Posts tonen met het label kinderontvoering. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kinderontvoering. Alle posts tonen

maandag, maart 29, 2010

466. Gezocht: Serieus glossy vrouwenmagazine zoekt naar drie vaders wier kind naar het buitenland is ontvoerd door de moeder

Zoektocht naar drie vaders

Als freelancende journaliste ben ik in opdracht van een serieus glossy magazine op zoek naar drie vaders wier kind is ontvoerd door de moeder.

Ik ben op zoek naar vaders wier kind is ontvoerd naar het buitenland. Dit omdat we vaak lezen en in de media zien, dat kinderen naar Egypte, Irak, of Amerika zijn meegenomen door de vader, en moeilijk door de moeder zijn terug te halen, terwijl uit onderzoek blijkt dat het vaker de moeder is, die het kind (of de kinderen) over de grens meeneemt.

Wij willen dit graag onder de aandacht brengen omdat de beschuldigende vinger vaak op de vader wordt gericht. Aan de hand van mijn gesprekken met de vaders zou ik graag hun onmacht, verdriet, gemis en hoop willen schetsen.

Met vriendelijke groet,
Marieke Sibarani
29 maart 2010 10:18


Marieke Sibarani
E. m.sibarani @ hetnet . nl
I. www.woordstudio.nl

donderdag, maart 11, 2010

448. Ongelijke beoordeling (m/v) van kinderontvoerders (door Rob van Altena, februari 2010)

Door Rob van Altena (*)

Volgens recent onderzoek zou wel 86 procent van de kinderontvoeringen worden begaan door de eigen moeder (Trouw, 10 februari). Dat roept opnieuw de vraag op waarom er zo geheel verschillend gereageerd wordt op kinderontvoering door de moeder resp. de vader.

In 1980, toen het Haags Kinderontvoeringsverdrag tot stand kwam, hadden vaders na scheiding geen gezag (meer) over hun kind en daardoor viel het naar een ander land meenemen door de gescheiden moeder toen niet onder dat Verdrag. Alleen als vader zoiets deed heette het ontvoeren en crimineel, als moeder hetzelfde deed heette het gewoon meenemen.

Dat veranderde op slag in 1998 met de wet op het gezamenlijk ouderlijk gezag na scheiding. Nu bleven ook vaders gezagouder waardoor ook gescheiden moeders voortaan onder toepassing van het Haags Verdrag vielen. Die nieuwe gelijkwaardigheid (v/m) heeft tot aanpassingsmoeilijkheden geleid: “Verdrag maakt van moeder ontvoerder” kopte NRC/Handelsblad (NRC, Binnenland, 27 sept. 2008). Nee natuurlijk niet: alleen het ontvoeren maakt een moeder tot ontvoerder en dat niet sinds het Haags Verdrag maar sinds de emancipatie van de gescheiden vader in 1998.

Een breed offensief tegen het Haags Verdrag - dat voordien louter geprezen werd - is in 2002 ingezet met een rapport van de Stichting De Ombudsman (niet te verwarren met de nationale ombudsman) te Hilversum. Die stichting behoort tot de PvdA-familie en werd landelijk bekend door de VARA-tv ombudsmannen Frits Bom en Marcel van Dam. Genoemd rapport beschreef zeven zaken van Nederlandse moeders die getrouwd in het buitenland woonden en na mislukking van het huwelijk met de kinderen naar Nederland terugkwamen omdat “zij zich in het buitenland niet zelfstandig met kinderen kunnen of willen redden”. Het rapport vond dat zij daarin vrij zouden moeten zijn en omschreef de moeders als de verzorgende ouders. Onder de voorbeelden waren ook grotere kinderen die nooit in Nederland gewoond hadden. “Vooral voor kleine kinderen is de aanwezigheid van de verzorgende ouder veel belangrijker dan terugkeer naar een bepaald land”. Maar dat is de tegenstelling niet: ook in het andere land zouden de kinderen na scheiding immers bij de verzorgende ouder blijven wonen. De strekking van het feministische rapport is dat het begrip ontvoering niet zou moeten gelden voor moeders.

Dat ligt ook in de lijn van het Openbaar Ministerie (OM) dat als vanouds klachten over ontvoerende moeders standaard afwijst als zijnde ‘civiele zaken’ terwijl ontvoerende vaders wel onder het strafrecht vallen. Zo zit de Frans-Algerijn Hadi Deliba al een jaar of tien in Nederland vast wegens ontvoering en ontvoerd houden, terwijl het zwaarst bekende vonnis tegen een moeder (de niet-verzorgende ouder Marjorie D. die haar zoontje uit Spanje ontvoerde en drie jaar in Nederland ondergedoken hield) enkele maanden voorwaardelijk bedroeg. Geen wonder dat 86% van de ontvoeringen door moeders begaan worden.

De Tweede Kamer vertoont opvallend zwenkend gedrag al naar gelang welke ontvoeringszaak net in de schijnwerpers staat. Is dat een ontvoering door een moeder dan wordt er aangedrongen op verzachting van het Haags Verdrag, als wat later weer eens een vader het gedaan heeft dan moet alles tegen hem worden ingezet en hetzelfde Verdrag juist aangescherpt. Enkele markante voorbeelden:

Moeder. Met kerstmis 1998 kwam de Amerikaan Les F. met zijn Nederlandse vrouw en drie grotere kinderen naar Nederland voor vakantie. Op de dag voor de terugreis deelde zijn vrouw hem mede dat zij wilde scheiden en met de kinderen in Nederland blijven. Blijkbaar had de man toen meteen moeten terugzeggen dat de kinderen de volgende dag met hem mee naar Amerika moesten anders gold hun blijven niet meer als achterhouden in de zin van het Haags Verdrag. Toen hij kort daarna, na raadplegen van zijn advocaat, vanuit Amerika toepassing van dat Verdrag eiste, was dat volgens het gerechtshof Den Bosch te laat. Niettemin had de moeder in eerste instantie bij de rechtbank Breda ongelijk gekregen waarop zij met de kinderen een paar maanden had ‘moeten’ onderduiken. Naar aanleiding van dat laatste vroegen de fractievoorzitters Verhagen en Dittrich in de Tweede Kamer versoepeling van het Haags Verdrag: “de huidige regeling is te knellend”.

Vader. Bepaald tegengesteld waren de reacties op de ontvoering van Sarah en Ammar door hun Syrische vader in augustus 2004. Zoals bekend was er een aangestuurde taxirit van de kinderen (‘vlucht’) naar de Nederlandse Ambassade in Damascus, waar zij toen zeven maanden verbleven. Eind 2006 stond de Syrische vader hen toe vandaar naar Nederland terug te keren onder schriftelijke toezegging dat hijzelf niet opgesloten zou worden als hij hen in Nederland zou bezoeken. Toch begon het OM de vervolging alvast voor te bereiden, de civiele rechter was het OM nog voor en schrapte vaders gezag en bezoekrecht. Met deze zaak voor ogen had het Kamerlid Anja Timmer (PvdA) ondertussen al een initiatiefwet ingediend om de maximumstraf voor ontvoering op te trekken van 7 naar 9 jaar en ook het voorbereiden van ontvoering strafbaar te stellen. Haar voorstel is op de lange baan geschoven maar nooit ingetrokken.

Moeder. Een ontvoerende moeder was dan weer de Canadese Lalena L. die 11 jaar lang getrouwd in Nederland woonde en in oktober 2005 met haar drie Nederlandse kinderen op een vliegtuig stapte om hun leven in Canada voort te zetten. Volgens haar had haar Nederlandse man daarmee ingestemd, volgens hem wist hij niet beter of zij gingen met vakantie. Terwijl deze zaak zich door de Canadese rechtspraak voortsleepte kwam op grond van een Kamermotie in juni 2006 in Hilversum het zwaar gesubsidieerde Centrum Internationale Kinderontvoering tot stand. Dat Centrum is niet anders dan een gespecialiseerde afdeling van de al genoemde Stichting De Ombudsman en werkt op basis van het feministische Ombudsman-rapport uit 2002, zodat het ondanks de neutrale benaming niet als een onafhankelijk kenniscentrum kan worden beschouwd. Directeur Els Prins is ook directeur van de Stichting De Ombudsman. In het eerste jaarverslag werd ook het standpunt van de Canadese Lalena L. kritiekloos overgenomen. Meteen nadat deze door de Canadese rechter aangezegd kreeg de kinderen naar Nederland te laten teruggaan, stelde het Kamerlid Teeven (VVD) op 31 januari 2007 onder verwijzing naar de Stichting De Ombudsman vragen aan de minister omdat een “legalistische” uitleg van het Haags Verdrag niet in het belang van de kinderen zou zijn. De crimefighter Teeven komt van het vrouwvriendelijke OM maar zelfs dan is deze opstelling onbegrijpelijk: waarom zou het niet in het belang zijn van Nederlandse kinderen die uitsluitend in Nederland waren opgegroeid (de oudste had hier de basisschool al doorlopen) om in Nederland te blijven? Omdat moeder liever in Canada woonde?

Moeder. Nog veel meer emoties kwamen los toen Margot B. met de in Australië opgegroeide dochter van acht in april 2007 naar Nederland terugkeerde en de Australische vader een verzoek tot teruggeleiding indiende dat betwist werd omdat hij eerder met hun vertrek zou hebben ingestemd. Om dat twistpunt gaat het hier niet, wel om de reacties. Zo sneed de burgemeester van haar woongemeente een felicitatietaart aan met de woorden dat “moeder en kind in principe nooit van elkaar gescheiden mogen worden” en werd B. door een gerechtshof aangemerkt als de ‘verzorgende ouder’ terwijl zij toch altijd in haar beroep gewerkt had en dat alleen een jaar had opgeschort om zich op haar proces te concentreren. De Tweede Kamer was nu helemaal ontketend: in november 2008 werden zes moties aangenomen, vooral om ontvoerende moeders te steunen, de meest verstrekkende die van Khadija Arib (PvdA) - die van zichzelf bericht dat zij als sterke vrouw gelijktijdig kon werken, studeren en drie kinderen opvoeden. Haar motie verzoekt de regering het Haags Verdrag niet toe te passen wanneer dat niet in het belang van het kind is (zulks gezien als wonen bij de moeder). De actieve Teeven stelde in februari en maart 2009 opnieuw Kamervragen, met name over het vooraf afspreken van een omgangsregeling tussen het teruggeleide kind en de ouder die achterblijft. Op zich prima, maar wel met verwijzing naar twee gevallen van achtergebleven moeders, niet naar b.v. de achtergebleven Syrische vader.

Vader. De jongste nationaal bekend geworden ontvoering, door de Nederlandse Amerikaan Paul L. in mei 2009 uit Ede, riep dan juist weer verontwaardiging over de daad op. Cörüz (CDA) eist in Kamervragen strikte toepassing van het Haags Verdrag! Slachtofferhulp ontfermt zich over de Oekrainse moeder, een steuncomité zamelt geld in. Els Prins: “Ontvoeren kan echt niet”.

