruibeke jarenlang psychisch werd mishandeld.

'Ik ben dan ook getekend voor het leven', zegt Laureys, die zijn kinderen in vier jaar tijd elf keer te zien kreeg. 'Echt alles heb ik geprobeerd: van pure goedhartigheid tot gerechtelijke stappen. Intussen heeft ze zelfs 23.000 euro aan dwangsommen moeten betalen. Maar niets hielp.'

Het is nu zeventien jaar geleden dat Laureys met de liefde van zijn leven trouwde. Het stel kreeg twee kinderen: een zoon, Sven, die nu 14 is, en een dochter, Lien, nu 12. Na dertien jaar was het sprookje uit. 'Ik hield nog van haar, maar samenleven was onmogelijk geworden', zegt Laureys. 'De laatste ochtend dat ik alleen bij hen was, hebben we samen leuke foto's gemaakt. Ik wilde er een onvergetelijk moment van maken. Je weet maar nooit, dacht ik toen onbewust.'

Het kwam inderdaad tot een vechtscheiding. Met als pijnlijke inzet: de kinderen. 'Ik kon al vrij snel omgangsrecht verkrijgen, maar in de praktijk kreeg ik mijn kinderen bijna nooit te zien. En daar zijn in de eerste plaats de kinderen zelf het slachtoffer van geworden. Zelfs de rechter kon het op den duur niet meer aanzien en heeft hen dan in een instelling geplaatst. Dat het zover moest komen. Onbegrijpelijk.'

'Ik ben altijd papa gebleven, maar na een tijd herkende ik mijn eigen kinderen niet meer. En ik garandeer je: zoiets doet pijn. Ze waren volledig gebrainwasht. Het was altijd hetzelfde: papa wilde mama in de cel laten stoppen, papa zorgde ervoor dat ze droge boterhammen moesten eten, en papa wilde niet bijleggen voor de skivakanties. De keren dat ik mijn kinderen gezien heb, kon ik zoveel uitleggen als ik wilde: ze wisten niet meer wat ze moesten geloven en gingen soms gewoon lopen.'

'Ik was de grote boeman, terwijl ik er verdorie alles voor over had om hen ook maar even te kunnen zien. Hoe hard het ook was, al die jaren ben ik ze verjaardagskaarten blijven sturen. Maar elke keer werden ze verscheurd teruggestuurd. En dan zat er steevast een briefje bij met het opschrift: “Veel puzzelplezier,. Daar ga je kapot aan.'

Na vier jaar procederen is nu ook voor de Antwerpse strafrechter de maat vol: de moeder kreeg één jaar effectief voor 'psychische en morele mishandeling'. De voortdurende stokerijen tegen hun vader zouden ervoor gezorgd hebben dat hij in de ogen van zijn kinderen uitgroeide tot een harteloos, afschuwelijk persoon met wie ze nog maar nauwelijks contact willen.

'Ik zou blij moeten zijn, maar ik durf niet meer', zegt Laureys. 'Hoe je het ook draait of keert: na die immense strijd én zelfs na deze gerechtelijke uitspraak, sta ik in feite nog geen stap verder. Als ik op tv een vader met zijn kinderen zie dollen, begin ik al te janken. Mijn kinderen zien mij niet meer graag. Erger kan een mens niet overkomen.'

Dajo Hermans


Elk jaar 20.000 klachten over bezoekrecht
De Standaard Online - Bekijk de pagina uit de krant - donderdag 21 augustus 2008

BRUSSEL - Jaarlijks behandelen de parketten zo'n 20.000 klachten over inbreuken op het bezoekrecht.

De Antwerpse strafrechter veroordeelde zopas een vrouw tot één jaar effectieve celstraf omdat ze haar ex-man vier jaar lang verhinderde om contact te hebben met hun twee kinderen.

Hoewel geregeld strenge straffen worden uitgesproken voor het niet naleven van de verblijfsregeling, ligt het aantal inbreuken toch bijzonder hoog.

Vorig jaar behandelden de parketten 19.341 klachten in verband met inbreuken op de verblijfsregeling. In 2006 waren dat er 19.800, in 2005 ging het om 22.219 klachten. In heel wat gevallen gaat het om een van de ouders die weigert het kind af te geven aan de ex-partner.

'Telkens is het slachtoffer het kind', zegt kinderrechtencommissaris Ankie Vandekerckhove. Daarom pleit het Kinderrechtencommissariaat nu voor het verplicht inschakelen van een bemiddelaar.

'In Noorwegen is dat nu al het geval. Ouders met kinderen tot 15 jaar zijn daar verplicht om naar een bemiddelaar te stappen, vooraleer ze kunnen scheiden. Waarom kan dat bij ons niet? Een bemiddelaar biedt geen garantie op succes, maar het kan wel een extreme vechtscheiding voorkomen.'

Luc Arron, de voorzitter van Steunpunt Blijvend Ouderschap, meent dat de gerechtelijke instanties dikwijls nog te laks optreden, waardoor in veel gevallen de situatie escaleert.

'Wij krijgen hier wekelijks ouders over de vloer die al jarenlang vechten om hun kinderen te kunnen zien', aldus Arron. 'Maar telkens opnieuw botsen ze op een muur.'

Jaarlijks worden in ons land ruim 30.000 huwelijken ontbonden. Naar schatting maken elk jaar zo'n 35.000 minderjarigen een scheiding van hun ouders mee. (dhh)


Nadere toelichting bij de cijfers uit bovenstaand artikel:

Naar mededeling van F4J België gaat het bij de meldingen aan het Belgische parket om een drietal zgn. “misdrijven tegen de familie” (naar de terminologie uit de statistieken van het Vlaamse College van de Procureur-Generaal):

  • 85 % (optellend tot de voornoemde 20.000 meldingen per jaar) betreft meldingen inzake het niet afgeven van kinderen (c.q. het niet nakomen van het omgangsrecht en/of de regeling voor gedeeld ouderschap, beurtelingse huisvesting of bilocatie
  • 12,5 % betreft meldingen van familieverlating (c.q. het niet betalen van onderhoud)
  • en 2,5 % betreft meldingen van kindermishandeling
Peter Tromp
Vaderkenniscentrum
Zie daartoe verder ook de website van F4J België:
Onpartijdigheid gewaarborgd door de discriminerende
Bron: www.f4j.be - 26 - 07 - 2006

De onafhankelijke onpartijdige rechter wordt als één van de peilers voor een democratie aanzien. Vooringenomen rechters zorgen nu eenmaal voor oneerlijke processen. Als de vereiste van onafhankelijkheid en onpartijdigheid in het gedrang komt, dan zou er bijzonder streng moeten worden geoordeeld. Vooreerst moeten de rechterlijke organisatie en de rechtspleging zo zijn gestructureerd dat er in hoofde van de rechtzoekenden geen twijfel omtrent de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke instantie kan rijzen. Als de onpartijdigheid gewaarborgd wordt door de discriminerende zal dit wegen op het vertrouwen van de burger in onze magistratuur.

Justice must not only be done, it must also be seen to be done.
Men moet al vooringenomen en van kwade wil zijn mocht men twijfelen aan het gender-neutrale karakter van de uitspraken van onze rechters bij misdrijven tegen de familie.

Twee voorbeelden van misdrijven tegen de familie zijn het niet betalen van onderhoudsgelden voor de kinderen (in juridische taal "familieverlating") en het niet afgeven van de kinderen aan een ouder die nochtans wel het recht heeft op persoonlijk contact met die kinderen. Bij analyse van deze misdrijven stellen we vast dat er jaarlijks ongeveer 17000 klachten binnenstromen bij het Parket wegens het niet afgeven van de kinderen en een goede 5000 klachten omdat het onderhoudsgeld voor de kinderen niet of laattijdig betaald wordt. Uit de meest recente cijfers met betrekking tot het niet, of laattijdig betalen van onderhoudsgeld voor de kinderen kan men vaststellen dat er gemiddeld 516 veroordelingen zijn, waarbij het in 26 gevallen om vrouwen gaat. In 103 van deze 516 vonnissen of arresten wordt het voordeel van opschorting van straf uitgesproken. Dat betekent dat de strafrechtbank elk jaar gemiddeld 413 effectieve veroordelingen uitspreekt wegens het niet of laattijdig betalen van de onderhoudsgelden voor de kinderen. Trekken we deze cijfers uiteen op basis van het geslacht van de veroordeelde, dan zien we dat hiervoor jaarlijks 398 vaders en 15 moeders effectief worden veroordeeld.

