Posts tonen met het label omgangsrecht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label omgangsrecht. Alle posts tonen

zondag, november 02, 2008

192. Het damesproject Mensjesrechten van de Nederlandse Kinderbescherming met IKON en HUMAN - over sexueel misbruik door moeders en omgangsregelingen


Zes documentaires "ter ere" van 60 jaar mensenrechten op 10 december 2008

Wiens brood men eet, wiens woord men spreekt.

Het is binnenkort weer zover. De overheidsportemonnaie wordt weer fors opengetrokken en het hele kinderbeschermingscircus van de overheid treed weer op voor eigen parochie over de splinters die men her en der waarneemt, zonder de balk in het eigen oog te willen zien.

Over een serie van zes documentaires "ter ere" van 60 jaar mensenrechten op 10 december 2008, een uitsluitend vrouwelijk redactie- en filmmakersteam van IKON en HUMAN, met een conglomeraat aan kinderbeschermers van de overheid en de door deze kinderbeschermers inmiddels in het leven geroepen satellietstichtingen en -initiatieven in diverse hoedanigheden (Raad voor de Kinderbescherming, Bureau Jeugdzorg, Defence for Children, INLIA, Kinderrechtencollectief, Ministerie Jeugd en Gezin, Nationale Jeugdraad, NJCM, No Kidding, Right Now Festival, SAMAH, Spirit, Stichting Geheim Geweld, Unicef, UVRM, VN Jongerendelegatie over kinderrechten).

Kenmerken:

  • Het hele duur betaalde “kinderbeschermingscircus” van de overheid doet weer mee op kosten van Rouvoet’s burgerportemonnaie
  • Geen enkele onafhankelijke organisatie van Nederlandse ouders of burgers werd betrokken of geconsulteerd voor een tegengeluid. Sterker zij zijn bewust buitengesloten van deze overheidsproductie.
  • Een uitsluitend vrouwelijk redactie- en filmmakersteam
  • Door de oudervijandige kinderbescherming met een beleidsbedoeling naar voren geschoven casusverhalen
  • Over de kindermishandelende boter op het hoofd van diezelfde kinderbescherming wordt niet gesproken.
  • Over de decennialange systematische verzwijging van de schadelijke gevolgen van het eigen ouderverstotingsbeleid van de overheid en de kinderbescherming bij scheiding voor kinderen in de zgn. rapportages van de kinderbeschermingssatelliet Defense for Children naar het Comité voor de Rechten van het Kind voor het Internationale Verdrag van de Rechten van het Kind wordt niet gesproken.

Desondanks klinkt de werkelijkheid in de weergegeven verhalen voor de goede lezer en verstaander soms ook hier door de gestileerde presentaties heen en spreekt dan voor zich:

“Toch vertelde Aaron ook aan deze hulpverlener niet dat zijn moeder hem seksueel misbruikte. ‘Ongeveer een jaar geleden heb ik dat pas bekend. De gezinsgroepouders waar ik toen bij woonde, zeiden dat ik daar in een psychose over had gepraat. Ik weet niet wat er gebeurt in zo’n psychose. Ik denk dat ik dan slaap en tegelijk veel ga vertellen.”

Bron: Van Aaron (14 jaar oud) uit: ‘Zij dachten al dat wij werden mishandeld, maar ze hadden geen bewijs’( Mensjesrechten » Redactie | 30-10-2008 | http://weblogs.hollanddoc.nl/mensjesrechten/2008/10/30/zij-dachten-al-dat-wij-werden-mishandeld-maar-ze-hadden-geen-bewijs/#more-25)

“Toen er een keer een wedstrijd was bij de Kinderbescherming, had ik een ontwerp gemaakt van een oor waarin een echte oorbel zat. Onder dat oor had ik geschreven dat mensen naar je moeten luisteren. Daarmee had ik de eerste prijs gewonnen en werd mijn ontwerp ook nog eens in een boek gepubliceerd. Tegenwoordig zie ik mijn vader nog maar weinig. Ik heb hem de afgelopen tien maanden nog maar twee of drie keer gezien. Momenteel heb ik niet zo veel behoefte aan contact.”

Bron: Van Thomas (15 jaar oud) uit ‘Niemand luisterde naar mij’ (Mensjesrechten » Redactie | 24-10-2008 | http://weblogs.hollanddoc.nl/mensjesrechten/2008/10/24/niemand-luisterde-naar-mij/#more-28)

Maar oordeelt u liever zelf. Zie hieronder.

Drs. Peter Tromp, pedagoog
Vaderkenniscentrum


Project Mensjesrechten

Op 10 december 2008, de dag waarop de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens 60 jaar bestaat, gaat ‘Mensjesrechten’ in première: zes korte films over kinderrechten in Nederland.

www.mensjesrechten.nl

Aandacht voor het kleine leven

Mensjesrechten » Marjoleine Boonstra | 17-10-2008 | 11:42 am

Foto door Marjoleine Boonstra

Zes korte films over de rechten van het kind in Nederland. Dat is de opdracht die ons, regisseurs van de IKON en HUMAN, is gegeven. De regisseurs van HUMAN zijn Eveline van Dijck, Dorothée Forma en Marjoleine Boonstra. Namens de IKON maken Wilberry Jakobs en Marijke Vreeburg een film.

Maartje Bakers van Recht zo die gaat producties deed maanden research voor de films en zocht naar kinderen in Nederland die onder bizarre omstandigheden leven. Kinderen die een veelbewogen leven achter de rug hebben en proberen een nieuwe start te maken.

Hoewel de films van ‘Mensjesrechten‘ gemaakt worden door verschillende regisseurs, willen we toch proberen er een serie van te maken. Het worden zes korte levensverhalen door de kinderen zelf geschreven en verteld, heel persoonlijk en intiem.

We laten de wereld om hen heen zien: de wereld die hen niet heeft opgemerkt en de wereld waarin ze nu leven. We beschuldigen geen mensen, we spreken geen oordeel uit, we laten het kind zelf omschrijven hoe zijn of haar wereld eruit ziet. Verwondert het kind zichzelf over de situatie, of kent hij of zij een meer beschermende wereld niet? We willen een signaal de wereld insturen en aandacht vragen voor het kleine leven van deze kinderen. Aan het einde van iedere film komt de toeschouwer te weten welk mensenrecht geschonden is. De wereld van een kind in drie minuten door het kind zelf verteld. Boze dromen met een verlangen naar een toekomstig paradijs.

Links


Project Mensjesrechten

Uit het redactielokaal

Mensjesrechten » Dorothée Forma | 20-10-2008 | 4:12 pm

Op de foto: De dames van het damesdocumentaireteam - bijeenkomst van de filmmakers en Maartje Bakers (Recht zo die gaat producties) in het gebouw Human.nl op de Weteringschans in Amsterdam. v.l.n.r. Marjoleine Boonstra, Marijke Vreeburg, Vanessa Ramaker, Maartje Bakerks, Dorothée Forma

Zes korte filmpjes over schendingen van de rechten van minderjarigen in Nederland. Als dit een poging is om aan te tonen hoe slecht de Nederlandse samenleving is, dan heb ik er – als regisseur – weinig zin in. Nederland is volgens mij het ‘aards paradijs’, waar veel mensen gráág willen wonen. Ik zou niet zo gauw een land weten waar het beter is. Dus: waar gaat het over?

Naar aanleiding van deze en andere opmerkingen ontbrandt een discussie. Schending van mensenrechten, dat kennen we vooral van buitenlandse regeringen die hun bevolking niet beschermen of zelfs actief achtervolgen. Hier in Nederland is dat niet aan de orde, maar toch zitten er nogal wat kinderen in stuitende situaties. Dakloos, zonder verblijfstatus, niet regelmatig gevoed, geslagen, misbruikt in kinderporno, te weinig opvoeding en aandacht ontvangend, onterecht gedetineerd…

Moeten we daar filmpjes over maken met als strekking dat De Overheid Te Weinig Opvang Biedt? Dat is wel erg makkelijk. Als ouders hun verantwoordelijkheid niet nemen, dan kan je niet verwachten dat de overheid alle gevolgen daarvan ondervangt. Nee, als er schendingen zijn dan zijn er ook schenders. Gaan we die aanspreken?

We formuleren het tenslotte zó: ook in Nederland staan de rechten van kinderen nogal eens onder druk en daar willen we met onze korte films attent op maken. Misschien dat er dan af en toe wordt ingegrepen door mensen die in hun omgeving situaties gewaar worden. Situaties die ze voorheen niet konden duiden.


Mensjesrechten » Verhalen van kinderen


Kindermishandeling | Verhalen van kinderen

‘Zij dachten al dat wij werden mishandeld, maar ze hadden geen bewijs’

Mensjesrechten » Redactie | 30-10-2008 | 12:34 pm


Dit jaar kwam het boek ‘Mishandelde kinderen aan het woord’ (Quirijn, 2008) uit, waarin kinderen aan het woord komen die mishandeld, misbruikt of verwaarloosd zijn. Schoolbegeleiders en hulpverleners die mishandelde kinderen willen herkennen en begrijpen, zouden van de verhalen kunnen leren. Journaliste Daniëlle Vogels voerde diepgaande gesprekken met honderden jongeren over ingrijpende ervaringen in hun leven. Lees het verhaal van Aaron. Zijn oom en tante dachten al dat hij werd mishandeld, ‘maar ze hadden geen bewijs’.

Alleen aan een klein bord in het gras is te zien dat dit het terrein is van een internaat. Onder metershoge naaldbomen loopt een zandweggetje en daarachter liggen weilanden met paarden en pony’s. Op grote afstanden van elkaar staan enkele woonhuizen en oude boerderijen. In de keuken van een van die boerderijen staat een vrouw van middelbare leeftijd met kort rossig haar en een brilletje op. Ze draagt een schort en roert in een grote pan. Eelke is gezinsgroepouder. Samen met haar man Cor zorgt ze voor zes jongens.

De 14-jarige Aaron komt binnen. Zijn wijde spijkerbroek sleept over de keukenvloer. Eelke gunt hem een blik in de pan. ‘Haa, lekker. Blindevinken en bloemkool’, zegt Aaron goedkeurend. Dat er ook aardappels bij horen, vindt hij niet vervelend. ‘Inmiddels ben ik wel aan Nederlands eten gewend’, grijnst hij.

Zittend op zijn bed op zijn eigen kamertje, vertelt hij dat hij in Nederland is geboren. ‘Mijn moeder is Italiaans. Omdat ze een hekel aan Nederlanders had, zaten wij altijd tussen de buitenlanders. Mijn vader is Antilliaan. Van mijn voogd mag ik dat eigenlijk niet zeggen, omdat niet bewezen is dat hij mijn vader is. Ik ken hem niet goed, maar ik weet het zeker. We lijken precies op elkaar. Mijn moeder kon lekker Italiaans koken als ze geld had. Vroeger aten we meestal rijst met kip. Of alleen droge rijst. Op een gegeven moment ging ik met mijn twee zussen en mijn broertje elke dag naar de cafetaria om de hoek. Mijn moeder was dan met een groep mannen en vrouwen bier aan het drinken op straat. Zij of een van die mannen gaf ons vijf euro en dan moesten we weer patat gaan eten. ‘s Ochtends maakte mijn oudste zus brood voor me. Of ik pakte zelf een half boterhammetje en nam de andere helft mee naar school, omdat we vaak niet meer hadden. Soms pakte ik stiekem kleingeld uit een glazen asbak op tafel. Daar kocht ik een Mars of Snicker van.’

‘Mijn moeder dealde drugs, maar ze hield het geld zelf. Daarom werd ze soms door een paar mannen helemaal in elkaar geslagen. Ons stuurden ze naar boven. We hoorden dan gekke geluiden. Er werden borden en pannen op de grond gesmeten en ruiten ingeslagen. Vaak zat mijn moeder daarna helemaal onder het bloed. Ongeveer vijf jaar geleden heeft de politie ons weggehaald uit die straat omdat het niet meer veilig voor ons was. Ze wisten niet dat mijn moeder dealde en ze brachten ons naar een opvanghuis. Dat was voor probleemmensen, maar dat wist ik niet. Tegen mij hadden ze gezegd: “Jullie gaan er even twee weekjes tussenuit. Naar een vakantiehuis.”

Ik vond het daar leuk. Je kreeg ’s ochtends, ’s middags en ’s avonds eten. En er waren lekkere bedden. Alles wat we thuis niet hadden. We hoefden niet naar school en kregen de hele dag aandacht van iedereen, omdat wij daar de enige kinderen waren. Niet iedereen was aardig. Mensen die dronken waren deden vreemd, net als mijn moeder. Ze was veel in een cafeetje in de buurt en kwam elke dag dronken binnen. Alleen omdat ze kinderen had, werd ze niet op straat gezet.’