De gelijkheid van vader en moeder voor het Haags verdrag heeft het nog maar moeilijk, de moeder wordt als vanzelfsprekend als de betere ouder gezien. Maar zijn kinderen werkelijk beter af bij hun gescheiden moeder? Over zowat alles zijn statistieken voorhanden maar juist aan deze heikele vraag lijken CBS en WODC zich niet te wagen. Toch is er hier en daar (bv. in het onderzoek door Borgers, Dronkers en van Praag, 1994) uitgekomen dat het gezin met gescheiden alleenstaande moeder nu juist het slechtste gezinstype zou zijn om in op te groeien. Het vadergezin doet het stukken beter, bijna zo goed als het beste gezinstype: dat met ouders die bij elkaar blijven.

(*) Rob van Altena is voormalig leraar en juridisch publicist.


Bronnen:

"Maar uit haar (juriste Aline Nederveen van de Universiteit van Utrecht) onderzoek blijkt dat nu zowel in Nederland als in Duitsland in verreweg de meeste gevallen de moeder de ontvoerende ouder is. „In Nederland is in 86 procent van de internationale kinderontvoeringszaken de moeder de ontvoerende ouder en in Duitsland in 82 procent”, zegt Nederveen."
Bron: Perdiep Ramesar, 'Kinderontvoering loont vaak', Trouw, De Verdieping, 10 februari 2010; http://www.trouw.nl/achtergrond/deverdieping/article2984393.ece/Kinderontvoering_loont_vaak_.html

zondag, januari 18, 2009

224. Barry Hay (Golden Earring) :: 'Mijn moeder heeft me min of meer ontvoerd toen ik acht was. Ik heb mijn vader altijd gemist'

'Ik heb mijn vader altijd gemist'

Bron: Telegraaf – Vrouw - Psyche & Relatie - Babette Wieringa - za 17 jan 2009, 06:30

AMSTERDAM - Barry Hay van de Golden Earring maakte onlangs een solo-uitstapje met het Metropole Orkest: The Big Band Theory. Een cd die hij opdroeg aan zijn vader, die hij als achtjarig knulletje in India moest achterlaten en nooit meer terug zou zien.


Foto: Johannes Dalhuijsen

‘‘De cd met het Metropole Orkest heb ik opgedragen aan Philip A. Hay, kolonel in het Indiase leger. Mijn vader. Sinds mijn jeugd heb ik hem niet meer gezien. We woonden in India. Ik was acht en in de veronderstelling dat we gelukkig waren, mijn vader, moeder en ik. Tot mijn moeder met mij naar Nederland vertrok om de kerstdagen bij haar familie te vieren. We zouden op vakantie gaan, maar in plaats daarvan heeft ze me min of meer ontvoerd. Me meegenomen naar Amsterdam met het idee nooit meer terug te keren naar India en mijn vader.

Ik ben inmiddels zestig en zal binnenkort voor het eerst mijn geboorteland weer bezoeken, vanwege een documentaire die Hadassah de Boer over mijn leven maakt. Ik vind het allemaal nogal wat. Sinds een jaar of acht weet ik dat mijn vader is overleden. Ik ben naar hem op zoek gegaan, maar bleek te laat. Ik heb mijn vader altijd enorm gemist. En ik weet nu ook dat hij veel verdriet om mij heeft gehad. Stapels brieven heeft hij me geschreven, elke veertien dagen eentje. Ik was echt papa’s jongetje. Na twee jaar heeft hij het opgegeven. Ik heb altijd geweten dat die brieven er waren, maar mocht ze nooit lezen van mijn moeder. Dat was iets voor later. Later bleek nooit. Toen ze overleed heb ik de brieven nergens kunnen vinden.

Dat ik nooit eerder heb geprobeerd mijn vader te vinden, komt omdat mijn leven een bepaalde wending nam. Soms gaan dingen zoals ze gaan, dan komt het er gewoon niet van. Mijn jeugd bracht ik door op een kostschool, snel daarna kwam het succes van de Golden Earring. Onze dochters Bella en Gina werden geboren. En dat mijn vrouw Sandra met me mee zou gaan naar India was nooit een optie, omdat zij erg gevoelig is voor voedselvergiftigingen. Ja, ik had mijn vader graag in de armen willen sluiten en gezegd: ‘Hé daddy, hier ben ik!’ Het is altijd een hiaat in mijn leven gebleven. Tien jaar geleden lukte het me om de stap te zetten. Toen bleek dus dat mijn vader acht jaar daarvoor was overleden.

De redactie van Spoorloos heeft nog achterhaald dat mijn vader, die Engels was, hertrouwd was met een vrouw die na zijn dood was teruggekeerd naar Engeland. Ik had een gesoigneerde dame voor ogen, maar toen ik haar eindelijk durfde te bellen, kwam dat niet helemaal zo uit. De telefoon werd opgenomen met gebrabbel in Indiaas-Engels, iets wat totaal niet bij het plaatje paste. Ik heb haar met knikkende knieën bezocht en trof daar toch een keurige Engelse dame, maar met een Indiaas accent. Een accent dat ik ook moet hebben gehad toen ik in Nederland aankwam. Ze heeft me veel over mijn vader verteld, onder andere dat hij uit het leger was gegaan en beveiligingsofficier werd van een fabriek. Maar daar lag zijn hart niet. Ik heb altijd geweten dat hij een zuiplap was, maar uiteindelijk bleek hij echt een fulltime alcoholist te zijn geworden. Tja, het is een triest verhaal, een echt drama.

Toen ik het verhaal vertelde aan een ijzersmid die een tuinhek bij ons kwam maken, opperde hij om mijn cd aan m’n vader op te dragen. Ik vond dat direct een mooi plan. Ik hoop dat het voor mij zo een plekje krijgt, dat ik het kan afsluiten met een bezoek aan zijn graf. Waar ik een fles whisky over de steen wil leeggooien. Dat lijkt me mooi. Ik herinner me mijn vader als een aimabele man, het was altijd leuk bij ons thuis. In mijn gedachten dansten mijn ouders vaak door de kamer, soms bloot. Mijn vader greep mijn moeder bij haar borsten, ze hadden lol samen. Er was sprake van echte liefde. Mijn ouders waren vrijgevochten, vrijzinnig protestants heette dat. Hij hield van dansen, feestjes, toneelspelen, muziek, zingen en natuurlijk van een borrel.

Mijn moeder, met wie de omgang tijdens de rest van mijn jeugd altijd moeizaam verliep, zei vaak dat ik op mijn vader leek. Ik geloof het graag. Wat ik in ieder geval zeker weet, is dat ik een kind uit de tropen ben. Nederland is mijn plek niet. Wij zijn vorig jaar naar Curaçao verhuisd, wat voelt alsof ik terug ben in een omgeving waar ik thuishoor. In Nederland heb ik het altijd koud.

Lees verder in VROUW nummer 4.

Gerelateerde Artikelen:


vrijdag, juli 18, 2008

129. België door Europees Hof van de Rechten van de Mens veroordeeld wegens medeplichtigheid aan kinderontvoering


Leschiutta and Fraccaro v. Belgium (nos. 58081/00 and 58411/00)
European Court of Human Rights - 17 July 2008

The applicants, Carlo Leschiutta and Luigi Fraccaro, are Italian nationals who were born in 1948 and 1959 and live in Cerea and Tolmezzo (Italy). They are the respective fathers of Andrea and Elia, who were born in 1995 and 1987 to the same woman, A.M. The applicants complain that they were separated from their children, who were taken to Belgium by their mother, despite the fact that they had been awarded custody of them in two decisions by the Italian courts in 1995 and 1998. Relying on Article 8 (right to respect for private and family life), they allege that the Belgian authorities did not take the necessary measures to reunite them with their sons.

--------------------------------------------------------
Chamber judgment concerning Belgium
Bron/Source: EUROPEAN COURT OF HUMAN RIGHTS - Press release issued by the Registrar 535 - 17.7.2008

The European Court of Human Rights has today notified in writing the following 38 Chamber judgment, which is not final1.

Repetitive cases2 and length-of-proceedings cases, with the Court’s main finding indicated, can be found at the end of the press release.

Leschiutta and Fraccaro v. Belgium (nos. 58081/00 and 58411/00)

Violation of Article 8

The applicants, Carlo Leschiutta and Luigi Fraccaro, are Italian nationals who were born in 1948 and 1959 and live in Cerea and Tolmezzo (Italy). They are the fathers of Andrea and Elia respectively, born in 1995 and 1987 to A.M., with whom they both had a relationship.

The applicants complained that they had been separated from their children, who had been taken by their mother to Belgium, even though they had been awarded custody by the Italian courts in 1995 and 1998. In December 1998 the Belgian courts declared the relevant decisions enforceable in Belgium. Soon after, a court bailiff accompanied by police officers went to A.M.’s home, where they made an unsuccessful attempt to enforce the decision of the Belgian court. The Belgian social services drew up a report in February 1999 and two meetings between the applicants and their sons were organised in May 1999 and April 2000. A.M. was sentenced to terms of imprisonment by both the Italian and the Belgian courts for abducting her sons. Nevertheless, in the meantime she was awarded custody of the children by the Belgian courts on the ground that they had formally objected to being returned to Italy to live with their fathers. In December 1999 Andrea and Elia were placed in the care of the Belgian social services. Mr Leschiutta and Mr Fraccaro went to Belgium in June 2000 to collect their children and they all then returned to Italy.

According to the information supplied by the two fathers, the children live at present in Italy. Elia lives with his mother and father alternately. Proceedings concerning custody of Andrea are currently pending; he lives with his mother, who has given an undertaking not to take him away to Belgium except for short holidays.

Relying on Article 8 (right to respect for private and family life), the applicants alleged that the Belgian authorities had not taken the necessary measures to reunite them with their children earlier.

The Court noted that only one serious attempt had been made to enforce the relevant decision. It considered that the Belgian authorities had neglected to take all the steps that could reasonably have been required of them to ensure the children’s return to their respective fathers. By encouraging the children to persist with their refusal to return to live with their fathers, the authorities’ passivity, together with the inexorable passage of time, could have led to a total breakdown in the relations between father and child, which could by no means be considered to be in the child’s best interests. It followed that the Belgian authorities had failed to take prompt, appropriate and sufficient action to ensure the effective exercise of the applicants’ right to the return of their children. The accordingly held unanimously that there had been a violation of Article 8. It awarded Mr Leschiutta and Mr Fraccaro EUR 20,000 each for non-pecuniary damage and EUR 15,000 for costs and expenses. (The judgment is available only in French).

***

These summaries by the Registry do not bind the Court. The full texts of the Court’s judgments are accessible on its Internet site (http://www.echr.coe.int)

Press contacts
  • Adrien Meyer (telephone: 00 33 (0)3 88 41 33 37)
  • Tracey Turner-Tretz (telephone: 00 33 (0)3 88 41 35 30)
  • Sania Ivedi (telephone: 00 33 (0)3 90 21 59 45)

The European Court of Human Rights was set up in Strasbourg by the Council of Europe Member States in 1959 to deal with alleged violations of the 1950 European Convention on Human Rights.