Misdrijven tegen de familie
Men kan de klachten tegen de familie opdelen in 3 groepen namelijk, kindermishandeling/verwaarlozing (2,5%), familieverlating (12,5%) en niet afgeven van kinderen (85% of ongeveer 17000 klachten). Van de ongeveer 17000 klachten wegens het niet afgeven van kinderen worden er jaarlijks gemiddeld 113 veroordelingen uitgesproken door de strafrechter. Hiervan zijn 71 personen of 63% van het vrouwelijk geslacht.

Kenschetsend hierbij is wel dat, van deze veroordeelden, 23 mannen en 73 vrouwen elk jaar van de gunst van opschorting van straf genieten. 96 van de 113 veroordeelden wegens het achterhouden van de kinderen krijgen dus opschorting van straf. Rest nog iets mee te delen over de jaarlijks gemiddeld 17 effectief veroordeelden wegens het achterhouden van kinderen. De verhouding tussen mannen en vrouwen bedroeg in 2001 en 2002 vijftien tegen twee. Vijftien effectief veroordeelde vaders tegenover twee moeders wel te verstaan.

Twee ogen
Effectief wordt in België normaliter pas effectief als de veroordeling meer dan 6 maanden gevangenisstraf bedraagt. Als gerechtigheid moet gezien worden, kan je je eens afvragen of je meer ogen hebt, dan je gevallen kent waarbij een moeder meer dan 14 dagen in de cel heeft gezeten wegens het achterhouden van de kinderen. Specialisten zijn het het er allemaal over eens dat men snel moet handelen in plaats van jarenlange procedures voeren die tot niets leiden. Justitie moet de complexe en delicate materie anders aanpakken. De 17000 klachten per jaar wegens het niet afgeven van de kinderen en de enorme berg leed die erachter schuil gaat zal men adequaat moeten aanpakken en men zal snel moeten leren handelen. Pas als de parketmagistraat van dienst in het weekend met zijn fax in de buurt zal beslissen over arrestatie en de rechters de hoofdverblijfplaats van de kinderen daadwerkelijk wisselen van weerbarstige en onwillige ouders, omdat de gerechtelijke uitspraak niet gerespecteerd werden, zal de klachtenberg wegens het achterhouden van de kinderen dalen. Misschien wordt de magistraat dan zoals deze hoort te zijn en dat is gender-neutraal.


Eén jaar cel voor 'psychische moord' op papa

bron: www.pagia.be

ANTWERPEN - OM: "Een moeder van twee kinderen naar de cel sturen is niet sympathiek"

De Antwerpse strafrechter veroordeelde vrijdag Christel M. (38) uit Zwijndrecht tot een effectieve celstraf van één jaar voor de "psychische moord" op haar ex. Het resultaat van een schrijnende vechtscheiding is dat twee dochters van (intussen 12 en 14) dienden geplaatst en van daaruit met de taxi naar school gebracht worden. Openbaar aanklager Bart De Smet had het over "een psychische moord op de vader door de emotionele vergiftiging van de kinderen".

Lees meer: http://www.f4j.be/doc/doc08/080619_1_jaar_cel_voor_psychische_moord_op_papa.html


Eén jaar cel voor 'psychische moord' op papa
F4J België - Bron www.pagia.be - Jan Heuvelmans - Datum 19/06/08

ANTWERPEN - OM: "Een moeder van twee kinderen naar de cel sturen is niet sympathiek"

De Antwerpse strafrechter veroordeelde vrijdag Christel M. (38) uit ZWijndrecht tot een effectieve celstraf van één jaar voor de "psychische moord" op haar ex. Het resultaat van een schrijnende vechtscheiding is dat twee dochters van (intussen 12 en 14) dienden geplaatst en van daaruit met de taxi naar school gebracht worden. Openbaar aanklager Bart De Smet had het over "een psychische moord op de vader door de emotionele vergiftiging van de kinderen".

De zaak kende in het najaar van 2007 twee valse starts. Op 1 februari werd ze dan eindelijk behandeld maar in plaats van ze in beraad te nemen, plande de rechtbank op 23 mei een volgende zitting om na te gaan of er in die tussentijd enige beterschap te bespeuren viel. Maar het heeft niet mogen baten: de moeder weigerde botweg ouderschapsbemiddeling.

POS-kinderen
"Dit is een intrieste zaak in een bijna vier jaar aanslepend conflict. Een moeder van twee kinderen naar de cel sturen is niet sympathiek. Maar zij praat onvoldoende op de kinderen in om ze in het weekeinde naar hun vader te sturen. Integendeel, ze vergiftigt ze door ze te betrekken bij de echtscheidingsprocedure. Ik vraag acht maanden effectief plus 550 euro boete", rekwireerde De Smet vorige maand. Het werd vandaag één jaar effectief, zodat de procureur eventueel de onmiddellijke aanhouding had kunnen vorderen. Maar er zat een plaatsvervanger die het dossier blijkbaar niet kende.

"Alles begon in 2004 met het plotse vertrek van de vader uit het gezin. De moeder bleef zwaar gekwetst achter en kon het niet laten haar kinderen daarbij te betrekken. Ze reageerde totaal fout, met de kinderen als belangrijkste slachtoffers. Er is geen sprake van enige rechtvaardigingsgrond of noodtoestand", zegde Bart De Smet. "Deze mevrouw heeft door de psychische vergiftiging haar kinderen in een POS-situatie (Problematische OpvoedingsSituatie) gedwongen.

Absolute kwade trouw
Vorige maand was al de elfde keer dat de exgenoten met getrokken messen voor een rechtbank stonden in een conflict over de uitoefening van het omgangsrecht van de vader. "Deze vrouw heeft eerder al zes en acht maanden cel gekregen. Zij betaalde al 26.000 euro aan dwangsommen plus 7.000 euro deurwaarderskosten omdat ze de kinderen bleef hersenspoelen. Het gevolg was dat die weigerden op de voorziene dagen naar hun vader te gaan. De moeder zag haar kinderen liever naar een instelling vertrekken dan naar hun vader", pleitte de advocaat voor de vader.

De verdediging stelde dat er toch ook iets goed te vertellen was over deze vrouw. De kinderen waren samen met hun moeder gekwetst door het vretrek van hun vader en weigerden elk contact met hem. Je kan van de moeder niet het onmogelijke verwachten. Zij doet nu pogingen, zegt ook de probatiecommissie. En de school probeert de zaak mee gedeblokeerd te krijgen. Geef mijn cliënte nog een kans om deze lichtpuntjes aan te grijpen".

Daar had de rechtbank dus geen oren naar. Integendeel. Zelden klonk de motivering bij een veroordeling zo hard: De moeder gedroeg zich "schaamteloos en leugenachtig", het misbruik is "walgelijk", en ze "gremelt niet alleen naar de verzoekende partij maar lacht ook Justitie in het aangezicht uit. En wat de houding van de dochters betreft: "Het is niet aan een achtjarig kind om te beslissen met welke ouder het contact wil". En verder: "Woorden als 'gij hebt ervoor gezorgd dat mijn mama geen geld meer krijgt; ge zult ons in een gesticht steken; ge zult ervoor zorgen dat mijn mama in de gevangenis moet' kunnen de kinderen niet zelf hebben uitgevonden en zijn een bewijs van de absolute kwade trouw".