‘We zijn vijf maanden in dat opvanghuis gebleven. Tot mijn moeder van het balkon sprong. De politie kwam die avond ineens in mijn kamer. Ze vertelden dat mijn moeder over iets was gestruikeld en dat ze naar het ziekenhuis was om even behandeld te worden. “Morgen is ze wel weer terug”, zeiden ze. Of zoiets. Terwijl ze allang wisten wat er was gebeurd. De volgende dag zeiden ze: “Jullie moeder is naar een ander ziekenhuis gebracht. Daar kunnen ze haar behandelen met betere apparaten. Ze heeft een beetje hoofdpijn, maar het komt wel weer goed.”

Toen we bij haar op bezoek gingen, moesten we mondkapjes aan. Ze lag op een aparte kamer, waar ze haar met apparaten kunstmatig in leven hielden. Ze had alles gebroken. Zelfs haar hoofd was geopereerd. Het zag er heel eng uit. “We denken dat ze van het balkon is gevallen”, zeiden ze toen. Ik zei: “Ja hallo, ze is gespróngen!” “Hoe weet jij dat?”, vroegen ze? “Dat weet ik gewoon”, zei ik. Ik had het stiekem gelezen in een rapportage die ik op een balie zag liggen.

Ik snap wel waarom ze hadden gelogen. Volwassen mensen denken dat kinderen niet meteen moeten horen wat er precies is. Ze kunnen het goed bedoelen, maar in mijn ogen is dat helemaal niet lief. Ze moeten gewoon meteen de waarheid zeggen. Ik haat het als ze liegen.

Er waren ook hulpverleners die zeiden: “Als het over een tijdje weer goed gaat, kunnen jullie misschien weer bij elkaar wonen.” Ik geloofde dat toen, maar zij wisten natuurlijk allang dat het nooit zou gebeuren. Hoe kon een vrouw die invalide was geworden nog ooit voor ons gaan zorgen?’

‘Mijn oudste zus werd naar haar vader op Aruba gestuurd. Mijn andere zus was bijna vijftien en ging naar begeleid kamertraining. Mijn broertje en ik kwamen in een pleeggezin. We zijn toen allemaal een eigen leven gaan leiden. Het is raar, maar op dat moment besefte ik dat niet. Alles ging zo snel. Die pleegouders waren lieve mensen, maar ik kon daar op dat moment niet mijn best doen. Ik was tien jaar en ik begreep het allemaal niet. Ik draaide helemaal door en deed echt gek. Een paar keer ging ik op het dak staan. “Zal ik net zo doen als mijn moeder?”, dacht ik. Maar ik wilde niet dood. Daarna deed ik het om aandacht te trekken. Zo van: “Hier, kijk mij! Jullie hebben het steeds over mijn moeder, maar ik ben er ook nog!”

Een keer zei ik “stomme Dien”, tegen die pleegmoeder. “Zo noem je mijn vrouw niet!”, zei haar man boos. Toch bleef ik het zeggen. Het is gek, maar ik kickte er op als ze kwaad werden. “Hier slaan ze me hier niet”, wist ik. “Dus ik kan doen wat ik wil.”

Die man bracht me naar mijn gezinsvoogd van jeugdzorg om te praten.

“Wat wil je nou?”, vroeg mijn voogd.

“Ik wil Eminem zien”, antwoordde ik. Dat is mijn favoriete rapper. Ik wist dat ze niet blij zouden zijn als ik dat zei. Ik bespeelde ze gewoon, omdat ik dat leuk vond.

“Wat komen jullie je met mijn leven bemoeien?”, dacht ik. Nu denk ik dat soms nog. Ik ben dwars. Dat is misschien niet goed, maar daardoor zal ik wel een goede rapper worden. Mijn bedoeling is dat iedereen mij eens gaat horen.’

Aaron weet nog precies hoe hij in de auto van zijn pleegvader vertelde over vroeger. ‘We waren naar het ziekenhuis geweest. Een begeleidster van mijn moeder was erbij. Ik praatte een beetje over dingen die gebeurd waren. Zo van: “O ja en toen sloeg ze ons…” Ik vertelde dat gewoon, omdat ik dacht dat het normaal was. Die begeleidster zei toen dat ze een gesprek met me wilde. Met mijn pleegvader ging ik een keer naar haar toe. Daar heb ik veel verteld over wat mijn moeder deed.

Overdag lag ze vaak op bed. Als wij een geluidje te hard maakten, riep ze: “Wat voor lawaai hoorde ik? Asociaal! Iedereen klaagt. Ik schaam me voor jullie.” Dan kregen we allemaal klappen. Als ze aan het koken was, pakte ze vaak ineens de koekepan en sloeg op je hoofd. Om de kleinste dingetjes. Als mijn broertje en ik snel wegrenden, kwam ze achter ons aan. We gingen altijd samen onder een klein tafeltje zitten als we bang voor haar waren. Daar voelden we ons goed.

Het was pas echt eng als ze alleen mij ging slaan. Als ik iets fout deed, of als ik op school straf kreeg, dan was ik de lul. Volgens mij vond ze het leuk, want ze lachte erbij en zei: “Dat heb je verdiend!” Soms propte ze een grote aardappel in mijn mond, zodat ik geen geluid kon maken. Dan bleef ze in mijn maag slaan en stampen tot ik echt niet meer reageerde.

Soms rende ik snel de deur uit. Dan mocht ik een nacht niet meer binnenkomen en zat ik in de schuur in de achtertuin. Ik dacht er niet aan dat het koud was of dat ik naar binnen wilde. “Waarom is mama boos?”, vroeg ik me alleen af. Ik maakte vaak cadeautjes voor haar. Ik sneed bijvoorbeeld brood in een hartje en deed er jam op. Als ik dat bij haar op bed bracht, sloeg ze het soms uit mijn handen en soms vond ze me heel lief.

Soms was ze zelf ook heel lief en werden we een weekje niet geslagen. Dan bracht ze ons ’s avonds naar bed, gaf ons een kusje en stoeide een beetje met ons. Als ze een beetje geld had, voelde ze zich wel goed. Vooral tegen mijn oudste zus deed ze gemeen. “Vind je haar zielig?”, vroeg ze als ze haar sloeg. Als je dan “ja” zei, was je zelf aan de beurt. Dus lachten wij mijn zus met zijn allen uit en zeiden dat het haar eigen schuld was.

Misschien was mijn moeder bang dat ze ongelijk had en wilde ze horen dat wij het met haar eens waren. Ze was gewoon gek, denk ik. Hoe dat kwam, weet ik niet. Ik weet niks van haar vroegere leven, behalve dat ze in veel tehuizen heeft gewoond. Als ik eerlijk ben, denk ik dat ze het toch niet echt leuk vond wat ze deed. Ze was er vast ook wel eens verdrietig om. Het kwam waarschijnlijk door de drugs dat ze verschillende buien had. Een keer brak ze per ongeluk mijn vinger. Daardoor schrok ze en het leek of ze ineens ontwaakte. Toen ging ze me ineens verzorgen.’

‘Soms gooide ze ons door een luik onder de grond, in de kruipruimte. Mijn zus heeft daar een keer een week gezeten. Ze mocht alleen naar school. En daarna moest ze er gelijk weer in. Dat deed ze uit zichzelf. Ze wist wat er zou gebeuren als ze het niet deed. Ik weet niet of ze het op de school van mijn zussen in de gaten hadden. Zij zaten al op de middelbare. Ik weet wel dat mijn moeder een paar grote boetes heeft gehad omdat mijn zussen elke dag te laat kwamen. Dat kwam doordat ze mij en mijn broertje elke dag wegbrachten naar school.

Ik vond het leuk op school. Daar waren vertrouwde mensen. Ik genoot van momenten dat mijn moeder er niet was en ik een beetje mezelf kon zijn, maar ik was ook erg vervelend. Echte vriendjes had ik niet. Ik maakte veel ruzie en sloeg iedereen in elkaar. Ik weet niet waarom.

Mijn moeder ging naar mijn school en pakte die mensen helemaal in. Ze zei dat ze bang was in onze straat, omdat iedereen daar asociaal was. Mijn juffen vonden dat zielig. Ze wilden wat voor ons betekenen en brachten ons met hun auto als we ergens naartoe moesten.

Mijn juffen hadden niet in de gaten dat er met ons iets niet klopte. Daar konden zij niks aan doen. Ze zagen alleen een moeder met vier kinderen die zei dat ze probeerde het goed te doen. Als er andere mensen bij waren deed ze aardig tegen ons. Ze was heel slim. Ze sloeg niet zo dat je bloed kreeg en de blauwe plekken zaten vaak onder mijn kleren. Ik heb het er op school nooit over gehad, omdat mijn moeder zei: “Je praat niet over dingen die in huis gebeuren.” En omdat ik toen dacht dat het normaal was.’

‘Op een ochtend zei mijn pleegvader: “Ik laat je misschien schrikken, maar je voogd komt je zo ophalen. Je gaat naar een instelling in je oude woonplaats.” Ik lachte. “Mag ik dan weer naar mijn oude school?”, vroeg ik. Alsof er geen ellende was. Een uur later was mijn voogd er. Ze vonden dat ik meer hulp nodig had. Zodat ik alles een plekje kon geven en verwerken. Als zij dat zeggen, zal het wel zo zijn, dacht ik. Ik snapte er niks van en deed gewoon wat er gezegd werd.

Eerst kwam ik in de crisisopvang bij de psychiatrische inrichting. Ik vond het geen probleem dat ik daar ging wonen. Het was leuk dat er ook andere jongens waren. Daarna kwam ik in het kinderhuis. Daar voelde ik me een stuk ouder dan de anderen. Ik moest spelen met meisjes van zes ofzo. Dat vond ik helemaal niet leuk. Het was ook stom dat je steeds in een rode map moest kijken wat je moest doen. Elk kwartier iets anders. Heel erg strikt.

Ik werd steeds bozer. En toen mijn voogd vertelde dat mijn moeder weer had geprobeerd zelfmoord te plegen, werd ik steeds gekker in mijn hoofd. Het leek of ik in een soort trance raakte. Omdat ik zag dat andere kinderen helemaal flipten als ze boos waren, ging ik dat ook doen. De hulpverleners legden me dan op de grond met mijn armen en benen op mijn rug. Daar kon ik helemaal niet tegen. Als mensen me vervelend aanraken, krijg ik een waas voor mijn ogen en blijf er op los slaan. Ik weet niet waarom. Soms moesten ze me met zes man vasthouden. Een keer of vijf vonden ze het nodig om me in een cel te gooien. Daar was alleen een ijzeren bed en een ijzeren wc. Je kunt daar niks, alleen tegen de muren slaan. Op een gegeven moment ben je zo moe van het schreeuwen en slaan dat je in slaap valt.’

‘In die psychiatrische instelling ben ik bijna een jaar geweest. De meeste hulpverleners daar vond ik irritant. Toen ik binnenkwam hadden ze al gelijk een manier om met mij te werken, terwijl ze nog niet eens wisten wie ik was. Ze deden alsof ze alles van mijn leven wisten, maar ik had nog lang niet alles verteld. Ik moest alles doen wat zij zeiden en ze wilden nooit naar mij luisteren. Aan sommige psychiaters met wie ik moest praten, had ik ook een hekel. Die gebruikten moeilijke taal. Als ik mijn verhaal aan het doen was, zeiden ze er bijvoorbeeld ineens tussendoor dat het een huppeldepup-geval was. “Gefeliciteerd!”, zei ik dan. Ik snapte soms echt niet waar ze het over hadden.

Er was één hulpverlener waar ik goed mee kon opschieten. Die had niet zo’n streng gezicht, was aardig en had gewoon begrip voor me. Die vertrouwde ik wel.’

Toch vertelde Aaron ook aan deze hulpverlener niet dat zijn moeder hem seksueel misbruikte. ‘Ongeveer een jaar geleden heb ik dat pas bekend. De gezinsgroepouders waar ik toen bij woonde, zeiden dat ik daar in een psychose over had gepraat. Ik weet niet wat er gebeurt in zo’n psychose. Ik denk dat ik dan slaap en tegelijk veel ga vertellen.