[1] Under Article 43 of the European Convention on Human Rights, within three months from the date of a Chamber judgment, any party to the case may, in exceptional cases, request that the case be referred to the 17-member Grand Chamber of the Court. In that event, a panel of five judges considers whether the case raises a serious question affecting the interpretation or application of the Convention or its protocols, or a serious issue of general importance, in which case the Grand Chamber will deliver a final judgment. If no such question or issue arises, the panel will reject the request, at which point the judgment becomes final. Otherwise Chamber judgments become final on the expiry of the three-month period or earlier if the parties declare that they do not intend to make a request to refer.
[2] In which the Court has reached the same findings as in similar cases raising the same issues under the Convention.


--------------------------------------------------------
De onderstaande artikelen uit de Belgische pers geven een volstrekt verkeerde weergave van het oordeel van het Europees Hof van de Rechten van de Mens. Uitsluitend voor de volledigheid van de berichtgeving geef ik het hieronder weer:
--------------------------------------------------------
België veroordeeld voor niet naleven hoederecht
Bron: Het Nieuwsblad - 17/07/2008

BRUSSEL - De Belgische staat is donderdag veroordeeld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in Straatsburg omdat ze beslissingen van het Italiaanse gerecht niet heeft uitgevoerd.

De Italiaanse justitie had twee mannen die in Italië wonen het hoederecht gegeven over hun kinderen, maar de moeder had de kinderen mee naar België genomen.

De moeder ontvoerde in 1998 een van de kinderen op weg naar school in Italië en nam het mee naar België. Haar ex-man had het hoederecht over het kind.

De vrouw had zelf het hoederecht over een ander kind, uit een relatie met een andere man, maar ze liet de vader niet toe zijn kind in België te bezoeken. Het hof van beroep van Venetië wees hem daarom in 1998 het hoederecht over het kind toe.

Een poging van het Belgisch gerecht om de kinderen terug te halen mislukte. Het gerecht wees uiteindelijk het hoederecht toe aan de moeder om de kinderen niet plots te moeten weghalen uit hun omgeving.

Het EHRM kon daar geen begrip voor opbrengen en veroordeelde de Belgische staat tot een schadevergoeding van 20.000 euro aan beide vaders. De staat moet ook opdraaien voor de gerechtskosten. Er zou een inbreuk gepleegd zijn op het recht dat iedereen heeft op eerbiediging van zijn gezinsleven. De overheid mag zich daar, op enkele uitzonderingen na, niet in mengen.

Svh (belga)

--------------------------------------------------------
België veroordeeld wegens niet naleven hoederecht twee Italiaanse kinderen
Bron: De Morgen: Binnenland - (351166) - 17/07/08 17u56

De Belgische staat is donderdag veroordeeld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in Straatsburg omdat ze beslissingen van het Italiaanse gerecht niet heeft uitgevoerd. De Italiaanse justitie had twee mannen die in Italië wonen het hoederecht gegeven over hun kinderen, maar de moeder had de kinderen mee naar België genomen.

Ontvoerd
De vader van Elia (geboren in 1987), die in Italië woont, diende op 12 oktober 1998 klacht in omdat zijn zoon op weg naar school was ontvoerd door zijn ex-vrouw. De man had het hoederecht over het kind. De vrouw, A.M., nam het kind mee naar Hasselt. De vrouw had op dat ogenblik het hoederecht over een ander kind, Andrea (geboren in 1995), uit een relatie met een andere man, maar ze liet de vader niet toe zijn kind in België te bezoeken. Het Italiaanse gerecht besliste daarom ook in deze zaak het hoederecht aan de vader te geven.

Hoederecht naar moeder
In eerste instantie liet de Hasseltse rechtbank de twee kinderen terughalen. Maar een eerste poging mislukte doordat de moeder weigerde. In 1999 besliste de jeugdrechter in Hasselt het hoederecht toe te kennen aan de moeder om te vermijden dat de kinderen plots uit hun omgeving weggerukt zouden worden. De uitspraak werd in beroep en in cassatie bevestigd. De moeder werd tegelijkertijd in Italië veroordeeld voor ontvoering. In juni 2000 keerden de kinderen terug met hun vaders naar Italië. Ook de moeder woont intussen opnieuw in Italië.

Geen ernstige pogingen
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) veroordeelde vandaag de Belgische staat. De vaders krijgen elk 20.000 euro morele schadevergoeding. De staat moet ook opdraaien voor de gerechtskosten, die 15.000 euro bedragen. In zijn arrest zegt het EHRM dat er geen ernstige pogingen waren ondernomen om de kinderen uit hun omgeving te halen. Het hof begrijpt de beslissing van de Hasseltse jeugdrechter niet. Volgens het hof dreigde de vader-kind-relatie door de beslissing ernstig verstoord te raken. De Belgische staat zou inbreuk gepleegd hebben op het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens door het recht op eerbiediging van het gezinsleven niet te respecteren. (belga/bf)

--------------------------------------------------------

The judgement itself is only in French: (see below). For the English machinetranslation of the original French judgement see the website of Family4Justice Belgium.

Het oordeel zelf is alleen in het Frans (zie beneden)
. Voor de Nederlandse machinevertaling van de originele tekst zie de website van Family4Justice België.

--------------------------------------------------------
AFFAIRE LESCHIUTTA ET FRACCARO c. BELGIQUE
DEUXIÈME SECTION (Requêtes nos 58081/00 et 58411/00)
ARRÊT STRASBOURG, 17 juillet 2008

Cet arrêt deviendra définitif dans les conditions définies à l'article 44 § 2 de la Convention. Il peut subir des retouches de forme.

En les deux affaires Leschiutta et Fraccaro c. Belgique,
La Cour européenne des droits de l'homme (deuxième section), siégeant en une chambre composée de :
  • Antonella Mularoni, présidente,
  • Françoise Tulkens,
  • Ireneu Cabral Barreto,
  • Vladimiro Zagrebelsky,
  • Danutė Jočienė,
  • Dragoljub Popović,
  • András Sajó, juges,
  • et de Sally Dollé, greffière de section,

Après en avoir délibéré en chambre du conseil le 24 juin 2008,
Rend l'arrêt que voici, adopté à cette dernière date :

PROCÉDURE

1. A l'origine de l'affaire se trouvent deux requêtes (nos 58081/00 et 58411/00) dirigées contre le Royaume de Belgique et dont deux ressortissants de nationalité italienne, MM. Carlo Leschiutta et Luigi Fraccaro, agissant également en tant que représentants légaux de leurs fils respectifs, Andrea et Elia, ont saisi la Cour le 14 avril et 12 mai 2000 en vertu de l'article 34 de la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales (« la Convention »).
2. Les requérants sont représentés par Mes M.A. Fochesato Spadaro et A. Rebesani, avocats à Vicenza. Le gouvernement belge (« le Gouvernement ») est représenté par son agent, M. D. Flore, conseiller général au Service public fédéral de la Justice.
3. Par une décision du 3 avril 2007, après avoir décidé la jonction des deux requêtes (article 42 § 1 du règlement), la chambre les a déclarées recevables.
4. Tant les requérants que le Gouvernement ont déposé des observations écrites complémentaires (article 59 § 1 du règlement).

EN FAIT

I. LES CIRCONSTANCES DE L'ESPÈCE

5. Les deux pères sont nés en 1948 (M. Leschiutta) et en 1959 (M. Fraccaro) et résident à Cerea (Verona) et à Tolmezzo (Udine) respectivement. Les enfants sont nés en 1987 (Elia) et en 1995 (Andrea).

A. Circonstances et procédure se rapportant à Elia

6. Par un jugement du 23 juin 1993, le tribunal de Vérone prononça la séparation de corps entre M. Fraccaro et sa femme, A.M., et confia la garde de leur fils, Elia, à cette dernière. Le père restait libre de rencontrer Elia, moyennant avertissement préalable à la mère et en tenant compte des intérêts de l'enfant.
Le 16 septembre 1993, suite à un accord judiciaire, les parents convinrent de confier l'enfant à la garde de son père, la mère étant libre de le rencontrer à chaque moment.
A la demande de M. Fraccaro, par une décision du 8 juillet 1994, le tribunal de Vérone confia définitivement la garde d'Elia à son père. Il releva que l'enfant vivait de fait chez son père, qu'il était très serein et qu'il avait maintenu des rapports affectueux avec les deux parents.
A une date non précisée, A.M., considérant qu'Elia souffrait de sa séparation avec elle, saisit la cour d'appel de Venise.
Le 30 janvier 1995, la cour d'appel confirma la décision attaquée, l'estimant dûment motivée.
Le 12 octobre 1998, M. Fraccaro porta plainte à l'encontre d'A.M. devant la gendarmerie de Cerea (Verona) : il indiquait que, le jour même, Elia avait été enlevé sur le chemin de l'école et emmené par sa mère en Belgique, où celle-ci avait entre-temps déménagé.
Le 16 novembre 1998, le ministère de la Justice italien, sollicité par M. Fraccaro, demanda au ministère de la Justice belge de donner d'urgence l'exequatur à la décision de la cour d'appel de Venise du 30 janvier 1995.

B. Circonstances et procédure concernant Andrea

7. Le 11 septembre 1995 naquit Andrea, fils d'A.M. et de M. Leschiutta.
Par une décision du 24 mars 1997, le tribunal de Venise confia la garde d'Andrea à sa mère et établit relativement à son père un calendrier de visites.
A une date non précisée, M. Leschiutta introduisit un recours devant le tribunal des enfants de Venise afin d'obtenir la déchéance de l'autorité parentale d'A.M., laquelle résidait maintenant en Belgique avec l'enfant.
Par une décision du 25 août 1998, le tribunal des enfants confirma le maintien de la garde d'Andrea à sa mère.
M. Leschiutta saisit alors la cour d'appel de Venise. Le 30 octobre 1998, la juridiction constata qu'A.M. vivait depuis un an en Belgique avec Andrea et qu'elle empêchait celui-ci de voir son père. Elle confia donc la garde de l'enfant à M. Leschiutta.