Jan Heuvelmans

Bron(nen):


Meurtre psychique du père envers ses enfants

- par mayaz le 11/07/2008 @ 15:22 sources: F4J Belgium & http://www.pagia.be/

Traduction française :

À Anvers, n’est pas très sympathique d’envoyer une mère de deux enfants en taule. Un juge anversois a condamné ce vendredi C… (38 ans) à une peine de prison d’une année ferme pour le motif de «meurtre psychologique» sur son ex compagnon. C’est le résultat obtenu à la suite d’un effroyable divorce qui a éloigné les deux filles (actuellement 12 et 14 ans) de leur père en étant placée et qui doivent aller à l’école en taxi. Le procureur a parlé d’un «meurtre psychologique » à l’égard du père, et ce, au moyen d’« empoissonnements émotionnels » (de la part de la mère) sur des enfants». L’affaire a connu deux faux départs, fin de l’année 2007. Le 1er février, l’affaire fut remise à une date ultérieure (le 23 mai) afin de vérifier si au cours du temps, il y avait une amélioration dans la situation. Mais la mère refusait catégoriquement la médiation familiale. Ce pénible conflit perdure depuis 4 ans. Envoyer une mère de deux enfants en prison n’est pas sympa, mais c’est parce qu’elle ne conseille pas à ses enfants d’aller chez leur père durant les week-ends. Bien au contraire, elle les empoisonne en les intégrant dans les procédures de son divorce. L’avocat du père a demandé 8 mois de prison ferme et 550 € d’amende. Aujourd’hui le verdict s’est soldé par la condamnation d’un an ferme, de manière à permettre au procureur d’ordonner son arrestation immédiate. Mais l’affaire fut jugée par un juge remplaçant ne connaissait pas assurément le dossier. Tout a commencé en 2004 lorsque le père est parti précipitamment. La mère, fortement blessée dans son amour propre, a pris ses enfants pour alliés en les intégrant dans les conflits du divorce. Elle a donc mal agi en utilisant ses enfants pour des victimes du divorce. Il ne s’agissait d’aucun sentiment de justice ni d’urgence dans la situation, mais, par l’empoisonnement psychologique de ses enfants, cette femme a créé un grave problème dans leurs éducations. Le mois passé ce fut la 11ème fois que les ex conjoints se présentaient devant la Cour pour le conflit de la non exécution du droit de garde du père. Cette femme fut déjà condamnée à deux reprises à 6 et 8 mois de prison. Jusqu’à présent, elle a payé 26.000 € d’indemnités plus 7.000 € de frais d’huissier parce qu’elle continuait à aliéner ses enfants. Part l’attitude de la mère, les enfants refusaient d’aller chez leur père. La mère préférait que ses enfants aillent en Institution plutôt que chez leur père. La défense (de la femme) montre qu’il y a quand même un point positif chez cette mère : les enfants et la mère étaient blessés dans leur amour propre par le départ de leur père, refusant alors tout contact avec lui. On ne peut donc pas s’attendre à l’impossible dans cette situation. De plus, selon la commission probatoire, la mère essaie de faire des efforts, et l’école tente également de débloquer la situation. Donnez encore une chance à ma cliente, demanda la défense. Le tribunal n’a pas suivi, au contraire. Elle est rare la motivation pour décider d’une une sentence aussi lourde. La mère, a agi sans aucune gène, avec des comportements mensongers. L'abus est considéré, non seulement comme étant « dégoûtants envers la partie adverse », où l’on se moque clairement de la Justice. En ce que concerne l'attitude des filles : « Il n'est nullement attribué à un enfant de 8 ans de décider avec quel parent il veut garder le contact ». Ensuite… (On entendit au tribunal) des accusations telles… « Toi tu t’es occupé à ce que maman n’obtienne plus argent, alors ils nous mettrons dans un centre et tu veilleras à ce que ma maman aille en prison ». Les enfants n’ont pas pu inventer ces propos, et ceci est la preuve absolue de la méchanceté perverse.

(Traduction artisanale par Mayaz) Remarques de Mayaz : Quand allons-nous assister à divers Tribunaux pour témoigner sur les sanctions de spoliations des pères ? Collectif La Vie de Pères Bruxelles - Wallonie


vrijdag, juli 18, 2008

129. België door Europees Hof van de Rechten van de Mens veroordeeld wegens medeplichtigheid aan kinderontvoering


Leschiutta and Fraccaro v. Belgium (nos. 58081/00 and 58411/00)
European Court of Human Rights - 17 July 2008

The applicants, Carlo Leschiutta and Luigi Fraccaro, are Italian nationals who were born in 1948 and 1959 and live in Cerea and Tolmezzo (Italy). They are the respective fathers of Andrea and Elia, who were born in 1995 and 1987 to the same woman, A.M. The applicants complain that they were separated from their children, who were taken to Belgium by their mother, despite the fact that they had been awarded custody of them in two decisions by the Italian courts in 1995 and 1998. Relying on Article 8 (right to respect for private and family life), they allege that the Belgian authorities did not take the necessary measures to reunite them with their sons.

--------------------------------------------------------
Chamber judgment concerning Belgium
Bron/Source: EUROPEAN COURT OF HUMAN RIGHTS - Press release issued by the Registrar 535 - 17.7.2008

The European Court of Human Rights has today notified in writing the following 38 Chamber judgment, which is not final1.

Repetitive cases2 and length-of-proceedings cases, with the Court’s main finding indicated, can be found at the end of the press release.

Leschiutta and Fraccaro v. Belgium (nos. 58081/00 and 58411/00)

Violation of Article 8

The applicants, Carlo Leschiutta and Luigi Fraccaro, are Italian nationals who were born in 1948 and 1959 and live in Cerea and Tolmezzo (Italy). They are the fathers of Andrea and Elia respectively, born in 1995 and 1987 to A.M., with whom they both had a relationship.

The applicants complained that they had been separated from their children, who had been taken by their mother to Belgium, even though they had been awarded custody by the Italian courts in 1995 and 1998. In December 1998 the Belgian courts declared the relevant decisions enforceable in Belgium. Soon after, a court bailiff accompanied by police officers went to A.M.’s home, where they made an unsuccessful attempt to enforce the decision of the Belgian court. The Belgian social services drew up a report in February 1999 and two meetings between the applicants and their sons were organised in May 1999 and April 2000. A.M. was sentenced to terms of imprisonment by both the Italian and the Belgian courts for abducting her sons. Nevertheless, in the meantime she was awarded custody of the children by the Belgian courts on the ground that they had formally objected to being returned to Italy to live with their fathers. In December 1999 Andrea and Elia were placed in the care of the Belgian social services. Mr Leschiutta and Mr Fraccaro went to Belgium in June 2000 to collect their children and they all then returned to Italy.

According to the information supplied by the two fathers, the children live at present in Italy. Elia lives with his mother and father alternately. Proceedings concerning custody of Andrea are currently pending; he lives with his mother, who has given an undertaking not to take him away to Belgium except for short holidays.

Relying on Article 8 (right to respect for private and family life), the applicants alleged that the Belgian authorities had not taken the necessary measures to reunite them with their children earlier.

The Court noted that only one serious attempt had been made to enforce the relevant decision. It considered that the Belgian authorities had neglected to take all the steps that could reasonably have been required of them to ensure the children’s return to their respective fathers. By encouraging the children to persist with their refusal to return to live with their fathers, the authorities’ passivity, together with the inexorable passage of time, could have led to a total breakdown in the relations between father and child, which could by no means be considered to be in the child’s best interests. It followed that the Belgian authorities had failed to take prompt, appropriate and sufficient action to ensure the effective exercise of the applicants’ right to the return of their children. The accordingly held unanimously that there had been a violation of Article 8. It awarded Mr Leschiutta and Mr Fraccaro EUR 20,000 each for non-pecuniary damage and EUR 15,000 for costs and expenses. (The judgment is available only in French).

***

These summaries by the Registry do not bind the Court. The full texts of the Court’s judgments are accessible on its Internet site (http://www.echr.coe.int)

Press contacts
  • Adrien Meyer (telephone: 00 33 (0)3 88 41 33 37)
  • Tracey Turner-Tretz (telephone: 00 33 (0)3 88 41 35 30)
  • Sania Ivedi (telephone: 00 33 (0)3 90 21 59 45)

The European Court of Human Rights was set up in Strasbourg by the Council of Europe Member States in 1959 to deal with alleged violations of the 1950 European Convention on Human Rights.

[1] Under Article 43 of the European Convention on Human Rights, within three months from the date of a Chamber judgment, any party to the case may, in exceptional cases, request that the case be referred to the 17-member Grand Chamber of the Court. In that event, a panel of five judges considers whether the case raises a serious question affecting the interpretation or application of the Convention or its protocols, or a serious issue of general importance, in which case the Grand Chamber will deliver a final judgment. If no such question or issue arises, the panel will reject the request, at which point the judgment becomes final. Otherwise Chamber judgments become final on the expiry of the three-month period or earlier if the parties declare that they do not intend to make a request to refer.
[2] In which the Court has reached the same findings as in similar cases raising the same issues under the Convention.


--------------------------------------------------------
De onderstaande artikelen uit de Belgische pers geven een volstrekt verkeerde weergave van het oordeel van het Europees Hof van de Rechten van de Mens. Uitsluitend voor de volledigheid van de berichtgeving geef ik het hieronder weer:
--------------------------------------------------------
België veroordeeld voor niet naleven hoederecht
Bron: Het Nieuwsblad - 17/07/2008

BRUSSEL - De Belgische staat is donderdag veroordeeld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in Straatsburg omdat ze beslissingen van het Italiaanse gerecht niet heeft uitgevoerd.