Hij schaamt zich voor het seksueel misbruik, zegt hij. ‘Dat is iets wat van jezelf is. Het is niet leuk als je dat soort dingen bij je eigen moeder meemaakt.’ Verder heeft hij het er liever niet over. ‘Ik denk er eigenlijk nooit meer aan en heb er geen last meer van.’ Hij glimlacht: ‘Ik ben gewoon normaal en met de meisjes gaat het wel goed.’

Hoewel hij het er niet leuk vond, had hij verdriet toen hij de psychiatrische instelling verliet. ‘Ik was er toch gehecht. “Ik woon hier en ik ga hier niet meer weg”, dacht ik. Ik huilde toen ik weg moest.’ Hij kwam terecht in het internaat waar hij op dit moment ook woont, maar dan in een ander huis bij andere gezinsgroepouders. ‘Vanaf de eerste dag vond ik die niet aardig. Ze waren boers en begonnen meteen over mijn pet te zeuren. Ik was er nog geen twee uurtjes binnen en ik liep al weg. Op een gegeven moment kwam ik bij het station en ging in de wc zitten van de trein naar de stad waar ik vroeger woonde. Bij kennissen van mijn moeder kwam die vader van de gezinsgroep me weer halen. Zelfs de politie was erbij.

Ik kon er niet goed tegen dat ik ineens weer bij andere mensen kwam. Van die gekke Nederlandse mensen met hun regeltjes; met mes en vork eten, aardappels prakken, elke dag een andere handdoek en je bed netjes houden. Dat lijken misschien kleine dingetjes, maar voor mij waren het grote veranderingen. Vroeger deed ik maanden met een handdoek. Ik moest het niet wagen om hem vies te maken.’

Drie jaar woonde Aaron bij die gezinsgroepouders. ‘Eerst met een paar andere jongens en meisjes. Toen ze naar een klein boeren dorp verhuisden, namen ze alleen mij en één meisje van zestien mee. Ik haatte haar. Ze deed heel bijdehand en was heel anders als er anderen bij waren. Dan praatte en lachte ze als een kind van zeven. Op de school waar ik toen op zat, had ik ook geen vrienden. Daar waren allemaal boeren. Er was maar één jongen die ook vrij donker was. Dus dat was heel bijzonder. “Hoe komt het dat je zwart bent jong?” “Is je moeder ook zwart?”, vroegen ze. Daar kon ik echt niet tegen.

Van die gezinsgroepouders mocht ik niet rappen, omdat ze dat slecht vonden. En ik mocht geen hiphopkleren aan. Ik liep daar met hele strakke broeken. Die vrouw ging mee winkelen en zij koos uit wat ik moest dragen. Ze waren arrogant. Ze hadden het altijd over hun familie en vergeleken die met mijn familie. Zo van: “Onze dochter kon dat al op die leeftijd. Zou je zus ook eens moeten doen.” Dan dacht ik bij mezelf: “Gefeliciteerd. Kijk eens naar het leven van jouw heilige dochter. Voor haar staat eten en drinken altijd klaar. Als mijn zus ’s nachts thuis komt van haar werk staat er niks voor haar klaar.” Dat zei ik niet hardop. Die mensen werden snel boos en ze hadden een strenge uitstraling. Daardoor durfde ik niks te zeggen of te vragen. Ik mocht niet naar mijn zussen omdat ze dachten dat die aan de drugs waren. Ze hadden vooroordelen omdat ze op teevee zagen hoe het er bij sommige Antillianen aan toe gaat. “Had mij dan ook niet in huis genomen”, dacht ik.

Uiteindelijk ben ik weer een paar keer weggelopen. Ik wilde terug naar het internaat. Een paar maanden geleden mocht dat eindelijk. Hier zijn meer jongens, kan ik lekker sporten en er is een muziekstudio waar ik mijn raps kan opnemen.

Mijn nieuwe gezinsgroepouders Cor en Eelke zijn heel lief. Je kunt alles tegen ze zeggen en ze begrijpen je. Ze kijken nergens van op, want ze hebben al veel jongeren in huis gehad. Als ik ergens mee zit, kan ik dat bij hen kwijt of bij mijn beste vriend Marc die ook hier woont. Eelke en Cor gaan niet meteen met je om zoals ze denken dat het hoort, maar ze leren je eerst kennen. Dat gaat vanzelf als je met elkaar woont, leeft en eet. Er is hier nergens een lijstje met regels. Je moet gewoon respect voor elkaar hebben.’

Terug op het internaat ging Aaron aanvankelijk naar een school in de dichtstbijzijnde stad. Na een paar maanden werd hij daar weggestuurd. ‘Omdat ik een grapje maakte en moest lachen, werd ik de les uitgezet. Ik zei: “Nou mevrouw, bedankt voor de les en betalen doen we later wel.” Daardoor werd ze nog bozer. Toen kwam de directeur en liet ik mijn broek zakken. “Je kan mijn kont kussen”, zei ik.

Er was ook een leraar die aan me ging zitten omdat ik iets moest opruimen of zo. Ik schopte allemaal prullenbakken door de aula en dreigde ik dat ik zijn kop zou afhakken en een mes in zijn hart zou steken. Toen had ik het dus verknald. Dat was wel jammer. Nu zit ik hier op het internaat op een school voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen. Daar is het niet leuk. Vooral bij het sporten irriteer ik me. Als ze uitleggen hoe het spel werkt, zeggen ze erbij: “Je gaat niet aan elkaar zitten en je gaat niet lopen klooien. Doe je dat wel, dan ga je eruit!” Ik zeg dan: “Meneer waarom zegt u dat allemaal? Dat doen ze op een gewone school toch ook niet? Kijk het eerst effe aan!” Ze vinden mij brutaal. Ik vind dat ik dat niet ben. Soms heb ik gewoon zin om iemand op te fokken. Nou ja, ik moet maar even mijn best doen op deze school en dan hoop ik dat ik zo snel mogelijk vertrokken ben.’

‘Een keer in het half jaar is er een bespreking over mij. Daar is een mentor bij die vertelt hoe het op school gaat. Cor en Eelke zijn erbij en mijn voogd ook. Zij regelt alles met geld enzo. Ze heeft er ook voor gezorgd dat ik in dit internaat kwam. Het laatste half uurtje ben ik zelf bij die bespreking. Dan vertellen ze waar ze over hebben gepraat en wat ze in het vervolg willen doen met familiebezoek enzo. Het zal wel nodig zijn, maar ik hou me niet zo bezig met alle dingen die er om me heen gebeuren. Ik ben hier gewoon en ik probeer zoveel mogelijk op te houden dat dit mijn thuis is.

Een keer in de twee weken ga ik nu een weekend naar een van mijn zussen. En af en toe logeer ik bij mijn tante en oom. Zij dachten al dat wij werden mishandeld, maar ze hadden geen bewijs. Mijn tante heeft het wel eens aan ons gevraagd, maar dan logen we altijd omdat we niet mochten praten over dingen die thuis gebeurden. Achteraf vindt Aaron dat niet erg. ‘Nu is het gewoon goed. Anders was het allemaal anders gegaan. Mijn moeder was zo goed in manipuleren. Misschien waren we op een gegeven moment naar haar teruggestuurd. Reken maar dat het dan fout was gegaan. Ze had ons doodgeslagen, of ik zou een crimineel zijn geworden en mee drugs moeten verkopen.’

‘Eigenlijk wilde ik mijn moeder niet meer zien, maar in het begin kwam ze een keer in de zes weken naar het internaat. Dat was niet leuk. Ze was eng. Haar hoofd was helemaal anders. Ze had allemaal littekens en ze kon bijna niet meer lopen. Meestal gingen we een stukje rijden in de auto. Ze zei dan de hele tijd dat ze van me hield. Daar kon ik helemaal niet tegen, want dat had ze nog nooit gezegd. Volgens mij kan ze dat niet eens voelen. Ik denk dat ze het zei omdat ze helemaal niks meer had en haar kinderen terug wilde.

Ik zei nooit wat uit mezelf tegen haar. En ik gaf alleen van die antwoorden die snel klaar waren. Als ze vroeg: “Alles goed?” zei ik: “Ja.” En als ze vroeg: “Heb je nog iets gedaan?” zei ik: “Mwah, niet zoveel.”

Ongeveer twee jaar geleden heb ik gezegd dat ik geen contact meer met haar wilde.

“Als ik ouder ben, zoek ik haar op en steek haar neer”, dacht ik een hele tijd. Toen was ik nog erg boos. Nu niet meer. Ik heb nu een goed leven. Waarom zou zij dan nog straf moeten krijgen? Ik denk er zelfs over om haar eens op te zoeken. Het is gek, maar het is mijn moeder en ik wil haar toch wel weer een keer zien. Niet om het over dingen van vroeger te hebben, maar om te kijken hoe het met haar is. Mijn ene zus ziet haar nog af en toe. Zij zegt dat mijn moeder zo gek is in haar hoofd dat ze niet begrijpt dat ze fout is geweest. Als mijn zus iets over vroeger zegt, zegt mijn moeder dat ze het niet meer weet en dat ze zoiets nooit zou doen.

Heel af en toe hebben mijn zus en ik het samen nog over vroeger. Als we toevallig op een herinnering komen ofzo. Verder ben ik er niet meer mee bezig. Ik droom er ook niet vaak meer van. Pas geleden droomde ik wel dat mijn moeder Eelke was. Ik denk omdat ik onbewust wens dat mijn moeder zo aardig was als Eelke.’

‘Mishandelde kinderen aan het woord’ (2008) van Daniëlle Vogels is te bestellen bij Uitgeverij Quirijn.


Kindermishandeling | Verhalen van kinderen

‘Niemand luisterde naar mij’

Mensjesrechten » Redactie | 24-10-2008 | 3:25 pm

De films uit de serie Mensjesrechten (première: 10 december) geven een paar voorbeelden van wat er allemaal mis kan gaan op het gebied van kinderrechten in Nederland. Thomas hoorde van het project en wilde graag zijn eigen verhaal vertellen. Toen zijn ouders gingen scheiden, veranderde zijn leven drastisch. Alsof de scheiding nog niet erg genoeg was, moest de rechter een uitspraak doen over de omgangsregeling: wanneer en hoe vaak Thomas zijn vader zou gaan ontmoeten. Thomas had het gevoel dat niemand naar zíjn mening vroeg…

Heb jij ook het gevoel dat jouw rechten geschonden zijn? Dan kan je hieronder je verhaal plaatsen. Net als Thomas kun je er tips bijzetten voor andere kinderen in jouw situatie of voor volwassenen die ermee te maken hebben.

Ik ben Thomas, ik ben 15 jaar oud. Mijn ouders zijn al zeven jaar gescheiden. Ik heb een brief geschreven over de scheiding tussen mijn ouders en de dingen die er daarna gebeurd zijn.

Door andere mensen mijn verhaal te laten lezen kan ik er misschien voor zorgen dat er meer aan de kinderen gevraagd wordt, en dat ook rechters en voogden naar hen luisteren. De regel dat je vanaf je twaalfde mag zeggen bij wie je wilt wonen klopt niet vind ik, zeker niet als kinderen onder die leeftijd worden gedwongen om naar een van hun ouders te gaan, omdat de rechten van hun vader of moeder belangrijker zijn.

Mijn verhaal

Bij ons was er een omgangsregeling, waarin was afgesproken dat mijn broertje en ik om het weekend naar mijn vader gingen. Ik heb dat maar een paar keer gedaan. Toen wilde ik het niet meer. Ik heb in de periode voor en nadat mijn ouders gescheiden zijn namelijk vier à vijf verhuizingen meegemaakt. Wij waren niet op de verhuizingen voorbereid. Daarbij hoorde ook het wisselen van scholen. Vanuit mijn veilige leventje belandde ik in een omgeving zonder voor mij vertrouwde mensen en schoolvriendjes. En mijn vader had het merendeel van het speelgoed verkocht. Als ik naar mijn vader ging, had ik daarom heel veel heimwee naar huis.

Een keer ben ik opgesloten door mijn stiefmoeder omdat ik naar huis wilde. Uiteindelijk is ze met mij naar kennissen gegaan. Hun dochtertje van vijf moest mij toen overtuigen te blijven, maar dat lukte niet. Daarna heeft ze mij thuis afgezet. Doordat ik al niet graag naar mijn vader wilde (althans niet slapen) en ik die ene keer niet weg kon (deur op de knip) ben ik totaal in paniek geraakt.

Jeugdzorg heeft van alles geprobeerd om mij weer naar mijn vader te krijgen. Zelfs om me te dwingen naar mijn vader te gaan, maar niets hielp, ik wilde echt niet. Mijn broertje ging wel naar hem toe, om het weekend.