C. Circonstances et procédures communes aux deux enfants

8. Par une décision du 21 décembre 1998, le tribunal de Hasselt (Belgique) donna l'exequatur aux décisions de la cour d'appel de Venise du 30 janvier 1995 et du 30 octobre 1998.
Le 23 décembre 1998, à la demande du consulat d'Italie à Gand (« le consulat »), un service de vigilance fut mis en place sur le lieu où A.M. et les enfants étaient censés se trouver. Le même jour, des policiers et un huissier de justice essayèrent d'exécuter la décision du tribunal de Hasselt. Toutefois, A.M. refusa de laisser partir les enfants.
Par des lettres des 28 et 30 décembre 1998, MM. Leschiutta et Fraccaro sollicitèrent le ministère de la Justice belge en vue du rapatriement d'urgence de leur fils respectif en Italie.
Par une lettre du 6 janvier 1999 adressée à l'ambassade d'Italie à Bruxelles (« l'ambassade »), au consulat, au ministère de la Justice et au ministère des Affaires étrangères italiens, les deux pères, soupçonnant A.M. de préparer une fuite au Maroc avec les enfants, demandèrent l'éloignement d'urgence de ces derniers de leur mère.
Par une lettre du 15 janvier 1999, le ministère des Affaires étrangères italien informa les pères que l'ambassade et le consulat avaient pris, dans la limite de leur compétence, toutes les mesures possibles afin d'obtenir l'exécution des décisions de la cour d'appel de Venise. En outre, l'ambassadeur avait personnellement sollicité, à plusieurs reprises, les autorités belges compétentes signalant l'importance et l'extrême sensibilité de l'affaire. De plus, le consulat s'était adressé aux autorités locales, demandant, entre autres, qu'une rencontre avec les deux enfants soit organisée. Le ministère indiqua également que l'ambassadeur et le consul avaient demandé aux autorités judiciaires compétentes de localiser le logement des enfants et de contrôler leurs éventuels déplacements.
Par une lettre du 4 février 1999 adressée à l'ambassade, au consulat, au ministère de la Justice et au ministère des Affaires étrangères italiens, MM. Leschiutta et Fraccaro sollicitèrent à nouveau l'exécution des décisions de la cour d'appel de Venise.
Le 9 février 1999, le consul informa les pères qu'il avait rendu visite aux enfants chez une amie d'A.M. A la demande des deux pères visant à connaître le nom et l'adresse de cette amie, le consul répondit ne pas pouvoir interférer dans des affaires de nature privée.
Par une lettre du 15 février 1999, adressée, entre autres, au consulat, se plaignant du caractère vague et incomplet des informations qui leur avaient été fournies, MM. Leschiutta et Fraccaro demandèrent à connaître le nom et l'adresse des écoles fréquentées par les enfants.
Par une lettre du 18 février 1999, le consul rappela aux deux pères que, suite à l'exequatur, l'exécution des décisions de la cour d'appel de Venise tombait dans le champ de compétence des autorités belges. En outre, il souligna que les rapports avec A.M. étaient de nature privée et que le consulat italien n'avait qu'une obligation d'assistance et de protection des intérêts des enfants.
Dans le rapport déposé le même jour, le service social de la communauté flamande près le tribunal de la jeunesse, chargé d'une enquête sociale sur les deux enfants, signala que ceux-ci, scolarisés et bien soignés, ne se trouvaient pas en danger et qu'Elia ne souhaitait pas rentrer en Italie. Le procureur près le tribunal de la jeunesse de Hasselt ordonna toutefois le maintien de la surveillance des enfants.
Par une lettre du 6 mai 1999, le ministère des Affaires étrangères italien informa les deux pères que A.M. et Elia s'étaient rendus au consulat, que l'enfant était en bonne santé et qu'il avait manifesté la volonté de rester en Belgique chez sa mère.
Par des décisions des 11 mai et 9 juin 1999, le tribunal des enfants de Venise constata que A.M. avait manqué à ses devoirs parentaux en soustrayant de façon violente Elia à son milieu familial et scolaire et qu'elle empêchait Andrea de voir son père. Partant, il la déchut de son autorité parentale.
Le 28 mai 1999, une rencontre eut lieu, dans les locaux de la police d'Heusden-Zolder, entre les pères, les deux enfants ainsi que A.M. et son compagnon, en présence du consul italien et d'un traducteur.
Sollicité par une lettre de MM. Leschiutta et Fraccaro, le 9 août 1999, le consul rappela à nouveau ne pas avoir la compétence pour exécuter les décisions de la cour d'appel de Venise. Il indiqua, en particulier, que l'autorité compétente était le tribunal de Hasselt.
Par une ordonnance du 3 septembre 1999, le tribunal des enfants de Hasselt, considérant que les enfants vivaient depuis longtemps chez leur mère et afin d'éviter que ceux-ci soient arrachés soudainement à leur milieu, confia provisoirement la garde des enfants à A.M. Il ressort du rapport d'audience qu'à cette occasion, les deux pères eurent un comportement agressif et menacèrent d'enlever les deux enfants.
Le même jour, grâce à l'intervention du bureau d'assistance spéciale à la jeunesse et de la commission indépendante de médiation et d'assistance spéciale à la jeunesse, une rencontre entre Elia et son père fut organisée au sein des locaux de la police.
Par un jugement du 24 septembre 1999, le tribunal pénal de Vérone condamna A.M. à une peine de dix mois de réclusion pour l'enlèvement d'Elia.
A une date non précisée, une procédure pénale fut engagée contre A.M. devant le tribunal de Rovigo pour l'enlèvement d'Andrea.
Le 26 octobre 1999, dans un réquisitoire adressé au juge de la jeunesse constatant que la procédure de médiation initiée par la commission et le bureau n'avait pas pu aboutir, le procureur demanda de ne pas dessaisir la commission de son mandat et de prendre de nouvelles mesures provisoires.
Par une lettre du 5 novembre 1999 adressée au ministère de la Justice belge, le ministère de la Justice italien indiqua que l'ordonnance du tribunal de Hasselt du 3 septembre 1999 était en contradiction avec l'exequatur du 21 décembre 1998, et sollicita l'exécution des décisions de la cour d'appel de Venise.
Par un jugement du tribunal de Hasselt du 19 novembre 1999, A.M. fut condamnée à huit jours de réclusion, plus une amende, pour l'enlèvement des deux enfants.
Le rapport, établi le 29 novembre 1999 par les services sociaux, confirma la bonne santé des enfants et une scolarité sans problèmes. Il souligna la crainte d'Elia de pouvoir être enlevé par son père.
Le 3 décembre 1999, en raison de sérieux doutes quant aux chances de développement des enfants et des conséquences psychologiques pour les mineurs susceptibles d'être engendrées par la tension entre les parties, le juge de la jeunesse de Hasselt décida de confier ceux-ci aux services sociaux.
Entre-temps, à une date non précisée, MM. Leschiutta et Fraccaro interjetèrent appel devant la cour d'appel d'Anvers contre les ordonnances du tribunal de Hasselt confiant la garde des enfants à leur mère. Le 9 mars 2000, la cour d'appel d'Anvers, considérant que les enfants s'étaient formellement opposés au retour en Italie au domicile de leurs pères, que le retour forcé en Italie entraînerait un traumatisme psychologique pour eux et que l'intérêt des pères était subordonné à celui des mineurs, rejeta les recours.
Les deux pères se pourvurent en cassation le 20 mars 2000.
A la suite d'un accord entre les autorités diplomatiques italiennes en Belgique et les autorités belges, une rencontre pères-enfants avait entre-temps été fixée au 14 janvier 2000 ; elle fut reportée par la suite aux 21, 22 et enfin au 23 avril 2000.
Selon les informations fournies par les deux pères, à l'occasion de cette rencontre, les enfants déclarèrent vouloir rester avec leur père respectif.
Le 19 mai 2000, l'ambassade d'Italie transmit aux autorités belges une demande des deux pères visant à organiser une rencontre avec les enfants du 26 au 28 mai 2000.
Le 6 juin 2000, la Cour de cassation rejeta le pourvoi de MM. Leschiutta et Fraccaro.
Le 30 juin 2000, ces derniers se rendirent en Belgique pour chercher les enfants. Les pères et les enfants rentrèrent ensuite en Italie.
Le 28 mars 2003, compte tenu de l'accord (« patteggiamento ») conclu avec le procureur, le tribunal pénal de Rovigo condamna A.M. à vingt jours de réclusion avec sursis pour l'enlèvement d'Andrea. Cette peine devait s'ajouter à celle déjà infligée par le tribunal pénal de Vérone.
Le 27 octobre 2003, le tribunal des enfants de Venise décida de restituer l'autorité parentale à A.M. à l'égard d'Elia, lequel avait déjà choisi de vivre avec sa mère. Quant à Andrea, au mois de mars 2008, la procédure pour en attribuer définitivement la garde demeurait pendante devant le tribunal des enfants de Venise. La dernière audience avait été renvoyée sur demande des parents, en considération du fait que l'enfant souhaitait passer l'année scolaire avec sa mère.
Selon les informations fournies par les deux pères, les enfants ont enfin fait retour en Italie. Elia, qui habite alternativement chez sa mère et chez son père, après une première période marquée par une difficile réinsertion scolaire, apparait maintenant comme un garçon tranquille et socialement intégré. Andrea vit chez sa mère et il serait en train de poursuivre ses études. Sous contrôle du tribunal des enfants de Venise et avec l'accord du père, la mère s'est engagée à ne l'amener en Belgique que pour des vacances de courte durée.

II. LE DROIT INTERNE PERTINENT

9. L'article 1382 du code civil est ainsi libellé :
Article 1382
« Tout fait quelconque de l'homme, qui cause à autrui un dommage, oblige celui par la faute duquel il est arrivé, à le réparer. »

EN DROIT

I. SUR LA VIOLATION ALLÉGUÉE DE L'ARTICLE 8 DE LA CONVENTION

10. Invoquant l'article 8 de la Convention, les requérants se plaignent de la violation de leur droit au respect de la vie familiale en raison de ce que, malgré la décision du tribunal de Hasselt du 21 décembre 1998, les autorités belges n'ont pas pris les mesures nécessaires afin de les réunir plus tôt à leur fils.
11. Les dispositions de l'article 8 se lisent ainsi :

« 1. Toute personne a droit au respect de sa vie (...) familiale (...).
2. Il ne peut y avoir ingérence d'une autorité publique dans l'exercice de ce droit que pour autant que cette ingérence est prévue par la loi et qu'elle constitue une mesure qui, dans une société démocratique, est nécessaire à la sécurité nationale, à la sûreté publique, au bien être économique du pays, à la défense de l'ordre et à la prévention des infractions pénales, à la protection de la santé ou de la morale, ou à la protection des droits et libertés d'autrui. »

A. Thèses des parties

1. Les requérants
12. Les requérants dénoncent la légèreté dont auraient fait preuve les autorités belges dans le traitement de cette affaire, ainsi que leur négligence face au contenu des décisions des tribunaux italiens. D'une part, le déracinement du milieu familial et scolaire, ainsi que le sentiment d'abandon qu'ils doivent avoir ressenti, aurait provoqué chez les enfants des déséquilibres psychologiques graves et durables. D'autre part, la distance et le manque de tout contact avec leurs fils ont eu un fort impact émotionnel sur les deux pères. Bien que titulaires incontestables de la garde de leur enfant respectif, en vertu de décisions judiciaires italiennes reconnues en exequatur par les tribunaux belges, les pères n'ont pas pu l'exercer. L'opposition manifestée par les autorités belges envers leurs prétentions légitimes, à laquelle une lenteur « bureaucratique » importante est venue s'ajouter, aurait pu conduire à une rupture définitive des relations père-fils.
Quant à Elia et Andrea, MM. Leschiutta et Fraccaro admettent que finalement une relation normale s'est établie entre pères et enfants. Malgré les traumatismes psychologiques dont ils ont souffert et les difficultés de réinsertion scolaire et sociale rencontrées, ils sont devenus aujourd'hui des garçons mûrs et sereins. Néanmoins, les deux pères font valoir que cette sérénité familiale et personnelle a été atteinte grâce à leur persévérance, en dépit de l'intervention des autorités belges. A ce propos, ils soutiennent avoir été tenus de demander l'intervention d'experts psychologues privés pour aider leurs enfants, intervention dont ils ont dû supporter les frais.
Les pères affirment ensuite avoir été obligés de se rendre à maintes reprises en Belgique, au prix d'importants sacrifices financiers. Ils auraient même perdu leur emploi en raison des fréquentes absences dues à leurs déplacements à l'étranger pour tenter de rencontrer leur fils.
En conclusion, ils soutiennent que les dommages moraux et patrimoniaux supportés par eux et leur fils respectif sont la conséquence directe de l'indifférence de la part des autorités belges qui, non seulement n'ont pas donné exécution à la décision judiciaire italienne et à celle d'exequatur belge mais, au contraire, ont même provisoirement confié la garde des enfants à leur mère, coupable de leur enlèvement.