De Italiaanse justitie had twee mannen die in Italië wonen het hoederecht gegeven over hun kinderen, maar de moeder had de kinderen mee naar België genomen.

De moeder ontvoerde in 1998 een van de kinderen op weg naar school in Italië en nam het mee naar België. Haar ex-man had het hoederecht over het kind.

De vrouw had zelf het hoederecht over een ander kind, uit een relatie met een andere man, maar ze liet de vader niet toe zijn kind in België te bezoeken. Het hof van beroep van Venetië wees hem daarom in 1998 het hoederecht over het kind toe.

Een poging van het Belgisch gerecht om de kinderen terug te halen mislukte. Het gerecht wees uiteindelijk het hoederecht toe aan de moeder om de kinderen niet plots te moeten weghalen uit hun omgeving.

Het EHRM kon daar geen begrip voor opbrengen en veroordeelde de Belgische staat tot een schadevergoeding van 20.000 euro aan beide vaders. De staat moet ook opdraaien voor de gerechtskosten. Er zou een inbreuk gepleegd zijn op het recht dat iedereen heeft op eerbiediging van zijn gezinsleven. De overheid mag zich daar, op enkele uitzonderingen na, niet in mengen.

Svh (belga)

--------------------------------------------------------
België veroordeeld wegens niet naleven hoederecht twee Italiaanse kinderen
Bron: De Morgen: Binnenland - (351166) - 17/07/08 17u56

De Belgische staat is donderdag veroordeeld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in Straatsburg omdat ze beslissingen van het Italiaanse gerecht niet heeft uitgevoerd. De Italiaanse justitie had twee mannen die in Italië wonen het hoederecht gegeven over hun kinderen, maar de moeder had de kinderen mee naar België genomen.

Ontvoerd
De vader van Elia (geboren in 1987), die in Italië woont, diende op 12 oktober 1998 klacht in omdat zijn zoon op weg naar school was ontvoerd door zijn ex-vrouw. De man had het hoederecht over het kind. De vrouw, A.M., nam het kind mee naar Hasselt. De vrouw had op dat ogenblik het hoederecht over een ander kind, Andrea (geboren in 1995), uit een relatie met een andere man, maar ze liet de vader niet toe zijn kind in België te bezoeken. Het Italiaanse gerecht besliste daarom ook in deze zaak het hoederecht aan de vader te geven.

Hoederecht naar moeder
In eerste instantie liet de Hasseltse rechtbank de twee kinderen terughalen. Maar een eerste poging mislukte doordat de moeder weigerde. In 1999 besliste de jeugdrechter in Hasselt het hoederecht toe te kennen aan de moeder om te vermijden dat de kinderen plots uit hun omgeving weggerukt zouden worden. De uitspraak werd in beroep en in cassatie bevestigd. De moeder werd tegelijkertijd in Italië veroordeeld voor ontvoering. In juni 2000 keerden de kinderen terug met hun vaders naar Italië. Ook de moeder woont intussen opnieuw in Italië.

Geen ernstige pogingen
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) veroordeelde vandaag de Belgische staat. De vaders krijgen elk 20.000 euro morele schadevergoeding. De staat moet ook opdraaien voor de gerechtskosten, die 15.000 euro bedragen. In zijn arrest zegt het EHRM dat er geen ernstige pogingen waren ondernomen om de kinderen uit hun omgeving te halen. Het hof begrijpt de beslissing van de Hasseltse jeugdrechter niet. Volgens het hof dreigde de vader-kind-relatie door de beslissing ernstig verstoord te raken. De Belgische staat zou inbreuk gepleegd hebben op het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens door het recht op eerbiediging van het gezinsleven niet te respecteren. (belga/bf)

--------------------------------------------------------

The judgement itself is only in French: (see below). For the English machinetranslation of the original French judgement see the website of Family4Justice Belgium.

Het oordeel zelf is alleen in het Frans (zie beneden)
. Voor de Nederlandse machinevertaling van de originele tekst zie de website van Family4Justice België.

--------------------------------------------------------
AFFAIRE LESCHIUTTA ET FRACCARO c. BELGIQUE
DEUXIÈME SECTION (Requêtes nos 58081/00 et 58411/00)
ARRÊT STRASBOURG, 17 juillet 2008

Cet arrêt deviendra définitif dans les conditions définies à l'article 44 § 2 de la Convention. Il peut subir des retouches de forme.

En les deux affaires Leschiutta et Fraccaro c. Belgique,
La Cour européenne des droits de l'homme (deuxième section), siégeant en une chambre composée de :
  • Antonella Mularoni, présidente,
  • Françoise Tulkens,
  • Ireneu Cabral Barreto,
  • Vladimiro Zagrebelsky,
  • Danutė Jočienė,
  • Dragoljub Popović,
  • András Sajó, juges,
  • et de Sally Dollé, greffière de section,

Après en avoir délibéré en chambre du conseil le 24 juin 2008,
Rend l'arrêt que voici, adopté à cette dernière date :

PROCÉDURE

1. A l'origine de l'affaire se trouvent deux requêtes (nos 58081/00 et 58411/00) dirigées contre le Royaume de Belgique et dont deux ressortissants de nationalité italienne, MM. Carlo Leschiutta et Luigi Fraccaro, agissant également en tant que représentants légaux de leurs fils respectifs, Andrea et Elia, ont saisi la Cour le 14 avril et 12 mai 2000 en vertu de l'article 34 de la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales (« la Convention »).
2. Les requérants sont représentés par Mes M.A. Fochesato Spadaro et A. Rebesani, avocats à Vicenza. Le gouvernement belge (« le Gouvernement ») est représenté par son agent, M. D. Flore, conseiller général au Service public fédéral de la Justice.
3. Par une décision du 3 avril 2007, après avoir décidé la jonction des deux requêtes (article 42 § 1 du règlement), la chambre les a déclarées recevables.
4. Tant les requérants que le Gouvernement ont déposé des observations écrites complémentaires (article 59 § 1 du règlement).

EN FAIT

I. LES CIRCONSTANCES DE L'ESPÈCE

5. Les deux pères sont nés en 1948 (M. Leschiutta) et en 1959 (M. Fraccaro) et résident à Cerea (Verona) et à Tolmezzo (Udine) respectivement. Les enfants sont nés en 1987 (Elia) et en 1995 (Andrea).

A. Circonstances et procédure se rapportant à Elia

6. Par un jugement du 23 juin 1993, le tribunal de Vérone prononça la séparation de corps entre M. Fraccaro et sa femme, A.M., et confia la garde de leur fils, Elia, à cette dernière. Le père restait libre de rencontrer Elia, moyennant avertissement préalable à la mère et en tenant compte des intérêts de l'enfant.
Le 16 septembre 1993, suite à un accord judiciaire, les parents convinrent de confier l'enfant à la garde de son père, la mère étant libre de le rencontrer à chaque moment.
A la demande de M. Fraccaro, par une décision du 8 juillet 1994, le tribunal de Vérone confia définitivement la garde d'Elia à son père. Il releva que l'enfant vivait de fait chez son père, qu'il était très serein et qu'il avait maintenu des rapports affectueux avec les deux parents.
A une date non précisée, A.M., considérant qu'Elia souffrait de sa séparation avec elle, saisit la cour d'appel de Venise.
Le 30 janvier 1995, la cour d'appel confirma la décision attaquée, l'estimant dûment motivée.
Le 12 octobre 1998, M. Fraccaro porta plainte à l'encontre d'A.M. devant la gendarmerie de Cerea (Verona) : il indiquait que, le jour même, Elia avait été enlevé sur le chemin de l'école et emmené par sa mère en Belgique, où celle-ci avait entre-temps déménagé.
Le 16 novembre 1998, le ministère de la Justice italien, sollicité par M. Fraccaro, demanda au ministère de la Justice belge de donner d'urgence l'exequatur à la décision de la cour d'appel de Venise du 30 janvier 1995.

B. Circonstances et procédure concernant Andrea

7. Le 11 septembre 1995 naquit Andrea, fils d'A.M. et de M. Leschiutta.
Par une décision du 24 mars 1997, le tribunal de Venise confia la garde d'Andrea à sa mère et établit relativement à son père un calendrier de visites.
A une date non précisée, M. Leschiutta introduisit un recours devant le tribunal des enfants de Venise afin d'obtenir la déchéance de l'autorité parentale d'A.M., laquelle résidait maintenant en Belgique avec l'enfant.
Par une décision du 25 août 1998, le tribunal des enfants confirma le maintien de la garde d'Andrea à sa mère.
M. Leschiutta saisit alors la cour d'appel de Venise. Le 30 octobre 1998, la juridiction constata qu'A.M. vivait depuis un an en Belgique avec Andrea et qu'elle empêchait celui-ci de voir son père. Elle confia donc la garde de l'enfant à M. Leschiutta.