Een keer heeft mijn moeder mij in opdracht van de voogd de auto in geduwd. De buurman zag mij tegenstribbelen en kwam toen vragen of dit wel normaal was. Mijn vader stond erbij en riep toen: ‘als het zo moet, laat dan maar’.

Mijn broertje ging wel met mijn vader op vakantie, dat heb ik zelf maar twee keer gedaan.

Mijn vader heeft ooit eens gezegd door de telefoon aan mijn moeder - en daar zat ik bij in de buurt (ik kon weer eens niet slapen en stond op de gang te luisteren) - dat mijn broertje maar bij hem moest gaan wonen en dat ik maar in een pleeggezin moest gaan wonen. Als hij de kinderen niet kreeg, dan mijn moeder maar helemaal niet, vond hij.

Ook heeft hij mij een keer als vermist opgegeven toen ik met mijn moeder op vakantie was. Toen stonden mijn moeder en ik op kerstavond op het politiebureau om aan te geven dat ik niet vermist was. Aan mijn broertje, die bij hem was tijdens deze vakantie, vertelde hij dat mijn moeder hem daar achterliet en hem niet meer wilde. Hij heeft daar nog steeds problemen mee.

Ik kan beter met mijn stiefmoeder opschieten dan mijn broertje dat kan. Maar ze is af en toe een beetje raar. Ze liep een paar jaar geleden toen mijn broertje en ik jonger waren, naakt door het huis en ze doet wel meer van die gekke dingen. Toen ze een miskraam had, kregen wij de foto’s daarvan te zien (de foetus was elf weken oud). In een andere vakantie vertelde de vrouw van mijn vader over hun seksleven aan mijn broertje.

Twee jaar geleden ging mijn broertje ook niet meer om het weekend naar mijn vader toe. Wel gingen we samen af en toe nog een dagje.

Ik heb samen met mijn broertje een paar jaar onder toezicht gestaan (OTS) bij de Kinderbescherming. Dat kwam doordat mijn vader beweerde dat mijn moeder ziek in haar hoofd was en ons mishandelde. Dat was niet waar. We hebben toen verschillende voogden gehad, omdat de eerste overspannen werd. Maar toen zij weer beter was, mochten wij geen contact met haar zoeken. Zij was aardig en luisterde ook naar het verhaal van ons en mijn moeder. De tweede voogd was helemaal niet aardig. We hadden een hekel aan haar, omdat ze in haar rapportages schreef dat wij stiekem waren verhuisd, terwijl mijn moeder dit per brief netjes aan haar en aan mijn vader had verteld.

Het ondertoezicht staan vond ik heel onprettig, vooral met de tweede voogd. Op een gegeven moment hadden we bijvoorbeeld een rechtszaak over de paspoorten van mij en mijn broertje. De rechter vroeg aan ons hoe vaak we onze voogd (de 2e) hadden gezien. We zeiden: ‘Eén a twee keer’. Toen gingen de voogd en de rechter lachen om ons antwoord. Het leek net alsof ze ons niet geloofden.

In die rechtszaak wilden mijn broertje en ik een brief aan de rechter geven. De voogd probeerde dat te verhinderen, terwijl wij die brief samen met onze therapeute hadden opgesteld. In de brief gaven wij aan dat we het niet eens waren met de rapportages van de voogd. Ook trok de voogd elke keer partij voor mijn vader. Niemand luisterde naar mij en de voogd probeerde me niet eens te begrijpen. Mijn heimwee was niet bespreekbaar, maar wel de rechten van mijn vader om zijn kind te zien.

De OTS (ondertoezichtstelling) is uitgesproken vijf weken voordat ik 12 jaar werd en dat terwijl je met 12 jaar ook gehoord moet worden. Mijn moeder had een verklaring van de Raad voor de Kinderbescherming dat van het vooronderzoek helemaal niets klopte. Toch werd de OTS uitgesproken.

Toen er een keer een wedstrijd was bij de Kinderbescherming, had ik een ontwerp gemaakt van een oor waarin een echte oorbel zat. Onder dat oor had ik geschreven dat mensen naar je moeten luisteren. Daarmee had ik de eerste prijs gewonnen en werd mijn ontwerp ook nog eens in een boek gepubliceerd.

Tegenwoordig zie ik mijn vader nog maar weinig. Ik heb hem de afgelopen tien maanden nog maar twee of drie keer gezien. Momenteel heb ik niet zo veel behoefte aan contact. Hij is alweer iets meer dan vier jaar getrouwd met mijn stiefmoeder.

Mijn vader sprak altijd kwaad over mijn moeder, maar sinds een tijdje vraagt hij hoe het met mijn moeder gaat. Dat vind ik af en toe heel moeilijk, omdat ik niet helemaal begrijp, waarom hij naar mijn moeder vraagt. Ik weet meestal niet hoe ik daar op moet reageren. Ik merk ook vaak dat hij wat wil zeggen over een bepaalde situatie, maar dan roept mijn stiefmoeder hem. Hij mag er dan niet verder over praten. Ik vind dat heel vervelend. Het lijkt dan net alsof ze denken dat ik dat niet door heb. Ik vind dat heel vervelend, want ik merk het heus wel.

In mijn geval hebben de vele rechtszaken over de voogdij en paspoorten voor veel onrust gezorgd en konden mijn broertje en ik geen gevoel van veiligheid en geborgenheid krijgen. Ik denk dat dit een schaduw is over mijn kinderjaren. Vanaf de scheiding.

Tips voor kinderen:

Ik heb wel een paar tips voor andere kinderen in deze situatie. Probeer iemand te vinden waar je goed mee kan praten en die (in sommige gevallen zoals de mijne) niet probeert te bemiddelen tussen vader en moeder. Dat maakt de situatie namelijk alleen maar erger maakt, want het kind krijgt dan geen hulp.

Tips voor volwassenen:

Tantes of ooms, opa’s of oma’s of andere volwassenen in de buurt moeten luisteren naar de kinderen. Die hebben een andere waarheid hebben dan hun vader of moeder. Ze moeten zich afvragen: wat is goed voor het kind? In mijn geval: rust en zelf bepalen of je er weer aan toe bent naar je vader te gaan.

Mijn advies aan vader en moeder:

Niet negatief over de andere ouder tegen de kinderen praten, maar zorgen voor rust en zekerheid of veiligheid.

Wil jij ook je verhaal kwijt? Plaats hieronder een bericht of stuur je verhaal naar de redactie.

RECHT ZO DIE GAAT - Producties

RECHT ZO DIE GAAT producties; Maartje Bakers; scenarist, regisseur, producent; Voor documentaire, programma en opdrachtfilm; donderdag 14 augustus 2008

2008. In productie.

Mensjesrechten, kinderrechten onder druk. Reeks mini-documentaires en een website over kinderrechtenschendingen in Nederland. Een co-productie van Recht zo die gaat, omroep HUMAN en IKON.

Uit te zenden in december 2008, in het kader van het zestigjarig bestaan van de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens. Geinitieerd door het Nederlands Juristencomite voor de Mensenrechten. Met medewerking van meerdere organisaties voor de bescherming van kinderrechten in Nederland, zoals Defence for Children.

Makers: Marjoleine Boonstra, Dorothee Forma, Eveline van Dijck, Wilberry Jakobs en Marijke Vreeburg. Camera: Marco Nauta. Geluid: Pjotr van Dijk.

Meer weten? Surf naar de: www.mensjesrechten.nl

MARJOLEINE BOONSTRA FOTO FILM

maandag, oktober 06, 2008

172. Juridische Café over het Omgangsrecht :: Vanavond 6 oktober om 19.00 uur in Groningen

Vanavond :: Juridisch Café van de Juridische Faculteitsvereniging Groningen

De lagerhuiscommissie van de Juridische Faculteitsvereniging Groningen organiseert op 6 oktober in het Goudkantoor een Juridisch Café. Het onderwerp is ‘Omgangsrecht'. Op deze informele avond wordt gediscussieerd over alles wat te maken heeft met omgangsrecht.

De volgende sprekers zullen aanwezig zijn:

* De heer Vonk (Raad voor de Kinderbescherming)
* De heer mr. Buijtenhuijs (Kinderrechter in Leeuwarden)
* De heer mr. Prinsen (oud-advocaat , schrijver manifest ‘Vadertop 2007' )

Ben je geïnteresseerd in het onderwerp en/of lijkt het je boeiend om met medestudenten te discussiëren over omgangsrecht, dan zien we je graag verschijnen.

We beginnen om half acht, vanaf zeven uur ben je van harte welkom. Bier, fris en wijn kosten slechts 50 cent.

Graag tot ziens!

donderdag, augustus 21, 2008

137. Vlaanderen - Vechtscheiding eindigt in cel - Elk jaar 20.000 klachten over bezoekrecht

Vechtscheiding eindigt in cel
De Standaard Online - Van onze redacteur - Dajo Hermans - Bekijk de pagina uit de krant - donderdag 21 augustus 2008


Guy Laureys: 'Mijn kinderen zien mij niet meer graag.'
Walter Saenen © Walter Saenen

ANTWERPEN - De Antwerpse strafrechter velde zopas een bijzonder vonnis: hij veroordeelde een vrouw tot één jaar effectieve celstraf omdat ze haar ex-man vier jaar lang verhinderde om contact te hebben met hun twee kinderen.

Dat een moeder of vader veroordeeld wordt omdat het omgangsrecht niet gerespecteerd wordt, gebeurt wel vaker in ons land. Maar dat een rechter mama of papa naar de cel stuurt, mag in dit soort zaken gerust uitzonderlijk genoemd worden. De rechtbank stelde dat Guy Laureys (38) uit Kruibeke jarenlang psychisch werd mishandeld.

'Ik ben dan ook getekend voor het leven', zegt Laureys, die zijn kinderen in vier jaar tijd elf keer te zien kreeg. 'Echt alles heb ik geprobeerd: van pure goedhartigheid tot gerechtelijke stappen. Intussen heeft ze zelfs 23.000 euro aan dwangsommen moeten betalen. Maar niets hielp.'

Het is nu zeventien jaar geleden dat Laureys met de liefde van zijn leven trouwde. Het stel kreeg twee kinderen: een zoon, Sven, die nu 14 is, en een dochter, Lien, nu 12. Na dertien jaar was het sprookje uit. 'Ik hield nog van haar, maar samenleven was onmogelijk geworden', zegt Laureys. 'De laatste ochtend dat ik alleen bij hen was, hebben we samen leuke foto's gemaakt. Ik wilde er een onvergetelijk moment van maken. Je weet maar nooit, dacht ik toen onbewust.'

Het kwam inderdaad tot een vechtscheiding. Met als pijnlijke inzet: de kinderen. 'Ik kon al vrij snel omgangsrecht verkrijgen, maar in de praktijk kreeg ik mijn kinderen bijna nooit te zien. En daar zijn in de eerste plaats de kinderen zelf het slachtoffer van geworden. Zelfs de rechter kon het op den duur niet meer aanzien en heeft hen dan in een instelling geplaatst. Dat het zover moest komen. Onbegrijpelijk.'

'Ik ben altijd papa gebleven, maar na een tijd herkende ik mijn eigen kinderen niet meer. En ik garandeer je: zoiets doet pijn. Ze waren volledig gebrainwasht. Het was altijd hetzelfde: papa wilde mama in de cel laten stoppen, papa zorgde ervoor dat ze droge boterhammen moesten eten, en papa wilde niet bijleggen voor de skivakanties. De keren dat ik mijn kinderen gezien heb, kon ik zoveel uitleggen als ik wilde: ze wisten niet meer wat ze moesten geloven en gingen soms gewoon lopen.'

'Ik was de grote boeman, terwijl ik er verdorie alles voor over had om hen ook maar even te kunnen zien. Hoe hard het ook was, al die jaren ben ik ze verjaardagskaarten blijven sturen. Maar elke keer werden ze verscheurd teruggestuurd. En dan zat er steevast een briefje bij met het opschrift: “Veel puzzelplezier,. Daar ga je kapot aan.'

Na vier jaar procederen is nu ook voor de Antwerpse strafrechter de maat vol: de moeder kreeg één jaar effectief voor 'psychische en morele mishandeling'. De voortdurende stokerijen tegen hun vader zouden ervoor gezorgd hebben dat hij in de ogen van zijn kinderen uitgroeide tot een harteloos, afschuwelijk persoon met wie ze nog maar nauwelijks contact willen.