2. Le Gouvernement
13. Le Gouvernement s'oppose à la thèse des requérants. Il souligne que la décision d'exequatur a été rendue sans délai et qu'une tentative d'exécution forcée s'en est suivie immédiatement. Face à l'échec de celle-ci, les juridictions, le parquet, le service d'aide à la jeunesse et l'autorité centrale, dans la mesure de leur compétence limitée, ont assuré le suivi du dossier et proposé aux parents des mesures afin de préparer la réinsertion des enfants chez leur père respectif, sans entraver leur scolarité et leur équilibre au moment des faits. Dans la balance des intérêts que les autorités publiques ont eu à opérer dans ces affaires très délicates, le gouvernement soutient que l'intérêt supérieur des enfants à ne pas subir les traumatismes psychologiques qu'entraine une exécution forcée a prévalu. Dans l'appréciation des différents intérêts en cause, la mise en place d'autres mesures aptes à instaurer la coopération entre les parties n'a cessé d'être recherchée par les autorités belges aux fins de permettre une réunion, si possible sereine, des requérants avec leur enfant respectif. C'est d'ailleurs grâce à l'intervention de celles-ci que le retour des enfants a été rendu possible.
Selon le Gouvernement, il n'appartient pas à la Cour de se substituer aux autorités internes pour réglementer la situation des enfants mais d'apprécier, sous l'angle de la Convention, les mesures prises par ces autorités dans l'exercice de leur pouvoir d'appréciation pour permettre la réunion des parents et de leur enfant.
A ses yeux, on ne peut pas reprocher aux autorités belges d'avoir privilégié la collaboration et la compréhension des intéressés, ni d'être restées passives face au manque de coopération des parents ou de l'agressivité constante des requérants.

B. Appréciation de la Cour

1. Les principes contenus dans la jurisprudence de la Cour

14. L'article 8 de la Convention tend pour l'essentiel à prémunir l'individu contre des ingérences arbitraires des pouvoirs publics ; il engendre, de surcroît, des obligations positives inhérentes à un « respect » effectif de la vie familiale. Dans un cas comme dans l'autre, il faut avoir égard au juste équilibre à ménager entre les intérêts concurrents de l'individu et de la société dans son ensemble ; de même, dans les deux hypothèses, l'Etat jouit d'une certaine marge d'appréciation (Ignaccolo-Zenide c. Roumanie, no 31679/96, § 94, CEDH 2000-I ; Karadžić c. Croatie, no 35030/04, § 51, 15 décembre 2005 ; Monory c. Roumanie et Hongrie, no 71099/01, § 72, 5 avril 2005).
15. La Cour n'a point pour tâche de se substituer aux autorités compétentes pour réglementer les questions de garde et de visites, mais d'apprécier sous l'angle de la Convention les décisions que ces autorités ont rendues dans l'exercice de leur pouvoir d'appréciation. Ce faisant, elle doit rechercher si les raisons censées justifier les mesures effectivement adoptées quant à la jouissance par le requérant de son droit au respect de sa vie familiale sont pertinentes et suffisantes au regard de l'article 8 (voir, par exemple, Hokkanen c. Finlande, arrêt du 23 septembre 1994, série A no 299 A, p. 20, § 55).
16. S'agissant plus particulièrement de l'obligation pour l'Etat de prendre des mesures positives, la Cour a déclaré à de nombreuses reprises que l'article 8 implique le droit d'un parent à des mesures propres à le réunir à son enfant et l'obligation pour les autorités nationales de les adopter (voir, par exemple, les arrêts Ignaccolo-Zenide, précité, § 94 ; Nuutinen c. Finlande, no 32842/96, §§ 127 et suiv., CEDH 2000-VIII ; Iglesias Gil et A.U.I. c. Espagne, no 56673/00, § 49, CEDH 2003 V ; Monory, précité, § 73).
17. Le point décisif, en matière de droit de la famille, consiste donc à savoir si les autorités nationales ont pris, pour faciliter l'exécution rapide des décisions rendues par les juridictions internes accordant au requérant le droit de garde et l'autorité parentale exclusive de l'enfant, toutes les mesures que l'on pouvait raisonnablement exiger d'elles (Karadžić, précité, § 53).
18. Toutefois, l'obligation pour les autorités nationales de prendre des mesures à cet effet n'est pas absolue. La nature et l'étendue de celles-ci dépendent des circonstances de chaque espèce, mais la compréhension et la coopération de l'ensemble des personnes concernées en constituent toujours un facteur important. Si les autorités nationales doivent chercher à faciliter pareille collaboration, une obligation pour elles de recourir à la coercition en la matière ne saurait être que limitée : il leur faut tenir compte des intérêts et des droits et libertés de l'ensemble des acteurs, et notamment des intérêts supérieurs de l'enfant et des droits que lui reconnaît l'article 8 de la Convention. Dans l'hypothèse où des contacts avec les parents risquent de menacer ces intérêts ou de porter atteinte à ces droits, il revient aux autorités nationales de veiller à un juste équilibre entre eux (Ignaccolo-Zenide précité, § 94, Iglesias Gil et A.U.I., précité, § 50, Karadžić, précité, § 52).
19. La Cour réitère également le principe bien établi dans sa jurisprudence selon lequel le but de la Convention consiste à protéger des droits non pas théoriques ou illusoires, mais concrets et effectifs (voir Artico c. Italie, arrêt du 13 mai 1980, série A no 37, p. 16, § 33). Dans cette logique, elle rappelle qu'un respect effectif de la vie familiale commande que les relations futures entre parent et enfant se règlent sur la seule base de l'ensemble des éléments pertinents, et non par le simple déroulement du temps. Elle peut aussi avoir égard, sur le terrain de l'article 8, au mode et à la durée du processus décisionnel (W. c. Royaume Uni, arrêt du 8 juillet 1987, série A no 121, p. 29, § 65 ; Eskinazi et Chelouche, précitée ; McMichael c. Royaume-Uni, arrêt du 24 février 1995, série A no 307 B, pp. 55 et 57, §§ 87 et 92).
20. Dans ce contexte, la Cour a noté que l'adéquation d'une mesure se juge à la rapidité de sa mise en œuvre. En effet, les procédures relatives à l'attribution de l'autorité parentale, y compris l'exécution des décisions rendues à leur issue, exigent un traitement urgent, car le passage du temps peut avoir des conséquences irrémédiables pour les relations entre les enfants et celui des parents qui ne vit pas avec eux (Ignaccolo-Zenide, précité, § 102 ; voir aussi, mutatis mutandis, Maire c. Portugal, no 48206/99, § 74, CEDH 2003 VI, Pini et autres c. Roumanie, nos 78028/01 et 78030/01, § 175, CEDH 2004 V (extraits), et Monory, précité, § 82).

2. Application en l'espèce des principes précités

a) Applicabilité de l'article 8, existence d'une ingérence ainsi que d'une base légale et d'un but légitime

21. Se tournant vers les circonstances de l'espèce, la Cour note d'emblée qu'il n'est pas contesté que, pour les deux pères et leur fils respectif – dont ceux-ci ont obtenu la garde en vertu de deux décisions des tribunaux italiens, reconnues ensuite par les juridictions belges –, continuer à vivre ensemble représente un élément fondamental qui relève de la vie familiale au sens du premier paragraphe de l'article 8 de la Convention, lequel est donc applicable en l'espèce (Maire, précité, § 68, CEDH 2003 VII ; Eskinazi et Chelouche, précitée).
22. MM Leschiutta et Fraccaro entendent se plaindre de la négligence des autorités compétentes s'agissant d'exécuter l'ordre de retour découlant de la décision du tribunal belge de Hasselt du 21 décembre 1998.
23. En l'occurrence, l'attente d'exécution des mesures octroyant la garde des enfants à leur père respectif s'analyse à ne pas douter en une « ingérence » au sens du paragraphe 2 de l'article 8 de la Convention dans l'exercice du droit des requérants au respect de leur vie familiale, dans la mesure où les deux premiers requérants ont été empêchés, au moins temporairement, de jouir de l'exercice du droit de garde de leur fils (voir, en ce sens, McMichael, précité, p. 55, §§ 86 et suiv. ; Monory, précité, § 70 ; Eskinazi et Chelouche, précitée ; Paradis, précitée).
24. Pareille immixtion enfreint l'article 8, sauf si elle remplit les exigences du paragraphe 2 de cette disposition. Reste donc à savoir si l'ingérence était « prévue par la loi », inspirée par un ou des buts légitimes au regard de ce paragraphe et « nécessaire dans une société démocratique » pour les atteindre.
25. En l'espèce, la Cour relève que la décision litigieuse du tribunal d'Hasselt du 21 décembre 1998, aussi bien que les autres décisions des autorités juridictionnelles belges qui suivirent, étaient fondées sur le droit belge et appliquées dans le but de protéger les enfants, but dont la légitimité n'a d'ailleurs pas été contestée (voir, en ce sens, Tiemann c. France et Allemagne (déc.), nos 47457/99 et 47458/99, CEDH 2000 IV ; Eskinazi et Chelouche, précitée).