C. Circonstances et procédures communes aux deux enfants

8. Par une décision du 21 décembre 1998, le tribunal de Hasselt (Belgique) donna l'exequatur aux décisions de la cour d'appel de Venise du 30 janvier 1995 et du 30 octobre 1998.
Le 23 décembre 1998, à la demande du consulat d'Italie à Gand (« le consulat »), un service de vigilance fut mis en place sur le lieu où A.M. et les enfants étaient censés se trouver. Le même jour, des policiers et un huissier de justice essayèrent d'exécuter la décision du tribunal de Hasselt. Toutefois, A.M. refusa de laisser partir les enfants.
Par des lettres des 28 et 30 décembre 1998, MM. Leschiutta et Fraccaro sollicitèrent le ministère de la Justice belge en vue du rapatriement d'urgence de leur fils respectif en Italie.
Par une lettre du 6 janvier 1999 adressée à l'ambassade d'Italie à Bruxelles (« l'ambassade »), au consulat, au ministère de la Justice et au ministère des Affaires étrangères italiens, les deux pères, soupçonnant A.M. de préparer une fuite au Maroc avec les enfants, demandèrent l'éloignement d'urgence de ces derniers de leur mère.
Par une lettre du 15 janvier 1999, le ministère des Affaires étrangères italien informa les pères que l'ambassade et le consulat avaient pris, dans la limite de leur compétence, toutes les mesures possibles afin d'obtenir l'exécution des décisions de la cour d'appel de Venise. En outre, l'ambassadeur avait personnellement sollicité, à plusieurs reprises, les autorités belges compétentes signalant l'importance et l'extrême sensibilité de l'affaire. De plus, le consulat s'était adressé aux autorités locales, demandant, entre autres, qu'une rencontre avec les deux enfants soit organisée. Le ministère indiqua également que l'ambassadeur et le consul avaient demandé aux autorités judiciaires compétentes de localiser le logement des enfants et de contrôler leurs éventuels déplacements.
Par une lettre du 4 février 1999 adressée à l'ambassade, au consulat, au ministère de la Justice et au ministère des Affaires étrangères italiens, MM. Leschiutta et Fraccaro sollicitèrent à nouveau l'exécution des décisions de la cour d'appel de Venise.
Le 9 février 1999, le consul informa les pères qu'il avait rendu visite aux enfants chez une amie d'A.M. A la demande des deux pères visant à connaître le nom et l'adresse de cette amie, le consul répondit ne pas pouvoir interférer dans des affaires de nature privée.
Par une lettre du 15 février 1999, adressée, entre autres, au consulat, se plaignant du caractère vague et incomplet des informations qui leur avaient été fournies, MM. Leschiutta et Fraccaro demandèrent à connaître le nom et l'adresse des écoles fréquentées par les enfants.
Par une lettre du 18 février 1999, le consul rappela aux deux pères que, suite à l'exequatur, l'exécution des décisions de la cour d'appel de Venise tombait dans le champ de compétence des autorités belges. En outre, il souligna que les rapports avec A.M. étaient de nature privée et que le consulat italien n'avait qu'une obligation d'assistance et de protection des intérêts des enfants.
Dans le rapport déposé le même jour, le service social de la communauté flamande près le tribunal de la jeunesse, chargé d'une enquête sociale sur les deux enfants, signala que ceux-ci, scolarisés et bien soignés, ne se trouvaient pas en danger et qu'Elia ne souhaitait pas rentrer en Italie. Le procureur près le tribunal de la jeunesse de Hasselt ordonna toutefois le maintien de la surveillance des enfants.
Par une lettre du 6 mai 1999, le ministère des Affaires étrangères italien informa les deux pères que A.M. et Elia s'étaient rendus au consulat, que l'enfant était en bonne santé et qu'il avait manifesté la volonté de rester en Belgique chez sa mère.
Par des décisions des 11 mai et 9 juin 1999, le tribunal des enfants de Venise constata que A.M. avait manqué à ses devoirs parentaux en soustrayant de façon violente Elia à son milieu familial et scolaire et qu'elle empêchait Andrea de voir son père. Partant, il la déchut de son autorité parentale.
Le 28 mai 1999, une rencontre eut lieu, dans les locaux de la police d'Heusden-Zolder, entre les pères, les deux enfants ainsi que A.M. et son compagnon, en présence du consul italien et d'un traducteur.
Sollicité par une lettre de MM. Leschiutta et Fraccaro, le 9 août 1999, le consul rappela à nouveau ne pas avoir la compétence pour exécuter les décisions de la cour d'appel de Venise. Il indiqua, en particulier, que l'autorité compétente était le tribunal de Hasselt.
Par une ordonnance du 3 septembre 1999, le tribunal des enfants de Hasselt, considérant que les enfants vivaient depuis longtemps chez leur mère et afin d'éviter que ceux-ci soient arrachés soudainement à leur milieu, confia provisoirement la garde des enfants à A.M. Il ressort du rapport d'audience qu'à cette occasion, les deux pères eurent un comportement agressif et menacèrent d'enlever les deux enfants.
Le même jour, grâce à l'intervention du bureau d'assistance spéciale à la jeunesse et de la commission indépendante de médiation et d'assistance spéciale à la jeunesse, une rencontre entre Elia et son père fut organisée au sein des locaux de la police.
Par un jugement du 24 septembre 1999, le tribunal pénal de Vérone condamna A.M. à une peine de dix mois de réclusion pour l'enlèvement d'Elia.
A une date non précisée, une procédure pénale fut engagée contre A.M. devant le tribunal de Rovigo pour l'enlèvement d'Andrea.
Le 26 octobre 1999, dans un réquisitoire adressé au juge de la jeunesse constatant que la procédure de médiation initiée par la commission et le bureau n'avait pas pu aboutir, le procureur demanda de ne pas dessaisir la commission de son mandat et de prendre de nouvelles mesures provisoires.
Par une lettre du 5 novembre 1999 adressée au ministère de la Justice belge, le ministère de la Justice italien indiqua que l'ordonnance du tribunal de Hasselt du 3 septembre 1999 était en contradiction avec l'exequatur du 21 décembre 1998, et sollicita l'exécution des décisions de la cour d'appel de Venise.
Par un jugement du tribunal de Hasselt du 19 novembre 1999, A.M. fut condamnée à huit jours de réclusion, plus une amende, pour l'enlèvement des deux enfants.
Le rapport, établi le 29 novembre 1999 par les services sociaux, confirma la bonne santé des enfants et une scolarité sans problèmes. Il souligna la crainte d'Elia de pouvoir être enlevé par son père.
Le 3 décembre 1999, en raison de sérieux doutes quant aux chances de développement des enfants et des conséquences psychologiques pour les mineurs susceptibles d'être engendrées par la tension entre les parties, le juge de la jeunesse de Hasselt décida de confier ceux-ci aux services sociaux.
Entre-temps, à une date non précisée, MM. Leschiutta et Fraccaro interjetèrent appel devant la cour d'appel d'Anvers contre les ordonnances du tribunal de Hasselt confiant la garde des enfants à leur mère. Le 9 mars 2000, la cour d'appel d'Anvers, considérant que les enfants s'étaient formellement opposés au retour en Italie au domicile de leurs pères, que le retour forcé en Italie entraînerait un traumatisme psychologique pour eux et que l'intérêt des pères était subordonné à celui des mineurs, rejeta les recours.
Les deux pères se pourvurent en cassation le 20 mars 2000.
A la suite d'un accord entre les autorités diplomatiques italiennes en Belgique et les autorités belges, une rencontre pères-enfants avait entre-temps été fixée au 14 janvier 2000 ; elle fut reportée par la suite aux 21, 22 et enfin au 23 avril 2000.
Selon les informations fournies par les deux pères, à l'occasion de cette rencontre, les enfants déclarèrent vouloir rester avec leur père respectif.
Le 19 mai 2000, l'ambassade d'Italie transmit aux autorités belges une demande des deux pères visant à organiser une rencontre avec les enfants du 26 au 28 mai 2000.
Le 6 juin 2000, la Cour de cassation rejeta le pourvoi de MM. Leschiutta et Fraccaro.
Le 30 juin 2000, ces derniers se rendirent en Belgique pour chercher les enfants. Les pères et les enfants rentrèrent ensuite en Italie.
Le 28 mars 2003, compte tenu de l'accord (« patteggiamento ») conclu avec le procureur, le tribunal pénal de Rovigo condamna A.M. à vingt jours de réclusion avec sursis pour l'enlèvement d'Andrea. Cette peine devait s'ajouter à celle déjà infligée par le tribunal pénal de Vérone.
Le 27 octobre 2003, le tribunal des enfants de Venise décida de restituer l'autorité parentale à A.M. à l'égard d'Elia, lequel avait déjà choisi de vivre avec sa mère. Quant à Andrea, au mois de mars 2008, la procédure pour en attribuer définitivement la garde demeurait pendante devant le tribunal des enfants de Venise. La dernière audience avait été renvoyée sur demande des parents, en considération du fait que l'enfant souhaitait passer l'année scolaire avec sa mère.
Selon les informations fournies par les deux pères, les enfants ont enfin fait retour en Italie. Elia, qui habite alternativement chez sa mère et chez son père, après une première période marquée par une difficile réinsertion scolaire, apparait maintenant comme un garçon tranquille et socialement intégré. Andrea vit chez sa mère et il serait en train de poursuivre ses études. Sous contrôle du tribunal des enfants de Venise et avec l'accord du père, la mère s'est engagée à ne l'amener en Belgique que pour des vacances de courte durée.