'Ik zou blij moeten zijn, maar ik durf niet meer', zegt Laureys. 'Hoe je het ook draait of keert: na die immense strijd én zelfs na deze gerechtelijke uitspraak, sta ik in feite nog geen stap verder. Als ik op tv een vader met zijn kinderen zie dollen, begin ik al te janken. Mijn kinderen zien mij niet meer graag. Erger kan een mens niet overkomen.'

Dajo Hermans


Elk jaar 20.000 klachten over bezoekrecht
De Standaard Online - Bekijk de pagina uit de krant - donderdag 21 augustus 2008

BRUSSEL - Jaarlijks behandelen de parketten zo'n 20.000 klachten over inbreuken op het bezoekrecht.

De Antwerpse strafrechter veroordeelde zopas een vrouw tot één jaar effectieve celstraf omdat ze haar ex-man vier jaar lang verhinderde om contact te hebben met hun twee kinderen.

Hoewel geregeld strenge straffen worden uitgesproken voor het niet naleven van de verblijfsregeling, ligt het aantal inbreuken toch bijzonder hoog.

Vorig jaar behandelden de parketten 19.341 klachten in verband met inbreuken op de verblijfsregeling. In 2006 waren dat er 19.800, in 2005 ging het om 22.219 klachten. In heel wat gevallen gaat het om een van de ouders die weigert het kind af te geven aan de ex-partner.

'Telkens is het slachtoffer het kind', zegt kinderrechtencommissaris Ankie Vandekerckhove. Daarom pleit het Kinderrechtencommissariaat nu voor het verplicht inschakelen van een bemiddelaar.

'In Noorwegen is dat nu al het geval. Ouders met kinderen tot 15 jaar zijn daar verplicht om naar een bemiddelaar te stappen, vooraleer ze kunnen scheiden. Waarom kan dat bij ons niet? Een bemiddelaar biedt geen garantie op succes, maar het kan wel een extreme vechtscheiding voorkomen.'

Luc Arron, de voorzitter van Steunpunt Blijvend Ouderschap, meent dat de gerechtelijke instanties dikwijls nog te laks optreden, waardoor in veel gevallen de situatie escaleert.

'Wij krijgen hier wekelijks ouders over de vloer die al jarenlang vechten om hun kinderen te kunnen zien', aldus Arron. 'Maar telkens opnieuw botsen ze op een muur.'

Jaarlijks worden in ons land ruim 30.000 huwelijken ontbonden. Naar schatting maken elk jaar zo'n 35.000 minderjarigen een scheiding van hun ouders mee. (dhh)


Nadere toelichting bij de cijfers uit bovenstaand artikel:

Naar mededeling van F4J België gaat het bij de meldingen aan het Belgische parket om een drietal zgn. “misdrijven tegen de familie” (naar de terminologie uit de statistieken van het Vlaamse College van de Procureur-Generaal):

  • 85 % (optellend tot de voornoemde 20.000 meldingen per jaar) betreft meldingen inzake het niet afgeven van kinderen (c.q. het niet nakomen van het omgangsrecht en/of de regeling voor gedeeld ouderschap, beurtelingse huisvesting of bilocatie
  • 12,5 % betreft meldingen van familieverlating (c.q. het niet betalen van onderhoud)
  • en 2,5 % betreft meldingen van kindermishandeling
Peter Tromp
Vaderkenniscentrum
Zie daartoe verder ook de website van F4J België:
Onpartijdigheid gewaarborgd door de discriminerende
Bron: www.f4j.be - 26 - 07 - 2006

De onafhankelijke onpartijdige rechter wordt als één van de peilers voor een democratie aanzien. Vooringenomen rechters zorgen nu eenmaal voor oneerlijke processen. Als de vereiste van onafhankelijkheid en onpartijdigheid in het gedrang komt, dan zou er bijzonder streng moeten worden geoordeeld. Vooreerst moeten de rechterlijke organisatie en de rechtspleging zo zijn gestructureerd dat er in hoofde van de rechtzoekenden geen twijfel omtrent de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke instantie kan rijzen. Als de onpartijdigheid gewaarborgd wordt door de discriminerende zal dit wegen op het vertrouwen van de burger in onze magistratuur.

Justice must not only be done, it must also be seen to be done.
Men moet al vooringenomen en van kwade wil zijn mocht men twijfelen aan het gender-neutrale karakter van de uitspraken van onze rechters bij misdrijven tegen de familie.

Twee voorbeelden van misdrijven tegen de familie zijn het niet betalen van onderhoudsgelden voor de kinderen (in juridische taal "familieverlating") en het niet afgeven van de kinderen aan een ouder die nochtans wel het recht heeft op persoonlijk contact met die kinderen. Bij analyse van deze misdrijven stellen we vast dat er jaarlijks ongeveer 17000 klachten binnenstromen bij het Parket wegens het niet afgeven van de kinderen en een goede 5000 klachten omdat het onderhoudsgeld voor de kinderen niet of laattijdig betaald wordt. Uit de meest recente cijfers met betrekking tot het niet, of laattijdig betalen van onderhoudsgeld voor de kinderen kan men vaststellen dat er gemiddeld 516 veroordelingen zijn, waarbij het in 26 gevallen om vrouwen gaat. In 103 van deze 516 vonnissen of arresten wordt het voordeel van opschorting van straf uitgesproken. Dat betekent dat de strafrechtbank elk jaar gemiddeld 413 effectieve veroordelingen uitspreekt wegens het niet of laattijdig betalen van de onderhoudsgelden voor de kinderen. Trekken we deze cijfers uiteen op basis van het geslacht van de veroordeelde, dan zien we dat hiervoor jaarlijks 398 vaders en 15 moeders effectief worden veroordeeld.

Misdrijven tegen de familie
Men kan de klachten tegen de familie opdelen in 3 groepen namelijk, kindermishandeling/verwaarlozing (2,5%), familieverlating (12,5%) en niet afgeven van kinderen (85% of ongeveer 17000 klachten). Van de ongeveer 17000 klachten wegens het niet afgeven van kinderen worden er jaarlijks gemiddeld 113 veroordelingen uitgesproken door de strafrechter. Hiervan zijn 71 personen of 63% van het vrouwelijk geslacht.

Kenschetsend hierbij is wel dat, van deze veroordeelden, 23 mannen en 73 vrouwen elk jaar van de gunst van opschorting van straf genieten. 96 van de 113 veroordeelden wegens het achterhouden van de kinderen krijgen dus opschorting van straf. Rest nog iets mee te delen over de jaarlijks gemiddeld 17 effectief veroordeelden wegens het achterhouden van kinderen. De verhouding tussen mannen en vrouwen bedroeg in 2001 en 2002 vijftien tegen twee. Vijftien effectief veroordeelde vaders tegenover twee moeders wel te verstaan.

Twee ogen
Effectief wordt in België normaliter pas effectief als de veroordeling meer dan 6 maanden gevangenisstraf bedraagt. Als gerechtigheid moet gezien worden, kan je je eens afvragen of je meer ogen hebt, dan je gevallen kent waarbij een moeder meer dan 14 dagen in de cel heeft gezeten wegens het achterhouden van de kinderen. Specialisten zijn het het er allemaal over eens dat men snel moet handelen in plaats van jarenlange procedures voeren die tot niets leiden. Justitie moet de complexe en delicate materie anders aanpakken. De 17000 klachten per jaar wegens het niet afgeven van de kinderen en de enorme berg leed die erachter schuil gaat zal men adequaat moeten aanpakken en men zal snel moeten leren handelen. Pas als de parketmagistraat van dienst in het weekend met zijn fax in de buurt zal beslissen over arrestatie en de rechters de hoofdverblijfplaats van de kinderen daadwerkelijk wisselen van weerbarstige en onwillige ouders, omdat de gerechtelijke uitspraak niet gerespecteerd werden, zal de klachtenberg wegens het achterhouden van de kinderen dalen. Misschien wordt de magistraat dan zoals deze hoort te zijn en dat is gender-neutraal.


Eén jaar cel voor 'psychische moord' op papa

bron: www.pagia.be

ANTWERPEN - OM: "Een moeder van twee kinderen naar de cel sturen is niet sympathiek"

De Antwerpse strafrechter veroordeelde vrijdag Christel M. (38) uit Zwijndrecht tot een effectieve celstraf van één jaar voor de "psychische moord" op haar ex. Het resultaat van een schrijnende vechtscheiding is dat twee dochters van (intussen 12 en 14) dienden geplaatst en van daaruit met de taxi naar school gebracht worden. Openbaar aanklager Bart De Smet had het over "een psychische moord op de vader door de emotionele vergiftiging van de kinderen".

Lees meer: http://www.f4j.be/doc/doc08/080619_1_jaar_cel_voor_psychische_moord_op_papa.html


Eén jaar cel voor 'psychische moord' op papa
F4J België - Bron www.pagia.be - Jan Heuvelmans - Datum 19/06/08

ANTWERPEN - OM: "Een moeder van twee kinderen naar de cel sturen is niet sympathiek"

De Antwerpse strafrechter veroordeelde vrijdag Christel M. (38) uit ZWijndrecht tot een effectieve celstraf van één jaar voor de "psychische moord" op haar ex. Het resultaat van een schrijnende vechtscheiding is dat twee dochters van (intussen 12 en 14) dienden geplaatst en van daaruit met de taxi naar school gebracht worden. Openbaar aanklager Bart De Smet had het over "een psychische moord op de vader door de emotionele vergiftiging van de kinderen".

De zaak kende in het najaar van 2007 twee valse starts. Op 1 februari werd ze dan eindelijk behandeld maar in plaats van ze in beraad te nemen, plande de rechtbank op 23 mei een volgende zitting om na te gaan of er in die tussentijd enige beterschap te bespeuren viel. Maar het heeft niet mogen baten: de moeder weigerde botweg ouderschapsbemiddeling.

POS-kinderen
"Dit is een intrieste zaak in een bijna vier jaar aanslepend conflict. Een moeder van twee kinderen naar de cel sturen is niet sympathiek. Maar zij praat onvoldoende op de kinderen in om ze in het weekeinde naar hun vader te sturen. Integendeel, ze vergiftigt ze door ze te betrekken bij de echtscheidingsprocedure. Ik vraag acht maanden effectief plus 550 euro boete", rekwireerde De Smet vorige maand. Het werd vandaag één jaar effectief, zodat de procureur eventueel de onmiddellijke aanhouding had kunnen vorderen. Maar er zat een plaatsvervanger die het dossier blijkbaar niet kende.

"Alles begon in 2004 met het plotse vertrek van de vader uit het gezin. De moeder bleef zwaar gekwetst achter en kon het niet laten haar kinderen daarbij te betrekken. Ze reageerde totaal fout, met de kinderen als belangrijkste slachtoffers. Er is geen sprake van enige rechtvaardigingsgrond of noodtoestand", zegde Bart De Smet. "Deze mevrouw heeft door de psychische vergiftiging haar kinderen in een POS-situatie (Problematische OpvoedingsSituatie) gedwongen.

Absolute kwade trouw
Vorige maand was al de elfde keer dat de exgenoten met getrokken messen voor een rechtbank stonden in een conflict over de uitoefening van het omgangsrecht van de vader. "Deze vrouw heeft eerder al zes en acht maanden cel gekregen. Zij betaalde al 26.000 euro aan dwangsommen plus 7.000 euro deurwaarderskosten omdat ze de kinderen bleef hersenspoelen. Het gevolg was dat die weigerden op de voorziene dagen naar hun vader te gaan. De moeder zag haar kinderen liever naar een instelling vertrekken dan naar hun vader", pleitte de advocaat voor de vader.

De verdediging stelde dat er toch ook iets goed te vertellen was over deze vrouw. De kinderen waren samen met hun moeder gekwetst door het vretrek van hun vader en weigerden elk contact met hem. Je kan van de moeder niet het onmogelijke verwachten. Zij doet nu pogingen, zegt ook de probatiecommissie. En de school probeert de zaak mee gedeblokeerd te krijgen. Geef mijn cliënte nog een kans om deze lichtpuntjes aan te grijpen".

Daar had de rechtbank dus geen oren naar. Integendeel. Zelden klonk de motivering bij een veroordeling zo hard: De moeder gedroeg zich "schaamteloos en leugenachtig", het misbruik is "walgelijk", en ze "gremelt niet alleen naar de verzoekende partij maar lacht ook Justitie in het aangezicht uit. En wat de houding van de dochters betreft: "Het is niet aan een achtjarig kind om te beslissen met welke ouder het contact wil". En verder: "Woorden als 'gij hebt ervoor gezorgd dat mijn mama geen geld meer krijgt; ge zult ons in een gesticht steken; ge zult ervoor zorgen dat mijn mama in de gevangenis moet' kunnen de kinderen niet zelf hebben uitgevonden en zijn een bewijs van de absolute kwade trouw".