b) Nécessité de l'ingérence dans une société démocratique

26. Pour apprécier la « nécessité » des mesures litigieuses « dans une société démocratique », la Cour examinera, à la lumière de l'ensemble de l'affaire, si les motifs invoqués pour les justifier sont pertinents et suffisants aux fins du paragraphe 2 de l'article 8 (voir, notamment, les arrêts Olsson (no 1), 24 mars 1988, série A no 130, p. 32, § 68, Johansen c. Norvège, 7 août 1996, Recueil 1996-III, pp. 1003-1004, § 64, Olsson c. Suède (no 2) du 27 novembre 1992, série A no 250, p. 34, § 87, Bronda c. Italie, 9 juin 1998, Recueil 1998-IV, p. 1491, § 59, Gnahoré, précité, § 54, et K. et T. c. Finlande, [GC], no 25702/94, § 154, CEDH 2001-VII). Elle aura en outre égard à l'obligation faite en principe à l'Etat de permettre le maintien du lien entre les requérants et leurs enfants.
27. La Cour doit donc déterminer si les autorités nationales ont pris les mesures nécessaires et adéquates pour faciliter l'exécution sans délai des deux décisions judiciaires du 30 janvier 1995 et du 30 octobre 1998, auxquelles l'exequatur avait été accordé le 21 décembre 1998 par le tribunal belge, confiant aux pères la garde de leur enfant respectif.
28. A ce propos, la Cour admet qu'un changement de circonstances pertinentes peut justifier la non-exécution d'une décision définitive portant sur la réunion du parent avec son enfant. Cependant, eu égard aux obligations positives qui découlent pour l'Etat de l'article 8 et à l'exigence générale de la prééminence du droit, la Cour doit s'assurer que ce changement de circonstances n'est pas dû à l'incapacité des autorités nationales d'adopter toutes les mesures que l'on pouvait raisonnablement exiger d'elles pour faciliter l'exécution d'une telle décision (Sylvester c. Autriche, nos 36812/97 et 40104/98, § 63, 24 avril 2003).
29. En l'occurrence, sollicité par le consulat d'Italie à Gand, le 23 décembre 1998, soit seulement deux jours après la décision d'exequatur, un huissier de justice accompagné par des policiers s'est déplacé au domicile de Mme A.M., où elle se trouvait avec les enfants. Cette intervention, bien que très rapide, est la seule tentative sérieuse d'exécution ayant eu lieu.
30. La Cour prend acte que jusqu'à début septembre 1999, hormis un rapport des services sociaux du 18 février 1999 et deux rencontres pères-fils, aucune action concrète en vue du regroupement des requérants ne fut entreprise par les autorités belges. Suite à la rencontre du 28 mai 1999, les requérants ont dû attendre le 3 septembre 1999, soit plus de huit mois après l'exequatur, pour qu'une juridiction belge se prononce à nouveau sur l'affaire.
31. La Cour note qu'aucune explication satisfaisante n'a été avancée par le Gouvernement pour justifier cet important délai. De même, quant au fond de la décision du 3 septembre 1999, la Cour a des difficultés à comprendre et accepter les motifs sur lesquels le tribunal des enfants de Hasselt s'est fondé pour décider de confier provisoirement la garde des enfants à leur mère. De toute évidence, une telle conclusion heurtait de front la décision d'exequatur ôtant à la mère la garde de ses enfants.
32. De surcroit, la Cour relève que le 19 novembre 1999, à savoir trois mois après lui avoir confié la garde des enfants, le tribunal correctionnel de Hasselt condamna Mme A.M. à huit jours de réclusion pour l'enlèvement de ses deux fils. Par ailleurs, cette décision ne faisait que partiellement confirmer la condamnation, bien plus lourde, que Mme A.M. venait de subir par le tribunal pénal de Vérone.
Trois mois plus tard, sans apparemment prendre en considération ni la décision d'exequatur, ni la condamnation de Mme A.M., le tribunal civil de Hasselt décida de confier la garde des enfants à leur mère. En juin 2000, la Cour de cassation confirma cette conclusion. Compte tenu de l'aversion envers un rapprochement avec leur père respectif manifestée par les enfants, et dans le souci d'éviter qu'un traumatisme psychologique durable se produise chez les enfants en raison d'un rapatriement forcé, les juridictions optèrent pour l'interdiction d'un tel déplacement.
33. La Cour exprime des réserves au sujet du processus décisionnel ayant conduit à ces décisions. Pour autant que les deux fils auraient fait preuve de réticences sérieuses quant à l'hypothèse de leur retour en Italie - point mis en avant par les juridictions qui eurent à statuer -, il convient en effet de se demander s'il était opportun de se contenter en l'espèce d'un seul rapport des services sociaux intervenu à fin novembre 1999, soit bien plus d'un an après la séparation des enfants d'avec leur père respectif, rapport dont l'objet, au demeurant, était la santé et la scolarité des enfants, et non leur situation psychologique (voir, a contrario, l'arrêt Sommerfeld c. Allemagne [GC], no 31871/96, § 71, CEDH 2003-VIII (extraits). Au lieu de confier rapidement et définitivement les enfants à leurs pères respectifs, légitimes titulaires de la garde, les autorités publiques ont considéré la tension entre les parents comme un danger qu'il convenait d'épargner aux enfants en les éloignant.
34. Pour le reste, aucune mesure n'a été prise par les autorités pour créer les conditions nécessaires à l'exécution urgente de l'ordonnance litigieuse.
La Cour estime que les autorités concernées ont négligé de mettre en œuvre toutes les mesures qu'on pouvait raisonnablement exiger d'elles pour assurer le retour des enfants auprès de leur père respectif. En confortant les enfants dans leur refus de retourner vivre avec leur père respectif, la passivité des autorités, cumulée avec l'inexorable écoulement du temps, aurait pu être à l'origine de la rupture totale des relations enfant-père, rupture que n'est aucunement à considérer comme étant dans l'intérêt supérieur de l'enfant (voir mutatis mutandis, Kutzner c. Allemagne, no 46544/99, § 79, CEDH 2002-I ; et, mutatis mutandis, Bianchi c. Suisse, no 7548/04, § 99, 22 juin 2006).
35. Eu égard à ce qui précède et nonobstant la marge d'appréciation de l'Etat défendeur en la matière, la Cour conclut que les autorités ont omis de déployer de façon rapide les efforts adéquats et suffisants pour faire respecter le droit des deux pères au retour de leur enfant respectif, méconnaissant ainsi leur droit au respect de la vie familiale garanti par l'article 8.

Partant, il y a eu violation de cette disposition.

II. SUR L'APPLICATION DE L'ARTICLE 41 DE LA CONVENTION
36. Aux termes de l'article 41 de la Convention,
« Si la Cour déclare qu'il y a eu violation de la Convention ou de ses Protocoles, et si le droit interne de la Haute Partie contractante ne permet d'effacer qu'imparfaitement les conséquences de cette violation, la Cour accorde à la partie lésée, s'il y a lieu, une satisfaction équitable. »

A. Dommage

37. Les deux pères demandent la réparation des dommages patrimoniaux et moraux subis en raison des événements litigieux.
M. Leschiutta réclame 178 000 EUR environ pour dommages matériels, qui correspondraient, entre autre, aux pertes de salaire subies en raison des congés utilisés afin de suivre les différents procès, en Italie et en Belgique (48 275,64 EUR), plus une perte de 52 000 EUR due à la vente précipitée de sa maison à une valeur inférieure au prix du marché afin de couvrir les dépenses importantes entraînées par la situation litigieuse. Il demande également la réparation des dommages moraux, qu'il estime à 500 000 EUR pour lui, ainsi que 1 000 000 EUR pour son fils Andrea.
M. Fraccaro demande 47 000 EUR environ pour dommages matériels. Il demande également la réparation des dommages moraux, évalués à 500 000 EUR pour lui, plus 1 000 000 EUR pour son fils Elia.
38. Le Gouvernement estime que les sommes demandées au titre du dommage matériel sont excessives, dépourvues de justificatifs et, pour la plupart, sans lien de causalité avec la violation alléguée de la Convention. Quant au préjudice moral, le Gouvernement s'en remet à la sagesse de la Cour.
39. La Cour estime, en ce qui concerne le dommage matériel, que les requérants n'ont pas suffisamment justifié et ventilé les sommes demandées. Il convient, dès lors, de rejeter cette demande.
40. Sur la réparation des dommages moraux en faveur d'Andrea et Elia, la Cour considère que le constat de violation de la Convention constitue en soi une satisfaction équitable suffisante et ne leur alloue aucun montant à ce titre. En revanche, tenant compte des circonstances de l'espèce, notamment des retards dans la mise en œuvre de l'ordre de retour des enfants auprès de leurs pères, qui provoquèrent une rupture prolongée des relations entre les intéressés, la Cour est d'avis que les deux pères ont subi un préjudice moral considérable qui ne saurait être réparé par le simple constat de violation de l'article 8.
Statuant en équité, comme le veut l'article 41, elle alloue 20 000 EUR à chacun des deux pères.

B. Frais et dépens

41. Certains justificatifs à l'appui, MM. Leschiutta et Fraccaro demandent une somme d'environ 58 750 et 28 150 EUR EUR respectivement, au titre des frais et dépens. Ces sommes couvriraient les frais encourus devant les juridictions italiennes et belges, ainsi que ceux relatifs à la procédure à Strasbourg.
42. Le Gouvernement estime ces montants excessifs et s'en remet à la sagesse de la Cour.
43. Comme le Gouvernement, la Cour estime excessives les sommes revendiquées. Compte tenu des circonstances particulièrement délicates de la cause, ainsi que des vicissitudes communes aux deux affaires, qui ont été traitées par les mêmes avocats, elle juge raisonnable d'allouer à chacun des deux pères 15 000 EUR à ce titre.
C. Intérêts moratoires
44. La Cour juge approprié de calquer le taux des intérêts moratoires sur le taux d'intérêt de la facilité de prêt marginal de la Banque centrale européenne majoré de trois points de pourcentage.

PAR CES MOTIFS, LA COUR, À l'UNANIMITÉ,

1. Dit qu'il y a eu violation de l'article 8 de la Convention ;

2. Dit
a) que l'Etat défendeur doit verser à chacun des deux pères, MM. Carlo Leschiutta et Luigi Fraccaro, dans les trois mois à compter du jour où l'arrêt sera devenu définitif conformément à l'article 44 § 2 de la Convention, les sommes suivantes :
i. 20 000 EUR (vingt mille euros), plus tout montant pouvant être dû à titre d'impôt, pour dommage moral ;
ii. 15 000 EUR (quinze mille euros), plus tout montant pouvant être dû à titre d'impôt par eux, pour frais et dépens ;
b) qu'à compter de l'expiration dudit délai et jusqu'au versement, ces montants seront à majorer d'un intérêt simple à un taux égal à celui de la facilité de prêt marginal de la Banque centrale européenne applicable pendant cette période, augmenté de trois points de pourcentage ;

3. Rejette la demande de satisfaction équitable pour le surplus.
Fait en français, puis communiqué par écrit le 17 juillet 2008, en application de l'article 77 §§ 2 et 3 du règlement.

Sally Dollé Antonella Mularoni
Greffière Présidente

woensdag, april 02, 2008

75. Over de manipulatie van kennis en onderzoek door de (Nederlandse) overheid

Afgelopen maandagmiddag 31 maart 2008 gaven een tweetal vooraanstaande Britse professoren en wetenschappers in Londen een persconferentie waarin zij zware kritiek hebben geuit op de manipulatiezucht en bedrogpolitiek van de Britse overheid bij de aansturing van opdrachtonderzoek en -research. Zij vonden de situatie zo ernstig dat zij er een publicatie aan hebben gewijd en andere Britse wetenschappers opriepen tot een boycot van alle overheidsonderzoek voor de Britse overheid.

In Nederland is de situatie echter niet veel beter. Uit eigen ervaring weten wij inmiddels allemaal al lang hoe de overheid – vooral en juist ook de Nederlandse overheid - onderzoek en kennis op groteske wijze manipuleert en verdraait om de samenleving een vertekent beeld van de werkelijkheid voor te schotelen en politieke wensen door te drijven.

Ik geef een viertal Nederlandse voorbeelden van dit overheidsbedrog door manipulatie van kennis en onderzoek.