II. LE DROIT INTERNE PERTINENT

9. L'article 1382 du code civil est ainsi libellé :
Article 1382
« Tout fait quelconque de l'homme, qui cause à autrui un dommage, oblige celui par la faute duquel il est arrivé, à le réparer. »

EN DROIT

I. SUR LA VIOLATION ALLÉGUÉE DE L'ARTICLE 8 DE LA CONVENTION

10. Invoquant l'article 8 de la Convention, les requérants se plaignent de la violation de leur droit au respect de la vie familiale en raison de ce que, malgré la décision du tribunal de Hasselt du 21 décembre 1998, les autorités belges n'ont pas pris les mesures nécessaires afin de les réunir plus tôt à leur fils.
11. Les dispositions de l'article 8 se lisent ainsi :

« 1. Toute personne a droit au respect de sa vie (...) familiale (...).
2. Il ne peut y avoir ingérence d'une autorité publique dans l'exercice de ce droit que pour autant que cette ingérence est prévue par la loi et qu'elle constitue une mesure qui, dans une société démocratique, est nécessaire à la sécurité nationale, à la sûreté publique, au bien être économique du pays, à la défense de l'ordre et à la prévention des infractions pénales, à la protection de la santé ou de la morale, ou à la protection des droits et libertés d'autrui. »

A. Thèses des parties

1. Les requérants
12. Les requérants dénoncent la légèreté dont auraient fait preuve les autorités belges dans le traitement de cette affaire, ainsi que leur négligence face au contenu des décisions des tribunaux italiens. D'une part, le déracinement du milieu familial et scolaire, ainsi que le sentiment d'abandon qu'ils doivent avoir ressenti, aurait provoqué chez les enfants des déséquilibres psychologiques graves et durables. D'autre part, la distance et le manque de tout contact avec leurs fils ont eu un fort impact émotionnel sur les deux pères. Bien que titulaires incontestables de la garde de leur enfant respectif, en vertu de décisions judiciaires italiennes reconnues en exequatur par les tribunaux belges, les pères n'ont pas pu l'exercer. L'opposition manifestée par les autorités belges envers leurs prétentions légitimes, à laquelle une lenteur « bureaucratique » importante est venue s'ajouter, aurait pu conduire à une rupture définitive des relations père-fils.
Quant à Elia et Andrea, MM. Leschiutta et Fraccaro admettent que finalement une relation normale s'est établie entre pères et enfants. Malgré les traumatismes psychologiques dont ils ont souffert et les difficultés de réinsertion scolaire et sociale rencontrées, ils sont devenus aujourd'hui des garçons mûrs et sereins. Néanmoins, les deux pères font valoir que cette sérénité familiale et personnelle a été atteinte grâce à leur persévérance, en dépit de l'intervention des autorités belges. A ce propos, ils soutiennent avoir été tenus de demander l'intervention d'experts psychologues privés pour aider leurs enfants, intervention dont ils ont dû supporter les frais.
Les pères affirment ensuite avoir été obligés de se rendre à maintes reprises en Belgique, au prix d'importants sacrifices financiers. Ils auraient même perdu leur emploi en raison des fréquentes absences dues à leurs déplacements à l'étranger pour tenter de rencontrer leur fils.
En conclusion, ils soutiennent que les dommages moraux et patrimoniaux supportés par eux et leur fils respectif sont la conséquence directe de l'indifférence de la part des autorités belges qui, non seulement n'ont pas donné exécution à la décision judiciaire italienne et à celle d'exequatur belge mais, au contraire, ont même provisoirement confié la garde des enfants à leur mère, coupable de leur enlèvement.

2. Le Gouvernement
13. Le Gouvernement s'oppose à la thèse des requérants. Il souligne que la décision d'exequatur a été rendue sans délai et qu'une tentative d'exécution forcée s'en est suivie immédiatement. Face à l'échec de celle-ci, les juridictions, le parquet, le service d'aide à la jeunesse et l'autorité centrale, dans la mesure de leur compétence limitée, ont assuré le suivi du dossier et proposé aux parents des mesures afin de préparer la réinsertion des enfants chez leur père respectif, sans entraver leur scolarité et leur équilibre au moment des faits. Dans la balance des intérêts que les autorités publiques ont eu à opérer dans ces affaires très délicates, le gouvernement soutient que l'intérêt supérieur des enfants à ne pas subir les traumatismes psychologiques qu'entraine une exécution forcée a prévalu. Dans l'appréciation des différents intérêts en cause, la mise en place d'autres mesures aptes à instaurer la coopération entre les parties n'a cessé d'être recherchée par les autorités belges aux fins de permettre une réunion, si possible sereine, des requérants avec leur enfant respectif. C'est d'ailleurs grâce à l'intervention de celles-ci que le retour des enfants a été rendu possible.
Selon le Gouvernement, il n'appartient pas à la Cour de se substituer aux autorités internes pour réglementer la situation des enfants mais d'apprécier, sous l'angle de la Convention, les mesures prises par ces autorités dans l'exercice de leur pouvoir d'appréciation pour permettre la réunion des parents et de leur enfant.
A ses yeux, on ne peut pas reprocher aux autorités belges d'avoir privilégié la collaboration et la compréhension des intéressés, ni d'être restées passives face au manque de coopération des parents ou de l'agressivité constante des requérants.