Jan Heuvelmans

Bron(nen):


Meurtre psychique du père envers ses enfants

- par mayaz le 11/07/2008 @ 15:22 sources: F4J Belgium & http://www.pagia.be/

Traduction française :

À Anvers, n’est pas très sympathique d’envoyer une mère de deux enfants en taule. Un juge anversois a condamné ce vendredi C… (38 ans) à une peine de prison d’une année ferme pour le motif de «meurtre psychologique» sur son ex compagnon. C’est le résultat obtenu à la suite d’un effroyable divorce qui a éloigné les deux filles (actuellement 12 et 14 ans) de leur père en étant placée et qui doivent aller à l’école en taxi. Le procureur a parlé d’un «meurtre psychologique » à l’égard du père, et ce, au moyen d’« empoissonnements émotionnels » (de la part de la mère) sur des enfants». L’affaire a connu deux faux départs, fin de l’année 2007. Le 1er février, l’affaire fut remise à une date ultérieure (le 23 mai) afin de vérifier si au cours du temps, il y avait une amélioration dans la situation. Mais la mère refusait catégoriquement la médiation familiale. Ce pénible conflit perdure depuis 4 ans. Envoyer une mère de deux enfants en prison n’est pas sympa, mais c’est parce qu’elle ne conseille pas à ses enfants d’aller chez leur père durant les week-ends. Bien au contraire, elle les empoisonne en les intégrant dans les procédures de son divorce. L’avocat du père a demandé 8 mois de prison ferme et 550 € d’amende. Aujourd’hui le verdict s’est soldé par la condamnation d’un an ferme, de manière à permettre au procureur d’ordonner son arrestation immédiate. Mais l’affaire fut jugée par un juge remplaçant ne connaissait pas assurément le dossier. Tout a commencé en 2004 lorsque le père est parti précipitamment. La mère, fortement blessée dans son amour propre, a pris ses enfants pour alliés en les intégrant dans les conflits du divorce. Elle a donc mal agi en utilisant ses enfants pour des victimes du divorce. Il ne s’agissait d’aucun sentiment de justice ni d’urgence dans la situation, mais, par l’empoisonnement psychologique de ses enfants, cette femme a créé un grave problème dans leurs éducations. Le mois passé ce fut la 11ème fois que les ex conjoints se présentaient devant la Cour pour le conflit de la non exécution du droit de garde du père. Cette femme fut déjà condamnée à deux reprises à 6 et 8 mois de prison. Jusqu’à présent, elle a payé 26.000 € d’indemnités plus 7.000 € de frais d’huissier parce qu’elle continuait à aliéner ses enfants. Part l’attitude de la mère, les enfants refusaient d’aller chez leur père. La mère préférait que ses enfants aillent en Institution plutôt que chez leur père. La défense (de la femme) montre qu’il y a quand même un point positif chez cette mère : les enfants et la mère étaient blessés dans leur amour propre par le départ de leur père, refusant alors tout contact avec lui. On ne peut donc pas s’attendre à l’impossible dans cette situation. De plus, selon la commission probatoire, la mère essaie de faire des efforts, et l’école tente également de débloquer la situation. Donnez encore une chance à ma cliente, demanda la défense. Le tribunal n’a pas suivi, au contraire. Elle est rare la motivation pour décider d’une une sentence aussi lourde. La mère, a agi sans aucune gène, avec des comportements mensongers. L'abus est considéré, non seulement comme étant « dégoûtants envers la partie adverse », où l’on se moque clairement de la Justice. En ce que concerne l'attitude des filles : « Il n'est nullement attribué à un enfant de 8 ans de décider avec quel parent il veut garder le contact ». Ensuite… (On entendit au tribunal) des accusations telles… « Toi tu t’es occupé à ce que maman n’obtienne plus argent, alors ils nous mettrons dans un centre et tu veilleras à ce que ma maman aille en prison ». Les enfants n’ont pas pu inventer ces propos, et ceci est la preuve absolue de la méchanceté perverse.

(Traduction artisanale par Mayaz) Remarques de Mayaz : Quand allons-nous assister à divers Tribunaux pour témoigner sur les sanctions de spoliations des pères ? Collectif La Vie de Pères Bruxelles - Wallonie


zondag, maart 02, 2008

62. Het omgangsrecht van de spermadonor op grond van diens nauwe persoonlijke betrekking met het kind

Bron: Ars Aequi - arsaequi.nl/maandblad AA20080133-138 - Februari 2008

Prof. mr. A.J.M. Nuytinck - Erasmus Universiteit - School of Law

HR 30 november 2007, LJN: BB9094 (mrs. D.H. Beukenhorst, P.C. Kop, E.J. Numann, A. Hammerstein en F.B. Bakels; A-G mr. L. Strikwerda)

Samenvatting:

Geschil tussen moeder van door kunstmatige inseminatie verwekt minderjarig kind en spermadonor over de vraag of hij als biologische vader op de voet van artikel 1:377f BW is gerechtigd tot omgang met kind; ontvankelijkheid van inleidend verzoek; aan nauwe persoonlijke betrekking te stellen eisen; bescherming ex artikel 8 EVRM van potentiële relatie
De feiten [1]
  1. De dochter is in 2000 uit de moeder geboren. Zij is verwekt door middel van kunstmatige inseminatie met sperma van de man. De man noch een derde heeft de dochter erkend. De moeder heeft van rechtswege het gezag over de dochter.
  2. Toen de moeder de man leerde kennen in 1994, had zij een relatie met een vrouw. De man had destijds een relatie met een man. Reeds in het begin van hun vriendschap heeft de moeder aan de man gevraagd of hij spermadonor voor haar wilde zijn, waarop de man in beginsel positief reageerde. Het is er echter toen niet van gekomen in verband met de toenmalige relatie van de moeder.
  3. In november 1999 is op initiatief van de moeder andermaal gesproken over het donorschap. Partijen spraken toen af dat de man een rol in het leven van het kind zou worden toebedeeld. Eind 1999 heeft de moeder zichzelf geïnsemineerd met het sperma van de man en raakte zij zwanger.
  4. Partijen hadden toen nog niet duidelijk gesproken over de invulling van de rol van de man. Tijdens de zwangerschap bleken partijen hierover verschillend te denken. Na een gesprek tussen partijen over de feitelijke invulling van het ouderschap gaf de man aan teleurgesteld te zijn over het standpunt van de moeder en over het een en ander te willen nadenken, en heeft hij in januari 2000 aan de moeder te kennen gegeven dat hij niets meer met haar of haar zwangerschap te maken wilde hebben.
  5. In mei 2000 is de man hierop teruggekomen. Hij heeft de moeder toen geschreven dat hij zich bij de wensen van de moeder zou neerleggen en dat hij zich realiseerde dat hij vanuit dit nieuwe perspectief iets voor het kind kon gaan betekenen. Hierop heeft de moeder niet gereageerd.
  6. In de week waarin de moeder was uitgerekend, heeft de man haar een kaartje gestuurd om haar sterkte te wensen met de bevalling. Hij heeft in die periode iedere dag de geboorteaankondigingen in Het Parool doorgenomen en daarin gelezen dat de dochter in 2000 was geboren.
  7. Kort na de geboorte zijn partijen elkaar nog tegengekomen, toen de moeder met de dochter op straat liep. De man heeft de moeder toen kort aangesproken. Partijen hebben elkaar nog een aantal keren zien lopen of fietsen, maar hebben geen contact meer gehad.
  8. De man heeft vervolgens geruime tijd een (nieuwe) partner gehad. De pogingen van deze partner om contact te leggen tussen partijen zijn op de moeder intimiderend overgekomen en contraproductief geweest. De moeder heeft zich in maart 2005 tot de politie gewend en aangifte gedaan dat zij zich voelde lastiggevallen door de partner van de man.
Het geding in feitelijke instanties [2]
De man heeft aan zijn verzoek te bepalen dat hij op de voet van artikel 1:377f BW is gerechtigd tot omgang met de dochter, en te bepalen op welke wijze de man en de moeder gezamenlijk of via een derde moeten gaan vormgeven aan de contacten tussen de man en de dochter, ten grondslag gelegd dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking, op grond waarvan hij recht heeft op omgang met de dochter. De rechtbank heeft geoordeeld dat tussen de man en de dochter geen nauwe persoonlijke betrekking als bedoeld in artikel 1:377f BW dan wel in de zin van artikel 8 EVRM is ontstaan, en heeft daarom de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

Het hof heeft de man wel ontvankelijk geacht in zijn verzoek, waaraan de man een subsidiair verzoek tot het vaststellen van een informatieregeling had toegevoegd, en heeft de behandeling vervolgens aangehouden voor een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming naar de wijze waarop de man en de moeder gezamenlijk of via een derde kunnen vormgeven aan contacten tussen de man en de dochter.

Het hof heeft met betrekking tot de ontvankelijkheid in hoger beroep van de man vooropgesteld dat weliswaar vaststaat dat de man de biologische vader van de dochter is, maar dat dit enkele feit niet zonder meer meebrengt dat hij in een nauwe persoonlijke betrekking als bedoeld in artikel 1:377f BW tot de dochter staat. Om zo’n band te kunnen aannemen dienen door de man bijkomende omstandigheden aannemelijk te worden gemaakt. Het hof heeft in rov. 4.2 uitvoerig geschetst hoe partijen, die in de periode voorafgaande aan de bevruchting veel samen waren, hebben gesproken over de rol die de man in het leven van het kind zou spelen, en vastgesteld dat aan het begin van de zwangerschap is gebleken dat zij daarover verschillend dachten, hetgeen ertoe heeft geleid dat de man het contact heeft verbroken. Vervolgens heeft het hof in rov. 4.4 het volgende overwogen.
In de onderhavige situatie, waarin de man – gelet op de uitlatingen van zowel de moeder als de man – niet een willekeurige donor is, maar door de moeder bewust is gekozen als de vader voor haar kind en waarbij de man bewust heeft gekozen voor de moeder als de moeder van zijn kind, partijen ten tijde van de bevruchting een hecht contact hadden, waarin zij elkaar vaak zagen en het voornemen hadden dit contact ook na de bevalling voort te zetten en waarin zij beiden een functie voorzagen van de man in het leven van de dochter – hoewel zij van mening verschilden over de mate daarvan – en de bedoeling was dat de man het kind zou gaan erkennen, is naar het oordeel van het hof voor de geboorte van de dochter tussen de man en het kind een nauwe persoonlijke betrekking ontstaan. Weliswaar is het contact tussen de moeder en de man reeds voor de geboorte van de dochter verbroken en heeft nadien nauwelijks contact tussen de man en de dochter plaatsgevonden, maar dit acht het hof, mede gelet op de wens van de man om omgang met de dochter te hebben en het feit dat de man onbetwist heeft gesteld dat hij die wens door de jaren heen telkens aan de moeder is blijven uiten, niet zodanig bepalend dat daarmee gezegd moet worden dat de nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en de dochter thans niet meer bestaat. Het hof acht de man derhalve ontvankelijk in zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen hem en de dochter.
Beoordeling van het middel door de Hoge Raad
De Hoge Raad beoordeelt onderdeel 1 van het door de moeder tegen de (tussen)beschikking van het hof gerichte cassatiemiddel als volgt.
3.4.1 Bij de beoordeling van het hiertegen gerichte onderdeel 1 van het middel wordt het volgende vooropgesteld. Terecht wordt niet geklaagd over de door het hof tot uitgangspunt genomen maatstaf, die meebrengt dat de man als biologische vader van de dochter bijkomende omstandigheden aannemelijk dient te maken, waaruit kan worden afgeleid dat de voor ontvankelijkheid van zijn verzoek vereiste nauwe persoonlijke band tussen hem en de dochter bestaat. Het gaat hier blijkens de door het hof vastgestelde omstandigheden om een bekende donor, die met de (lesbische) moeder niet een bestendige affectieve relatie onderhield, maar die met haar ten tijde van de bevruchting een hecht vriendschappelijk contact had, waarin zij elkaar vaak zagen en het voornemen hadden na de door hen beiden gewenste geboorte dit contact voort te zetten en waarin zij beiden een functie van de man in het leven van het kind voorzagen. In een dergelijk geval is, anders dan in het onderdeel wordt bepleit, voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking niet vereist dat het kind geboren wordt uit een tussen de moeder en de biologische vader bestaande relatie die in voldoende mate op één lijn valt te stellen met een huwelijk. Anders dan in onderdeel 1.6 wordt gesteld, is er ook geen grond (vrij) strikte eisen te stellen aan de voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking vereiste bijkomende omstandigheden. Het stellen van striktere eisen zou immers ertoe leiden dat een verzoek van de biologische vader tot het treffen van een omgangs- of informatieregeling die volgens hem recht doet aan de intenties van de betrokkenen eerder niet-ontvankelijk zal zijn, met het gevolg dat niet meer wordt toegekomen aan een rechterlijke beoordeling van de vraag of het verzoek toewijsbaar is, waarbij niet alleen de voor het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking relevante gegevens, maar ook andere ten tijde van het verzoek bestaande omstandigheden van belang zijn. Het stellen van bijkomende eisen geschiedt in het belang van de moeder en het kind, maar behoort niet ertoe te leiden dat in een geval waarin naderhand over de rol die de biologische vader volgens de intenties van de moeder en de man in het leven van het door hen gewenste kind zal vervullen geschillen ontstaan, die geschillen aan een beoordeling door een rechter worden onttrokken.