1. Huiselijk geweld is niet alleen een zaak van mannen tegen vrouwen, maar net zo goed een zaak van vrouwen tegen mannen :: Moeders meppen net zo vaak als vaders ::
Allereerst het absurde onderzoek naar huiselijk geweld onder auspiciën van de vader- en manvijandige Gerda Dijksman, landelijk projectleider huiselijk geweld. Terwijl er een boekenkast aan onafhankelijk empirisch onderzoek beschikbaar is die onomstotelijk vaststelt dat vrouwen in hun relaties even gewelddadig of zelf gewelddadiger zijn dan mannen, en alle politici daarvan ook op de hoogte gebracht zijn, koopt de Nederlandse overheid zich hier flauwekul onderzoek dat op aangeven en instructie van dezelfde overheid zegt dat alleen mannen dader van huiselijk geweld zijn en vrouwen daarvan het slachtoffer zijn, om zo politieke wensen door te drijven en beleid te maken.

2. De werkelijke cijfers over kindermishandeling :: Moeders mishandelen 2,5 keer vaker dan vaders
Dan ten tweede de cijfers over plegers van kindermishandeling :: Terwijl uit alle onderzoek en statistische cijfers blijkt dat vrouwen 2,5 keer vaker kinderen mishandelen dan mannen, en kinderen bovendien veruit het meest mishandeld worden in eenoudergezinnen, veruit in meerderheid moedergezinnen, worden sinds 2002 eerst deze kindermishandelingscijfers bewust uit de jaarrapportages van de Advies en Meldpunten Kindermishandeling (AMK) verwijderd, om vervolgens een gender racistisch beleid in te kunnen zetten waarbij niet het aanpakken van kindermishandeling centraal staat maar het aanpakken van het eerder al ‘gepostuleerde’ huiselijk geweld. Een beleid kortom dat zich uitsluitend richt op vaders en mannen met huisverboden, etc. etc. Inmiddels rijzen de kindermishandelingscijfers de pan uit (50% stijging in de afgelopen twee jaar), maar wie geeft daarom?
3. De gevolgen van eenouderschapspraktijken in het familierecht voor scheidingskinderen:
Ten derde de eenouderschapspraktijken en het op grote schaal vaderloos maken van Nederlandse scheidingskinderen in het familierecht :: Terwijl er een boekenkast aan onafhankelijk onderzoek beschikbaar is welke aangeeft dat kinderen na scheiding het meeste baat hebben bij de gedeelde en gelijkwaardige zorg door beide ouders verzint de overheid telkens weer een nieuwe draai, worden telkens weer nieuwe ‘vermeende’ deskundigen uit de kinderbeschermingsstal gehaald, om gender racistische eenouderschapspraktijken waarbij de kinderen worden buitengesloten van hun vaders te handhaven of door te drijven. Denk aan de aperte onzin van ‘kinderbeschermingsdeskundige’ mv Groenhuijsen over co-ouderschap in haar artikelen in Trouw en andere bladen.

Zie verder voor de werkelijke gevolgen van de eenouderschapspraktijken uit het falende familierecht voor vaderloos gemaakte scheidingskinderen, hun ouders en de samenleving de volgende artikelen:
4. De werkelijke cijfers inzake Internationale Kinderontvoering: Westerse moeders zijn de Internationale Kinderontvoerders en niet Arabische vaders
En ten vierde de beeldvorming rond internationale kinderontvoering :: Terwijl de Nederlandse overheid uit de eigen cijfers weet dat tweederde van het aantal internationale kinderontvoeringen door Westerse moeders wordt bedreven doet de overheid daar niets aan, maar besteedt alleen en volstrekt buiten proportie aandacht aan de aanpak van en berichtgeving over de enkele gevallen van kinderontvoering door een Arabische vader naar een Arabisch land. Een beter voorbeeld van de Gender Apartheid die door de Nederlandse overheid structureel bedreven wordt is eigenlijk niet denkbaar.

Onderzoeksmanipulatie en beleidsbedrog van de overheid:
Maar het gaat veel verder. Via de verdeling van onderzoeksgelden en de aansturing van onderzoek in begeleidingsconstructies koopt de Nederlandse overheid zich structureel overal als een rondshoppende borderliner alleen dat onderzoek en die conclusies die haar welgevallig zijn, in haar kraam te pas komen en haar beleidsvoornemens ondersteunen. Dat wordt ook goed zichtbaar zodra er wel werkelijk onafhankelijk en kritisch onderzoek plaats vindt - zoals in het enkele geval van het onderzoek door de Veiligheidsraad van Mr. Pieter van Vollenhoven naar de Schipholbrand. Dan blijkt hoe het er werkelijk aan toe gaat, wanneer Minister Donner eist dat Mr. Van Vollenhoven dat hij zijn conclusies aan zijn wensen aanpast. En wanneer Mr van Vollenhoven dat weigert blijkt de Haagse stolp te klein en vallen er klappen.

Maar nu terug naar de beide Britse onderzoekers en professoren waarmee ik begon en hun aanklacht tegen de Britse overheid van onderzoeksmanipulatie en bedrogpolitiek. Lees daar alles over op de onderstaande drie links:
Peter Tromp
Vaderkenniscentrum van Stichting Kind enOmgangsrecht

donderdag, november 15, 2007

43. Telegraaf over oordeel Gerechtshof Den Haag :: "Kinderen horen bij hun moeder! Beau niet naar haar vader in Australië"



Uitspraak Gerechtshof Den Haag in hoger beroep in Australische kinderontvoeringszaak


Kinderen horen bij hun moeder! Beau niet naar haar vader in Australië


Telegraaf – Vrouw - Actueel | Reageer do 15 nov 2007, 12:31 | 4 reacties

AMSTERDAM - De rechter beslist bijna altijd in het voordeel van de moeder. Zo nu ook weer bij Beau. Is dit niet een beetje onterecht? Of is een kind gewoon het beste af bij de moeder? En zorgen moeders veel beter voor hun kroost.

De 8 jarige Beau mag van de rechter bij haar moeder in Nederland blijven. Haar vader die in Australië woont had de voogdij opgeëist. Tevergeefs dus.

Meer rechten

De rechters geven de voogdij bijna altijd aan de moeder. Heeft een moeder door die negen maanden meer rechten? Of geeft een moeder gewoon meer om haar kind? Juist door deze speciale band? En weten alleen moeders precies wat hun kroost nodig heeft?

Praat mee via onderstaande reageerbutton.


Gerelateerde artikelen


Uitspraak Gerechtshof Den Haag in hoger beroep in Australische kinderontvoeringszaak

Bron: Gerechtshof ’s-Gravenhage - Datum actualiteit: 14 november 2007

LJ Nummer BB7840

Den Haag, 14 november 2007 - Het Gerechtshof ‘s-Gravenhage heeft vandaag de beschikking van de rechtbank Middelburg vernietigd waarin was bepaald dat de minderjarige B. teruggebracht moest worden naar de vader in Australië. (LJN: BB5909)

Het hof is er van uitgegaan dat de schriftelijke toestemming van mei 2005 van de vader aan de moeder om met het kind naar Nederland te vertrekken nog rechtskracht heeft. Het hof komt tot dat oordeel op grond van de uitleg van het Australische recht. De moeder is dus niet met het kind ‘ongeoorloofd’ - in de zin van het Haags Kinderontvoeringsverdrag - naar Nederland vertrokken. Het hof heeft het verzoek van de Nederlandse Centrale Autoriteit om de teruggeleiding van het kind naar Australië te bevelen daarom afgewezen.

De Centrale Autoriteit treedt op namens de Nederlandse staat en de ouder van wie het kind zou zijn ontvoerd en is op grond van het verdrag verplicht om voor de onmiddellijke terugkeer van het kind zorg te dragen.

Tegen de uitspraak van het hof kan binnen vier weken beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad.


Uitspraak in hoger beroep in Australische kinderontvoeringszaak

LJN: BB7840, Gerechtshof 's-Gravenhage , 1483-M-07

Datum uitspraak: 14-11-2007
Datum publicatie: 14-11-2007
Rechtsgebied: Personen-en familierecht
Soort procedure: Hoger beroep

Inhoudsindicatie:

Teruggeleiding minderjarige naar plaats gewone verblijf in Australie dan wel de afgifte aan de vader. Het hof oordeelt dat de aangezochte rechter - op grond van het vertrouwensbeginsel - niet zonder meer gebonden is aan de uitleg van het buitenlandse recht in een ingevolge artikel 15 van het Haags Kinderontvoeringsverdrag ( HKOV ) afgegeven verklaring dan wel dat hij zonder meer daar op moet afgaan: de aangezochte rechter moet zelfstandig beslissen of met inachtneming van het buitenlands recht is voldaan aan de voorwaarden om het verzoek tot teruggeleiding tot te wijzen. In dit geval heeft de vader met de rechterlijke bekrachtigde Parenting Order toestemming gegeven de verblijfplaats van de minderjarige te wijzigen en daarmee in zoverre afstand gedaan van de uitoefening van zijn gezagsrecht als bedoeld in artikel 5 HKOV. Beslissing:afwijzing van het verzoek tot onmiddellijke teruggeleiding.


Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 14 november 2007

Rekestnummer. : 1483-M-07

Rekestnr. rechtbank : JE RK 07-1103

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in hoger beroep,

hierna te noemen de moeder,

procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

tegen

de Directie Justitieel Jeugdbeleid,

Afdeling Juridische en Internationale Zaken van het Ministerie van Justitie,

handelend in haar hoedanigheid van Centrale Autoriteit,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de Centrale Autoriteit,

zowel voor zichzelf als mede namens:

[vader],

wonende te Brisbane, Australië,

hierna te noemen: de vader,

gemachtigde: mr. A.M.E. Guiliano.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de raad voor de kinderbescherming,

vestiging Middelburg,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 18 oktober 2007 in hoger beroep gekomen van een beschik¬king van de rechtbank te Middelburg van 5 oktober 2007.

De Centrale Autoriteit heeft geen verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de Centrale Autoriteit heeft het hof op voorhand een pleitnota, ingekomen per fax op 30 oktober 2007, doen toekomen.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 29 oktober 2007 aanvullende stukken ingekomen.

De raad heeft het hof bij brief van 25 oktober 2007 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 31 oktober 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. J.A.M. Schoenmakers, en namens de Centrale Autoriteit, mr. A.M.E. Giuliano, vergezeld door mr. M.P. Verveer. De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, mr. Schoenmakers en mr. Giuliano onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities. [De minderjarige] is in raadkamer gehoord.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN DE VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank gelast dat de hierna te noemen minderjarige uiterlijk binnen twee maanden na de datum van de beschikking door de moeder wordt teruggebracht naar de plaats van haar gewone verblijf in Australië. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de hierna te noemen minderjarige aan de vader wordt afgegeven indien de moeder nalatig blijft aan het bevel te voldoen en is het meer of anders verzochte afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. In hoger beroep wordt uitgegaan van het navolgende:

De moeder heeft de Nederlandse nationaliteit, de vader de Australische. Partijen hebben elkaar in Nederland leren kennen; [in] 1999 is in Nederland [de minderjarige] geboren. Partijen zijn medio 2000 naar Australië vertrokken om daar te wonen en te werken; in 2001 zijn zij in het huwelijk getreden. In april 2005 zijn partijen uit elkaar gegaan; [de minderjarige] is onder de dagelijks zorg van de moeder gebleven.