B. Appréciation de la Cour

1. Les principes contenus dans la jurisprudence de la Cour

14. L'article 8 de la Convention tend pour l'essentiel à prémunir l'individu contre des ingérences arbitraires des pouvoirs publics ; il engendre, de surcroît, des obligations positives inhérentes à un « respect » effectif de la vie familiale. Dans un cas comme dans l'autre, il faut avoir égard au juste équilibre à ménager entre les intérêts concurrents de l'individu et de la société dans son ensemble ; de même, dans les deux hypothèses, l'Etat jouit d'une certaine marge d'appréciation (Ignaccolo-Zenide c. Roumanie, no 31679/96, § 94, CEDH 2000-I ; Karadžić c. Croatie, no 35030/04, § 51, 15 décembre 2005 ; Monory c. Roumanie et Hongrie, no 71099/01, § 72, 5 avril 2005).
15. La Cour n'a point pour tâche de se substituer aux autorités compétentes pour réglementer les questions de garde et de visites, mais d'apprécier sous l'angle de la Convention les décisions que ces autorités ont rendues dans l'exercice de leur pouvoir d'appréciation. Ce faisant, elle doit rechercher si les raisons censées justifier les mesures effectivement adoptées quant à la jouissance par le requérant de son droit au respect de sa vie familiale sont pertinentes et suffisantes au regard de l'article 8 (voir, par exemple, Hokkanen c. Finlande, arrêt du 23 septembre 1994, série A no 299 A, p. 20, § 55).
16. S'agissant plus particulièrement de l'obligation pour l'Etat de prendre des mesures positives, la Cour a déclaré à de nombreuses reprises que l'article 8 implique le droit d'un parent à des mesures propres à le réunir à son enfant et l'obligation pour les autorités nationales de les adopter (voir, par exemple, les arrêts Ignaccolo-Zenide, précité, § 94 ; Nuutinen c. Finlande, no 32842/96, §§ 127 et suiv., CEDH 2000-VIII ; Iglesias Gil et A.U.I. c. Espagne, no 56673/00, § 49, CEDH 2003 V ; Monory, précité, § 73).
17. Le point décisif, en matière de droit de la famille, consiste donc à savoir si les autorités nationales ont pris, pour faciliter l'exécution rapide des décisions rendues par les juridictions internes accordant au requérant le droit de garde et l'autorité parentale exclusive de l'enfant, toutes les mesures que l'on pouvait raisonnablement exiger d'elles (Karadžić, précité, § 53).
18. Toutefois, l'obligation pour les autorités nationales de prendre des mesures à cet effet n'est pas absolue. La nature et l'étendue de celles-ci dépendent des circonstances de chaque espèce, mais la compréhension et la coopération de l'ensemble des personnes concernées en constituent toujours un facteur important. Si les autorités nationales doivent chercher à faciliter pareille collaboration, une obligation pour elles de recourir à la coercition en la matière ne saurait être que limitée : il leur faut tenir compte des intérêts et des droits et libertés de l'ensemble des acteurs, et notamment des intérêts supérieurs de l'enfant et des droits que lui reconnaît l'article 8 de la Convention. Dans l'hypothèse où des contacts avec les parents risquent de menacer ces intérêts ou de porter atteinte à ces droits, il revient aux autorités nationales de veiller à un juste équilibre entre eux (Ignaccolo-Zenide précité, § 94, Iglesias Gil et A.U.I., précité, § 50, Karadžić, précité, § 52).
19. La Cour réitère également le principe bien établi dans sa jurisprudence selon lequel le but de la Convention consiste à protéger des droits non pas théoriques ou illusoires, mais concrets et effectifs (voir Artico c. Italie, arrêt du 13 mai 1980, série A no 37, p. 16, § 33). Dans cette logique, elle rappelle qu'un respect effectif de la vie familiale commande que les relations futures entre parent et enfant se règlent sur la seule base de l'ensemble des éléments pertinents, et non par le simple déroulement du temps. Elle peut aussi avoir égard, sur le terrain de l'article 8, au mode et à la durée du processus décisionnel (W. c. Royaume Uni, arrêt du 8 juillet 1987, série A no 121, p. 29, § 65 ; Eskinazi et Chelouche, précitée ; McMichael c. Royaume-Uni, arrêt du 24 février 1995, série A no 307 B, pp. 55 et 57, §§ 87 et 92).
20. Dans ce contexte, la Cour a noté que l'adéquation d'une mesure se juge à la rapidité de sa mise en œuvre. En effet, les procédures relatives à l'attribution de l'autorité parentale, y compris l'exécution des décisions rendues à leur issue, exigent un traitement urgent, car le passage du temps peut avoir des conséquences irrémédiables pour les relations entre les enfants et celui des parents qui ne vit pas avec eux (Ignaccolo-Zenide, précité, § 102 ; voir aussi, mutatis mutandis, Maire c. Portugal, no 48206/99, § 74, CEDH 2003 VI, Pini et autres c. Roumanie, nos 78028/01 et 78030/01, § 175, CEDH 2004 V (extraits), et Monory, précité, § 82).

2. Application en l'espèce des principes précités

a) Applicabilité de l'article 8, existence d'une ingérence ainsi que d'une base légale et d'un but légitime

21. Se tournant vers les circonstances de l'espèce, la Cour note d'emblée qu'il n'est pas contesté que, pour les deux pères et leur fils respectif – dont ceux-ci ont obtenu la garde en vertu de deux décisions des tribunaux italiens, reconnues ensuite par les juridictions belges –, continuer à vivre ensemble représente un élément fondamental qui relève de la vie familiale au sens du premier paragraphe de l'article 8 de la Convention, lequel est donc applicable en l'espèce (Maire, précité, § 68, CEDH 2003 VII ; Eskinazi et Chelouche, précitée).
22. MM Leschiutta et Fraccaro entendent se plaindre de la négligence des autorités compétentes s'agissant d'exécuter l'ordre de retour découlant de la décision du tribunal belge de Hasselt du 21 décembre 1998.
23. En l'occurrence, l'attente d'exécution des mesures octroyant la garde des enfants à leur père respectif s'analyse à ne pas douter en une « ingérence » au sens du paragraphe 2 de l'article 8 de la Convention dans l'exercice du droit des requérants au respect de leur vie familiale, dans la mesure où les deux premiers requérants ont été empêchés, au moins temporairement, de jouir de l'exercice du droit de garde de leur fils (voir, en ce sens, McMichael, précité, p. 55, §§ 86 et suiv. ; Monory, précité, § 70 ; Eskinazi et Chelouche, précitée ; Paradis, précitée).
24. Pareille immixtion enfreint l'article 8, sauf si elle remplit les exigences du paragraphe 2 de cette disposition. Reste donc à savoir si l'ingérence était « prévue par la loi », inspirée par un ou des buts légitimes au regard de ce paragraphe et « nécessaire dans une société démocratique » pour les atteindre.
25. En l'espèce, la Cour relève que la décision litigieuse du tribunal d'Hasselt du 21 décembre 1998, aussi bien que les autres décisions des autorités juridictionnelles belges qui suivirent, étaient fondées sur le droit belge et appliquées dans le but de protéger les enfants, but dont la légitimité n'a d'ailleurs pas été contestée (voir, en ce sens, Tiemann c. France et Allemagne (déc.), nos 47457/99 et 47458/99, CEDH 2000 IV ; Eskinazi et Chelouche, précitée).