3.4.2 Tegen deze achtergrond heeft het hof door onder de in rov. 4.2 en 4.4 bedoelde omstandigheden te oordelen dat tussen de man en de dochter reeds voor haar geboorte een nauwe persoonlijke betrekking is ontstaan, geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij heeft het hof kennelijk het oog gehad op de potentiële relatie tussen de biologische vader en zijn kind, die onder omstandigheden onder de bescherming krachtens art. 8 EVRM valt, zoals onder meer is geoordeeld in EHRM 1 juni 2004, nr. 45582/99, NJ 2004, 667, punt 36: ‘Although, as a rule, cohabitation may be a requirement for such a relationship, exceptionally other factors may also serve to demonstrate that a relationship has sufficient constancy to create de facto ‘family ties’ (see Kroon and Others v. the Netherlands, judgment of 27 October 1994, Series A no. 297-C, p. 55, § 30). The existence or nonexistence of ‘family life’ for the purposes of Article 8 is essentially a question of fact depending upon the real existence in practice of close personal ties (see K. and T. v. Finland, cited above, § 150). Where it concerns a potential relationship which could develop between a child born out of wedlock and its natural father, relevant factors include the nature of the relationship between the natural parents and the demonstrable interest in and commitment by the father to the child both before and after its birth (see Nylund v. Finland (dec.), no. 27110/95, ECHR 1999-VI).’ Naar het kennelijke oordeel van het hof zijn in dit geval als dergelijke relevante factoren te beschouwen de hechte en duurzame vriendschapsrelatie van de (lesbische) moeder en de (homoseksuele) man en hun voornemens met betrekking tot de toekomstige rol van de man in het leven van het door hen beiden gewenste kind, dat naar de bedoeling van partijen door de man zou worden erkend, in samenhang met de op blijvende betrokkenheid bij het kind duidende door de jaren heen telkens door de man geuite wens tot omgang met de dochter. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden onderzocht.

3.4.3 Vervolgens heeft het hof, ervan uitgaande dat ten tijde van de geboorte een nauwe persoonlijke betrekking met de dochter was ontstaan, geoordeeld dat de omstandigheid dat het contact tussen de moeder en de man reeds voor de geboorte van de dochter is verbroken en dat nadien nauwelijks contact tussen de man en de dochter heeft plaatsgevonden, niet voldoende is om te concluderen dat die nauwe persoonlijke betrekking met de dochter is verbroken. Ook dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is verder van feitelijke aard, zodat het in cassatie niet op juistheid kan worden onderzocht. Daarbij is in aanmerking te nemen dat het achterwege blijven van contact slechts in samenhang met andere, zwaarwegende feiten en omstandigheden een factor kan vormen bij de beantwoording van de vraag of een eenmaal bestaande nauwe persoonlijke betrekking nadien is verbroken (vgl. onder meer HR 26 november 1999, nr. R99/026, NJ 2000, 85). Het hof heeft kunnen oordelen dat van dergelijke zwaarwegende feiten en omstandigheden geen sprake was.

3.5.1 Op het voorgaande stuiten de rechtsklachten van het onderdeel af. Ook de daarin naar voren gebrachte motiveringsklachten zijn tevergeefs voorgesteld, omdat de hiervoor besproken oordelen in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk zijn, noch onvoldoende zijn gemotiveerd. Met betrekking tot de afzonderlijke klachten wordt nog het volgende overwogen.

3.5.2 Anders dan in onderdeel 1.12 wordt aangevoerd, is in het licht van de stellingen van de moeder niet onbegrijpelijk dat het hof heeft overwogen dat de moeder de man bewust heeft uitgekozen als de vader van het kind. Het hof heeft uit de stellingen van de moeder kunnen afleiden dat zij de man niet louter heeft benaderd als donor, maar als de biologische vader van het kind die een nader te bespreken functie in het leven van het kind zou vervullen. Evenmin is onbegrijpelijk dat het hof bij de beantwoording van de vraag of de aard van de relatie van de moeder en de man ten tijde van de bevruchting de conclusie van een nauwe persoonlijke betrekking als bedoeld in art. 1:377f BW kan rechtvaardigen, van belang heeft geacht dat het aanvankelijk de bedoeling was dat de man het kind zou erkennen. Deze omstandigheid bleef in de niet onbegrijpelijke gedachtegang van het hof voor de beoordeling van belang, ook al is in een later stadium het contact (door de man) verbroken doordat verschillen van mening ontstonden over de mate waarin de man een functie in het leven van zijn kind zou vervullen, zoals het hof in rov. 4.2 heeft uiteengezet.

3.5.3 In de onderdelen 1.13 en 1.14 worden verder nog omstandigheden aangevoerd die bevestigen dat, zoals het hof in rov. 4.4 onder ogen heeft gezien, het contact tussen de moeder en de man voor de geboorte van de dochter is verbroken en dat nadien nauwelijks contact tussen de man en de dochter heeft plaatsgevonden. Niet onbegrijpelijk is echter dat het hof, dat aannemelijk achtte dat de man is blijven vasthouden aan zijn wens om omgang met de dochter te hebben, in die omstandigheden onvoldoende grond heeft gezien de man in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling niet-ontvankelijk te verklaren wegens het niet langer bestaan van de vereiste nauwe persoonlijke betrekking.

3.6 Het hof heeft in afwachting van het door de Raad voor de Kinderbescherming in te stellen onderzoek nog geen oordeel gegeven over de toewijsbaarheid van het verzoek. Het heeft in rov. 4.6 overwogen dat het de stelling van de moeder dat contact tussen de dochter en de man niet in het belang van de dochter is, onvoldoende concreet achtte om op voorhand te veronderstellen dat het belang van de dochter zich tegen het vaststellen van een omgangsregeling met de man verzet. Aldus heeft het hof slechts tot uitdrukking gebracht dat het in te stellen onderzoek niet bij voorbaat zinloos is. De voorwaarde waaronder onderdeel 2 is voorgesteld, te weten dat het hof zou hebben geoordeeld dat een omgangsregeling in het belang van de dochter is, is derhalve niet vervuld, zodat het geen behandeling behoeft.
De beslissing van de Hoge Raad
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de moeder.


1. Het omgangsrecht van de spermadonor
Onder het oude recht, toen artikel 1:377f BW nog niet bestond [3] en uitsluitend artikel 8 EVRM werd toegepast in omgangsrechtelijke procedures, heeft de Hoge Raad zich ook al eens uitgelaten over een eventueel omgangsrecht van de spermadonor. [4] Hij heeft toen beslist dat door spermadonorschap geen gezinsleven als bedoeld in artikel 8 lid 1 EVRM ontstaat. Deze uitspraak is naar huidig recht nog van belang in die zin, dat ook een nauwe persoonlijke betrekking als bedoeld in artikel 1:377f lid 1 BW niet zal kunnen worden aangenomen op grond van het enkele feit dat de man die een omgangsregeling met het kind verzoekt, spermadonor is. Hij zal bijkomende omstandigheden moeten stellen, waaruit voortvloeit dat er tussen hem en het kind een band bestaat die kan worden aangemerkt als een nauwe persoonlijke betrekking in de zin van laatstgenoemde bepaling. [5]

Ook in de onderhavige procedure gaat het vooral om deze ‘bijkomende omstandigheden’. Op het eerste gezicht lijkt het voor de spermadonor een verloren zaak: maak maar eens een nauwe persoonlijke betrekking met het kind aannemelijk als het contact tussen de moeder en de spermadonor reeds vóór de geboorte van het kind is verbroken (nota bene door de spermadonor zelf!) en als nadien nauwelijks contact tussen de spermadonor en het kind heeft plaatsgevonden. Toch acht het hof dit, mede gelet op de wens van de spermadonor om omgang met het kind te hebben en het feit dat de spermadonor onbetwist heeft gesteld dat hij die wens door de jaren heen telkens aan de moeder is blijven uiten, niet zodanig bepalend dat daarmee moet worden gezegd dat de nauwe persoonlijke betrekking tussen de spermadonor en het kind thans niet meer bestaat. Het hof acht, anders dan de rechtbank, de spermadonor derhalve ontvankelijk in zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen hem en het kind. De Hoge Raad gaat hierin met het hof mee. [6]

Om welke ‘bijkomende omstandigheden’ gaat het dan hier? Omdat deze omstandigheden zo belangrijk en doorslaggevend voor de uitkomst van deze procedure zijn, som ik deze hier nog eens op.
  1. De man is, gelet op de uitlatingen van zowel de moeder als de man, niet een willekeurige donor.
  2. De man is door de moeder bewust gekozen als de vader voor haar kind.
  3. De man heeft bewust gekozen voor de moeder als de moeder van zijn kind.
  4. Partijen, d.w.z. de man en de moeder, hadden ten tijde van de bevruchting een hecht contact.
  5. Partijen zagen elkaar vaak.
  6. Partijen hadden het voornemen dit contact ook na de bevalling voort te zetten.
  7. Partijen voorzagen beiden een functie van de man in het leven van de dochter, al verschilden zij van mening over de mate daarvan.
  8. De bedoeling was dat de man het kind zou gaan erkennen.
Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van het hof vóór de geboorte van de dochter tussen de man en het kind een nauwe persoonlijke betrekking ontstaan.[7] Met de Hoge Raad ben ik van mening dat al deze omstandigheden het hof tot de conclusie konden brengen dat een nauwe persoonlijke betrekking in de zin van artikel 1:377f lid 1 BW tussen de man en de dochter aanwezig is. Het spermadonorschap en deze bijkomende omstandigheden tezamen rechtvaardigen deze conclusie.

2. Nadere uitwerking door de Hoge Raad, mede tegen de achtergrond van de jurisprudentie van het Europese Hof
De Hoge Raad benadrukt in rov. 3.4.1 dat voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking niet is vereist dat het kind wordt geboren uit een tussen de moeder en de biologische vader bestaande relatie die in voldoende mate op één lijn valt te stellen met een huwelijk. [8] Ook in de rest van deze rechtsoverweging geeft de Hoge Raad blijk van een opmerkelijke soepelheid. Er is volgens hem geen grond (vrij) strikte eisen te stellen aan de voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking vereiste bijkomende omstandigheden. Het stellen van striktere eisen zou immers leiden tot snellere niet-ontvankelijkheid van het verzoek van de biologische vader tot het treffen van een omgangs- of informatieregeling.

Aldus zou de rechter niet meer toekomen aan de beoordeling van de vraag of het verzoek toewijsbaar is. Het stellen van bijkomende eisen geschiedt volgens de Hoge Raad in het belang van de moeder en het kind, maar behoort niet ertoe te leiden dat geschillen, zoals die hier zijn ontstaan over de rol van de man in het leven van de dochter, aan een beoordeling door een rechter worden onttrokken.

In rov. 3.4.2 gaat de Hoge Raad in op de in dit verband relevante jurisprudentie van het Europese Hof. Toen het (gerechts)hof in de onderhavige procedure onder de gegeven omstandigheden oordeelde dat tussen de man en de dochter reeds vóór haar geboorte een nauwe persoonlijke betrekking is ontstaan, heeft het daarbij naar de mening van de Hoge Raad kennelijk het oog gehad op de potentiële relatie tussen de biologische vader en zijn kind. Een dergelijke relatie valt onder omstandigheden onder de bescherming krachtens artikel 8 EVRM, zoals onder meer is geoordeeld door het Europese Hof in 2004. [9] De Hoge Raad citeert in rov. 3.4.2 letterlijk de Engelse tekst van punt 36 van laatstgenoemd arrest, in welke passage het Europese Hof ook aandacht besteedt aan o.a. het Kroon-arrest [10] en het Nylund-arrest. [11] In de onderhavige procedure is het (gerechts)hof kennelijk van oordeel dat de hierboven opgesomde acht bijkomende omstandigheden zijn te beschouwen als ‘relevant factors’ in de zin van het Nylund-arrest en het Lebbink-arrest, aldus de Hoge Raad.

De Boer [12] geeft een voortreffelijk overzicht van de rechtspraak van het Europese Hof en van de Hoge Raad in de periode 1985-2005, waarin een groot aantal betrekkingen is erkend als ‘family life’. De Boer [13] besteedt daarin uiteraard ook aandacht aan de betrekking tussen de biologische vader – inclusief de (bekende) donor – en zijn kind, welke betrekking als ‘family life’ kan worden gekwalificeerd, mits er ‘bijkomende omstandigheden’ zijn.

Deze bijkomende omstandigheden kunnen worden onderverdeeld in drie categorieën (vóór, na en deels vóór en na de geboorte), waarbij, althans bij verwekking en inschakeling van een bekende donor, strikt genomen categorie b bij categorie c thuishoort, omdat de omstandigheden rondom de bevruchting een prenatale factor van betekenis vormen:
  1. een relatie met de moeder, die in voldoende mate met een huwelijk op één lijn valt te stellen, ook als de geboorte plaatsvindt nadat de samenleving tussen de ouders is verbroken of hun relatie geëindigd. Samenleven is nodig, maar bij uitzondering kunnen andere factoren wijzen op voldoende bestendigheid van de relatie. Een aantal factoren is hier relevant, waaronder of het paar samenleeft, de lengte van hun relatie en of zij van hun betrokkenheid op elkaar hebben blijk gegeven door het samen krijgen van kinderen of op enige andere wijze;
  2. feitelijke contacten met het kind na de geboorte, waarbij valt te denken aan samenleving, (financiële) verzorging en omgang; of
  3. feiten en omstandigheden die deels betrekking hebben op de periode vóór de geboorte (zie onder a) en deels op de tijd na de geboorte (zie onder b), beschouwd in onderling verband en samenhang. In dit verband is van belang dat ook de potentiële relatie tussen natuurlijke vader en kind onder omstandigheden bescherming verdient.
In het onderhavige geval is het contact tussen de moeder en de man reeds vóór de geboorte van de dochter verbroken.

Nadien heeft nauwelijks contact tussen de man en de dochter plaatsgevonden. Toch is het hof van mening dat deze omstandigheden niet voldoende zijn om te concluderen dat de nauwe persoonlijke betrekking die ten tijde van de geboorte tussen de man en de dochter was ontstaan, is verbroken. De Hoge Raad laat dit oordeel in rov. 3.4.3 in stand en wijst er terecht op dat het achterwege blijven van contact slechts in samenhang met andere, zwaarwegende feiten en omstandigheden een factor kan vormen bij de beantwoording van de vraag of een eenmaal bestaande nauwe persoonlijke betrekking nadien is verbroken, waarbij hij verwijst naar een eerdere uitspraak. [14]

3. Komend omgangsrecht
Binnenkort wordt in het kader van de totstandkoming van het nieuwe (echt)scheidingsrecht ook het omgangsrecht gewijzigd. [15] Artikel 1:377f BW vervalt en zijn inhoud wordt geïncorporeerd in artikel 1:377a lid 1 BW (nieuw). Het belangrijkste rechtsgevolg van deze wetswijziging is, dat de vier ontzeggingsgronden van artikel 1:377a lid 3 BW voortaan niet alleen voor ouders van belang zijn, maar ook voor degenen die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staan.

4. Lesbisch ouderschap
Omdat het in het onderhavige geval gaat om een lesbische moeder, zij het dat zij ten tijde van de geboorte van haar kind niet met een andere vrouw samenleefde, [16] besteed ik hier ook nog even aandacht aan het rapport van de Commissie lesbisch ouderschap en interlandelijke adoptie (commissie-Kalsbeek) en de mogelijke wetswijzigingen die uit dit rapport kunnen voortvloeien. [17]

De commissie meent dat het ontstaan van het ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder eenvoudiger kan (dan door middel van adoptie). Hiervoor bestaan twee mogelijkheden:
  1. een meemoeder (gehuwd of ongehuwd) kan een kind erkennen;
  2. een ongehuwde meemoeder kan een kind erkennen en een gehuwde meemoeder wordt van rechtswege ouder van het kind dat tijdens haar huwelijk met de moeder wordt geboren.
De commissie is van mening dat het in ieder geval mogelijk moet zijn voor de meemoeder om het kind te erkennen.

Voor gehuwde lesbische paren zouden voorts zelfs twee mogelijkheden denkbaar zijn: erkenning dan wel ouderschap van rechtswege. In geval van ouderschap van rechtswege zouden lesbische paren op dezelfde wijze als heteroseksuele paren juridische ouders kunnen worden. [18]

Wij zullen moeten afwachten wat de regering met de voorstellen van de commissie gaat doen en hoe zij deze in nieuwe wetgeving zal omzetten. Ik denk dat het verstandig is dat de regering bij een keuze voor een van beide mogelijkheden – erkenning door de meemoeder dan wel ouderschap van rechtswege voor de meemoeder – mede let op de rechtspositie van de verwekker en de spermadonor.

Zo kan ik mij voorstellen dat de regering ook bij gehuwde lesbische paren kiest voor erkenning in plaats van ouderschap van rechtswege, omdat zij aldus alle mogelijkheden openlaat. In geval van een keuze voor erkenning kan de moeder immers nog twee kanten uit: zij kan de toestemming tot erkenning verlenen aan hetzij de verwekker of de spermadonor, hetzij de meemoeder. In geval van een keuze voor ouderschap van rechtswege zijn er al twee juridische ouders (twee moeders), zodat de moeder geen toestemming tot erkenning meer aan de verwekker of de spermadonor kan geven. Een kind kan immers maximaal twee juridische ouders hebben, te weten een vader en een moeder, twee vaders dan wel twee moeders. Gelukkig gaat ook de commissie zelf uitdrukkelijk voorbij aan de mogelijkheid van drie juridische ouders. [19]

5. Hoe nu verder in deze zaak?
Het is van belang erop te wijzen dat in de onderhavige procedure nog geen oordeel is gegeven over de toewijsbaarheid van het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling. Het gaat hier uitsluitend om de beantwoording van de vraag of het verzoek van de man al dan niet ontvankelijk is, en die vraag hebben het hof en de Hoge Raad bevestigend beantwoord. Het hof heeft immers slechts een tussenbeschikking gegeven, waarbij het de behandeling van de zaak heeft aangehouden en de Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht onderzoek te doen op welke wijze de man en de moeder gezamenlijk of via een derde kunnen vormgeven aan contacten tussen de man en de dochter, en hieromtrent schriftelijk rapport en advies uit te brengen. Pas in de eindbeschikking zal het hof definitief beslissen over de toewijsbaarheid van het verzoek van de man. [20]

Het is dus niet zo – onderdeel 2 van het cassatiemiddel suggereert dit – dat het hof heeft geoordeeld dat een omgangsregeling in het belang van de dochter is. Terecht benadrukt de Hoge Raad in rov. 3.6 dat het hof alleen maar heeft overwogen dat het de stelling van de moeder dat contact tussen de dochter en de man niet in het belang van de dochter is, onvoldoende concreet achtte om op voorhand te veronderstellen dat het belang van de dochter zich tegen het vaststellen van een omgangsregeling met de man verzet. De Hoge Raad voegt hieraan nog toe dat het hof aldus ‘slechts’ tot uitdrukking heeft gebracht dat het (door de Raad voor de Kinderbescherming) in te stellen onderzoek niet bij voorbaat zinloos is.

-- Einde --


Voetnoten:
  1. Ontleend aan punt 3.1 (onder Beoordeling van het middel) van de beschikking van de Hoge Raad.
  2. Ontleend aan de punten 3.2 en 3.3 (onder Beoordeling van het middel) van de beschikking van de Hoge Raad.
  3. Titel 1.15 BW betreffende omgang en informatie, waartoe art. 1:377f BW behoort, is tot stand gekomen bij de Wet van 6 april 1995, Stb. 1995, 240, in werking getreden op 2 november 1995, tot nadere regeling van het gezag over en van de omgang met minderjarige kinderen.
  4. HR 26 januari 1990, NJ 1990, 630 (omgangsrecht spermadonor?).
  5. Aldus ook M.J.A. van Mourik en A.J.M. Nuytinck, Personen- en familierecht, huwelijksvermogensrecht en erfrecht (Studiereeks Burgerlijk Recht, deel 1), Deventer: Kluwer 2006, nr. 234.
  6. 6 Rov. 4.4 van de beschikking van het hof, door de Hoge Raad letterlijk geciteerd in rov. 3.3 van zijn beschikking (zie hierboven onder Het geding in feitelijke instanties).
  7. Zie de vorige voetnoot en rov. 3.4.1 van de beschikking van de Hoge Raad.
  8. Dit criterium treft men aan in art. 1:204 lid 1, aanhef en onder e, BW in geval van erkenning door een man die is gehuwd met een andere vrouw dan de moeder van het door hem te erkennen kind. Deze erkenning is in beginsel nietig, tenzij de rechtbank heeft vastgesteld dat aannemelijk is dat tussen de man en de moeder een band bestaat of heeft bestaan die in voldoende mate met een huwelijk op één lijn valt te stellen of dat tussen de man en het kind een nauwe persoonlijke betrekking bestaat.
  9. EHRM 1 juni 2004, NJ 2004, 667, m.nt. JdB (Lebbink- Nederland).
  10. EHRM 27 oktober 1994, NJ 1995, 248, m.nt. JdB (Kroon e.a.-Nederland), waarover uitvoerig M.J.A. van Mourik en A.J.M. Nuytinck, Personen- en familierecht, huwelijksvermogensrecht en erfrecht (Studiereeks Burgerlijk Recht, deel 1), Deventer: Kluwer 2006, nr. 178.
  11. EHRM 29 juni 1999, nr. 27110/95, RJD (ECHR) 1999-VI, d.i. Reports of Judgments and Decisions (European Court of Human Rights) 1999-VI (Nylund- Finland); zie in het bijzonder p. 361.
  12. Asser-De Boer, Personen- en familierecht, Deventer: Kluwer 2006, nr. 13a, in het bijzonder p. 11.
  13. Ik citeer De Boer hier zonder vermelding van de relevante rechtspraak; daartoe raadplege men de in de vorige voetnoot aangegeven vindplaats zelf.
  14. HR 26 november 1999, NJ 2000, 85.
  15. Kamerstukken I 2006/07, 30 145, A, p. 5 (onderdelen O, P, Q, R en S). Het gaat om wetsvoorstel 30 145 (gewijzigd voorstel van wet d.d. 12 juni 2007) tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het bevorderen van voortgezet ouderschap na scheiding en het afschaffen van de mogelijkheid tot het omzetten van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding), waarover uitvoerig A.J.M. Nuytinck, ‘Het nieuwe, door de Tweede Kamer aangenomen echtscheidingsrecht: de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding’, WPNR 2007-6722, p. 739-745.
  16. Daarvan ga ik althans uit, gelet op punt 2 van de hierboven weergegeven feiten, waarbij wordt gesproken van ‘de toenmalige relatie van de moeder’ met een vrouw, d.w.z. in 1994, toen de moeder de man leerde kennen.
  17. Het rapport dateert van 31 oktober 2007 en kan worden gedownload vanaf de website van het ministerie van Justitie; zie www.justitie.nl/images/ 8332_Bw_Rapport-LO_tcm34-87352.pdf. Zie over dit rapport uitvoerig A.J.M. Nuytinck, ‘Lesbisch ouderschap. Bespreking van het rapport van de Commissie lesbisch ouderschap en interlandelijke adoptie (commissie-Kalsbeek)’, WPNR 2008- 6738, p. 44-48.
  18. Rapport (zie de vorige voetnoot), p. 27, paragraaf 5.1.
  19. Rapport (zie voetnoot 17), p. 39, paragraaf 7.2.
  20. Het hof heeft na zijn tussenbeschikking op verzoek van de moeder bij latere beschikking zijn tussenbeschikking aangevuld en beslist dat de moeder van die beschikking dadelijk beroep in cassatie kan instellen, hetgeen hier dus ook daadwerkelijk is geschied.