b) Nécessité de l'ingérence dans une société démocratique

26. Pour apprécier la « nécessité » des mesures litigieuses « dans une société démocratique », la Cour examinera, à la lumière de l'ensemble de l'affaire, si les motifs invoqués pour les justifier sont pertinents et suffisants aux fins du paragraphe 2 de l'article 8 (voir, notamment, les arrêts Olsson (no 1), 24 mars 1988, série A no 130, p. 32, § 68, Johansen c. Norvège, 7 août 1996, Recueil 1996-III, pp. 1003-1004, § 64, Olsson c. Suède (no 2) du 27 novembre 1992, série A no 250, p. 34, § 87, Bronda c. Italie, 9 juin 1998, Recueil 1998-IV, p. 1491, § 59, Gnahoré, précité, § 54, et K. et T. c. Finlande, [GC], no 25702/94, § 154, CEDH 2001-VII). Elle aura en outre égard à l'obligation faite en principe à l'Etat de permettre le maintien du lien entre les requérants et leurs enfants.
27. La Cour doit donc déterminer si les autorités nationales ont pris les mesures nécessaires et adéquates pour faciliter l'exécution sans délai des deux décisions judiciaires du 30 janvier 1995 et du 30 octobre 1998, auxquelles l'exequatur avait été accordé le 21 décembre 1998 par le tribunal belge, confiant aux pères la garde de leur enfant respectif.
28. A ce propos, la Cour admet qu'un changement de circonstances pertinentes peut justifier la non-exécution d'une décision définitive portant sur la réunion du parent avec son enfant. Cependant, eu égard aux obligations positives qui découlent pour l'Etat de l'article 8 et à l'exigence générale de la prééminence du droit, la Cour doit s'assurer que ce changement de circonstances n'est pas dû à l'incapacité des autorités nationales d'adopter toutes les mesures que l'on pouvait raisonnablement exiger d'elles pour faciliter l'exécution d'une telle décision (Sylvester c. Autriche, nos 36812/97 et 40104/98, § 63, 24 avril 2003).
29. En l'occurrence, sollicité par le consulat d'Italie à Gand, le 23 décembre 1998, soit seulement deux jours après la décision d'exequatur, un huissier de justice accompagné par des policiers s'est déplacé au domicile de Mme A.M., où elle se trouvait avec les enfants. Cette intervention, bien que très rapide, est la seule tentative sérieuse d'exécution ayant eu lieu.
30. La Cour prend acte que jusqu'à début septembre 1999, hormis un rapport des services sociaux du 18 février 1999 et deux rencontres pères-fils, aucune action concrète en vue du regroupement des requérants ne fut entreprise par les autorités belges. Suite à la rencontre du 28 mai 1999, les requérants ont dû attendre le 3 septembre 1999, soit plus de huit mois après l'exequatur, pour qu'une juridiction belge se prononce à nouveau sur l'affaire.
31. La Cour note qu'aucune explication satisfaisante n'a été avancée par le Gouvernement pour justifier cet important délai. De même, quant au fond de la décision du 3 septembre 1999, la Cour a des difficultés à comprendre et accepter les motifs sur lesquels le tribunal des enfants de Hasselt s'est fondé pour décider de confier provisoirement la garde des enfants à leur mère. De toute évidence, une telle conclusion heurtait de front la décision d'exequatur ôtant à la mère la garde de ses enfants.
32. De surcroit, la Cour relève que le 19 novembre 1999, à savoir trois mois après lui avoir confié la garde des enfants, le tribunal correctionnel de Hasselt condamna Mme A.M. à huit jours de réclusion pour l'enlèvement de ses deux fils. Par ailleurs, cette décision ne faisait que partiellement confirmer la condamnation, bien plus lourde, que Mme A.M. venait de subir par le tribunal pénal de Vérone.
Trois mois plus tard, sans apparemment prendre en considération ni la décision d'exequatur, ni la condamnation de Mme A.M., le tribunal civil de Hasselt décida de confier la garde des enfants à leur mère. En juin 2000, la Cour de cassation confirma cette conclusion. Compte tenu de l'aversion envers un rapprochement avec leur père respectif manifestée par les enfants, et dans le souci d'éviter qu'un traumatisme psychologique durable se produise chez les enfants en raison d'un rapatriement forcé, les juridictions optèrent pour l'interdiction d'un tel déplacement.
33. La Cour exprime des réserves au sujet du processus décisionnel ayant conduit à ces décisions. Pour autant que les deux fils auraient fait preuve de réticences sérieuses quant à l'hypothèse de leur retour en Italie - point mis en avant par les juridictions qui eurent à statuer -, il convient en effet de se demander s'il était opportun de se contenter en l'espèce d'un seul rapport des services sociaux intervenu à fin novembre 1999, soit bien plus d'un an après la séparation des enfants d'avec leur père respectif, rapport dont l'objet, au demeurant, était la santé et la scolarité des enfants, et non leur situation psychologique (voir, a contrario, l'arrêt Sommerfeld c. Allemagne [GC], no 31871/96, § 71, CEDH 2003-VIII (extraits). Au lieu de confier rapidement et définitivement les enfants à leurs pères respectifs, légitimes titulaires de la garde, les autorités publiques ont considéré la tension entre les parents comme un danger qu'il convenait d'épargner aux enfants en les éloignant.
34. Pour le reste, aucune mesure n'a été prise par les autorités pour créer les conditions nécessaires à l'exécution urgente de l'ordonnance litigieuse.
La Cour estime que les autorités concernées ont négligé de mettre en œuvre toutes les mesures qu'on pouvait raisonnablement exiger d'elles pour assurer le retour des enfants auprès de leur père respectif. En confortant les enfants dans leur refus de retourner vivre avec leur père respectif, la passivité des autorités, cumulée avec l'inexorable écoulement du temps, aurait pu être à l'origine de la rupture totale des relations enfant-père, rupture que n'est aucunement à considérer comme étant dans l'intérêt supérieur de l'enfant (voir mutatis mutandis, Kutzner c. Allemagne, no 46544/99, § 79, CEDH 2002-I ; et, mutatis mutandis, Bianchi c. Suisse, no 7548/04, § 99, 22 juin 2006).
35. Eu égard à ce qui précède et nonobstant la marge d'appréciation de l'Etat défendeur en la matière, la Cour conclut que les autorités ont omis de déployer de façon rapide les efforts adéquats et suffisants pour faire respecter le droit des deux pères au retour de leur enfant respectif, méconnaissant ainsi leur droit au respect de la vie familiale garanti par l'article 8.

Partant, il y a eu violation de cette disposition.

II. SUR L'APPLICATION DE L'ARTICLE 41 DE LA CONVENTION
36. Aux termes de l'article 41 de la Convention,
« Si la Cour déclare qu'il y a eu violation de la Convention ou de ses Protocoles, et si le droit interne de la Haute Partie contractante ne permet d'effacer qu'imparfaitement les conséquences de cette violation, la Cour accorde à la partie lésée, s'il y a lieu, une satisfaction équitable. »

A. Dommage

37. Les deux pères demandent la réparation des dommages patrimoniaux et moraux subis en raison des événements litigieux.
M. Leschiutta réclame 178 000 EUR environ pour dommages matériels, qui correspondraient, entre autre, aux pertes de salaire subies en raison des congés utilisés afin de suivre les différents procès, en Italie et en Belgique (48 275,64 EUR), plus une perte de 52 000 EUR due à la vente précipitée de sa maison à une valeur inférieure au prix du marché afin de couvrir les dépenses importantes entraînées par la situation litigieuse. Il demande également la réparation des dommages moraux, qu'il estime à 500 000 EUR pour lui, ainsi que 1 000 000 EUR pour son fils Andrea.
M. Fraccaro demande 47 000 EUR environ pour dommages matériels. Il demande également la réparation des dommages moraux, évalués à 500 000 EUR pour lui, plus 1 000 000 EUR pour son fils Elia.
38. Le Gouvernement estime que les sommes demandées au titre du dommage matériel sont excessives, dépourvues de justificatifs et, pour la plupart, sans lien de causalité avec la violation alléguée de la Convention. Quant au préjudice moral, le Gouvernement s'en remet à la sagesse de la Cour.
39. La Cour estime, en ce qui concerne le dommage matériel, que les requérants n'ont pas suffisamment justifié et ventilé les sommes demandées. Il convient, dès lors, de rejeter cette demande.
40. Sur la réparation des dommages moraux en faveur d'Andrea et Elia, la Cour considère que le constat de violation de la Convention constitue en soi une satisfaction équitable suffisante et ne leur alloue aucun montant à ce titre. En revanche, tenant compte des circonstances de l'espèce, notamment des retards dans la mise en œuvre de l'ordre de retour des enfants auprès de leurs pères, qui provoquèrent une rupture prolongée des relations entre les intéressés, la Cour est d'avis que les deux pères ont subi un préjudice moral considérable qui ne saurait être réparé par le simple constat de violation de l'article 8.
Statuant en équité, comme le veut l'article 41, elle alloue 20 000 EUR à chacun des deux pères.

B. Frais et dépens

41. Certains justificatifs à l'appui, MM. Leschiutta et Fraccaro demandent une somme d'environ 58 750 et 28 150 EUR EUR respectivement, au titre des frais et dépens. Ces sommes couvriraient les frais encourus devant les juridictions italiennes et belges, ainsi que ceux relatifs à la procédure à Strasbourg.
42. Le Gouvernement estime ces montants excessifs et s'en remet à la sagesse de la Cour.
43. Comme le Gouvernement, la Cour estime excessives les sommes revendiquées. Compte tenu des circonstances particulièrement délicates de la cause, ainsi que des vicissitudes communes aux deux affaires, qui ont été traitées par les mêmes avocats, elle juge raisonnable d'allouer à chacun des deux pères 15 000 EUR à ce titre.
C. Intérêts moratoires
44. La Cour juge approprié de calquer le taux des intérêts moratoires sur le taux d'intérêt de la facilité de prêt marginal de la Banque centrale européenne majoré de trois points de pourcentage.

PAR CES MOTIFS, LA COUR, À l'UNANIMITÉ,

1. Dit qu'il y a eu violation de l'article 8 de la Convention ;

2. Dit
a) que l'Etat défendeur doit verser à chacun des deux pères, MM. Carlo Leschiutta et Luigi Fraccaro, dans les trois mois à compter du jour où l'arrêt sera devenu définitif conformément à l'article 44 § 2 de la Convention, les sommes suivantes :
i. 20 000 EUR (vingt mille euros), plus tout montant pouvant être dû à titre d'impôt, pour dommage moral ;
ii. 15 000 EUR (quinze mille euros), plus tout montant pouvant être dû à titre d'impôt par eux, pour frais et dépens ;
b) qu'à compter de l'expiration dudit délai et jusqu'au versement, ces montants seront à majorer d'un intérêt simple à un taux égal à celui de la facilité de prêt marginal de la Banque centrale européenne applicable pendant cette période, augmenté de trois points de pourcentage ;

3. Rejette la demande de satisfaction équitable pour le surplus.
Fait en français, puis communiqué par écrit le 17 juillet 2008, en application de l'article 77 §§ 2 et 3 du règlement.

Sally Dollé Antonella Mularoni
Greffière Présidente