Partijen hebben op 19 mei 2005 een ‘Consent Order’ ondertekend, waarin onder meer - voor zover hier van belang – partijen een ‘Parenting Order’ zijn overeengekomen inhoudende:

“(..)

CHILDREN’S ORDERS

(..)

7. If at any stage the mother wishes to relocate with the child, including to a location outside of Australia (with it being specifically noted that the mother and child were both born in The Netherlands and the mother may wish to return with the child to the Netherlands) then the father will unconditionally sign all documents and do all such acts and things to facilitate:

(a) the child’s obtaining a passport and travel/entry documents as may be required to facilitate the lawful movements of the mother and/or the child;

(b) the child’s exit from Australia and entry into the Netherlands (or such other country as the mother may from time to time-require), together with her re-entry and exist on multiple occasions to and from whatever countries the mother and child reside; and

(c) the child’s continuing residence in such other country as the mother may direct from time to time.

NOTATIONS

(..)

F. The parties acknowledge that the frequency and duration of contact will necessarily change if the mother and child relocate outside of Australia. If she were to do so the father acknowledges that his contact of necessity would occur either during school holidays or on such other occasions which would require him to travel to the child’s country of then residence.”

Op 2 juni 2005 is de ‘Parenting Order’ door de rechter in de ‘Family Court of Australia’ te Brisbane onder nummer 1537/05 bekrachtigd.

Op 18 november 2006 krijgt de Divorce order van 17 oktober 2006 van de ”Federal Magistrates Court of Australia” zijn gelding blijkens een daartoe door dit gerecht afgegeven “Certificate of Divorce”.

Op 9 maart 2007 heeft de vader een “Application” formulier ‘seeking orders Family Law Act1975/Children/Property’ ingevuld en ingediend bij de Federal Magistrates Court of Australia, blijkens een daarop gesteld stempel binnengekomen op 14 maart 2007 bij de “Brisbane Registry”; aan het gerecht wordt verzocht om “Parenting Orders” en “Property Orders”. Nadien heeft de vader zijn verzoek nog aangevuld in die zin dat hij verzoekt de eerder afgegeven parenting order van 2 juni 2005 terzijde te doen stellen.

Op 11 april 2007 heeft een Child Dispute Conference plaatsgevonden.

Een zitting (“hearing date”) is bepaald op 20 april 2007.

Op 12 april 2007 is de moeder met [de minderjarige] naar Nederland vertrokken.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. Ter beoordeling van het hof staat de teruggeleiding van [de minderjarige] naar de plaats van haar gewone verblijf in Australië, dan wel de afgifte aan de vader.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog de Centrale Autoriteit en de vader niet-ontvankelijk te verklaren, althans het verzoek van de Centrale Autoriteit en de vader af te wijzen.

3. De Centrale Autoriteit bestrijdt haar beroep en verzoekt het hof de bestreden beschikking, eventueel onder aanvulling of verbetering van gronden, te bekrachtigen. De Centrale Autoriteit verwijst daarvoor mede naar de door haar overgelegde verklaring van 12 juni 2007 van de Australische Centrale Autoriteit, de zogenaamde ‘Article 15 declaration’.

4. De moeder heeft tegen de bestreden beschikking zeventien grieven gericht.

Ontvankelijkheid

5. De moeder stelt in de vierde grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen: “de kinderrechter stelt vast dat, in het licht van hetgeen het Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, hierna het HKOV, eist, voldoende is getracht overeenstemming tussen partijen te bereiken in deze kwestie”. De moeder staat open voor overleg met de vader en stelt dat er schending is van artikel 7 van het HKOV, nu op geen enkele wijze de mogelijkheid van een schikking is onderzocht. De Centrale Autoriteit meent dat zij haar verplichtingen ex artikel 7 van het HKOV is nagekomen.

6. Het hof is van oordeel dat het verweer van de moeder niet slaagt en overweegt daartoe als volgt . Uit de stukken is naar voren gekomen dat de Centrale Autoriteit de moeder op 14 juni 2007 heeft aangeschreven en heeft aangegeven, behulpzaam te kunnen zijn bij het bereiken van een minnelijke regeling. De moeder heeft niet aangegeven daarop te willen ingaan. Eerst bij brief van 8 augustus 2007 van de advocaat van de moeder wordt aangegeven dat de moeder zou openstaan voor bemiddeling. In dat stadium wenste de vader daaraan niet meer mee te werken, omdat hij het teruggeleidingsverzoek met spoed wilde voorleggen aan de rechter. Het hof is dan ook van oordeel dat de Centrale Autoriteit zich voldoende heeft ingespannen om te trachten partijen tot overeenstemming te brengen. De omstandigheid dat dit niet is gelukt, doet daaraan niet af.

Toepasselijk recht

7. In de derde grief bestrijdt de moeder de vaststelling van de rechtbank in de bestreden beschikking, dat Australisch recht van toepassing is. Ingevolge het bepaalde in artikel 3 lid 1 onder a van het HKOV wordt het gezagsrecht beoordeeld naar het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk vóór de overbrenging zijn gewone verblijfsplaats had. De moeder betoogt dat na het treffen van de regeling tussen partijen, bevestigd door de “Family Court”op 2 juni 2005, Australië niet langer de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] was, doch Nederland.

8. Het hof stelt voorop dat het begrip “gewone verblijfplaats” een feitelijk begrip is waaraan inhoud wordt gegeven door de omstandigheden en feiten van het concrete geval. In dit geval betreft het een in 1999 in Nederland geboren minderjarige die in 2000 met haar ouders naar Australië vertrekt en daar tot april 2007, het moment van overbrenging naar Nederland, heeft gewoond. Op grond daarvan is het hof van oordeel dat de gewone verblijfplaats vóór de overbrenging Australië is. Het feit dat bij de moeder al langere tijd de intentie heeft bestaan om naar Nederland te vertrekken met [de minderjarige] maakt het niet anders, nu aan die intentie eerst in april 2007 uitvoering is gegeven. Het vorenstaande brengt het hof tot het oordeel dat het gezagsrecht in beginsel dient te worden beoordeeld naar Australisch recht.

Gezag

9. In de zevende grief bestrijdt de moeder dat te dezen sprake is van ouders die gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben over [de minderjarige].

10. Het hof overweegt dat, nu de moeder niet heeft aangegeven op grond van welke wettelijke bepaling dan wel rechterlijke en/of administratieve beslissing er sprake zou zijn van een afwijking van het wettelijke stelsel van gezamenlijk gezag op grond van de Family Law Act 1975 zoals toegelicht in de “Article 15 declaration” van de Australian Government van 12 juni 2007, in de onderhavige zaak ervan wordt uitgegaan dat de ouders gezamenlijk het gezag zoals bedoeld in artikel 3 jº 5 van het HKOV hebben over [de minderjarige].

Beoordeling van het verzoek

11. De vijfde, zesde, tiende en twaalfde grief lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

De vraag die aan het hof voor ligt is of de moeder [de minderjarige] ‘ongeoorloofd’ in de zin van artikel 3 van het HKOV naar Nederland heeft overgebracht en niet doen terugkeren.

12. Het hof stelt voorop dat ten einde vast te stellen of er sprake is van een ongeoorloofde overbrenging in de zin van artikel 3 van het HKOV, artikel 14 van het HKOV – voor zover hier van belang en verkort weergegeven – bepaalt dat de rechterlijke autoriteit van de aangezochte Staat rechtstreeks rekening kan houden met het recht van de Staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft en met de aldaar al dan niet formeel erkende rechterlijke beslissingen.

13. De “Explanatory Report“ bij het HKOV houdt - voor zover hier van belang - in:

“Article 14 – Relaxation of the requirements of proof of foreign law

Since the wrongful nature of a child’s removal is made to depend, in terms of the Convention, on its having occurred as the result of a breach of the actual exercise of custody rights conferred by the law of the child’s habitual residence, it is clear that the authorities of the requested State will have to take this law into consideration when deciding whether the child should be returned. In this sense, the provision (..) that the authorities ‘shall have regard to the law of the child’s habitual residence, could be regarded as superfluous. However, such a provision would on the one hand underline the fact that there is no question of applying that law, but merely of using it as a means of evaluating the conduct of the parties, while on the other hand, in so far it applied to decisions which could underlie the custody rights that had been breached, it would make the Convention appear to be a sort of lex specialis, according to which those decisions would receive effect indirectly in the requested Sate, an effect which would not be made conditional on the obtaining of an exequatur or any other method of recognition of foreign judgments.

Since the first aspect of article 14 necessarily derives from other provisions of the Convention, the actual purport of article 14 is concerned only with the second. The article therefore appears as an optional provision for proving the law of the child’s residence and according to which the authority concerned ‘may take notice directly of the law of, and of judicial or administrative decisions, formally recognized or not in the State of habitual residence of the child, without recourse to the specific procedures for the proof of that law or for the recognition of foreign decisions which would otherwise be applicable’. There is no need to stress the practical importance this rule may have in leading to the speedy decisions which are fundamental to the working of the Convention.”

14. Het hof leidt uit artikel 14 van het HKOV en de daarop gegeven toelichting af, dat het niet gehouden is, om de inhoud van het recht van de staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft in een specifieke procedure te doen vaststellen.

Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel, dat de aangezochte rechter - op grond van het vertrouwensbeginsel – niet zonder meer is gebonden aan de uitleg van het buitenlandse recht in een ingevolge artikel 15 van het HKOV afgegeven verklaring, dan wel dat hij daar zonder meer op af zou moeten gaan, maar dient de aangezochte rechter zelfstandig te beslissen of met inachtneming van dat buitenlandse recht is voldaan aan de voorwaarden om het verzoek tot teruggeleiding toe te wijzen.

15. Het hof is van oordeel dat de vader met de rechterlijk bekrachtigde ‘Parenting Order’ zoals hiervoor weergegeven, ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk aan de moeder toestemming heeft gegeven om de gewone verblijf/woonplaats van [de minderjarige] te wijzigen. Hij heeft daarmee in zoverre afstand gedaan van de uitoefening van zijn gezagsrecht zoals bedoeld in artikel 5 van het HKOV, te weten het recht om over de verblijfplaats van het kind te beslissen.

16. Daarenboven is in de weergeven ‘Notations’ door de vader tot uitdrukking gebracht dat hij zich heeft gerealiseerd dat wijziging van de verblijfplaats van [de minderjarige] buiten Australië voor hem consequenties heeft in de uitoefening van zijn omgangsrecht en dat hij die consequenties heeft aanvaard.

17. Het hof is van oordeel dat daarmee is voorzien in het bepaalde in artikel 65Y, subsection 2 en onder a, van de Family Law Act 1975 namelijk dat, indien een parenting order van kracht is, een persoon die daarbij partij was, het kind niet buiten Australië mag meenemen tenzij met schriftelijke toestemming van de partijen ten behoeve van wie de parenting order was gemaakt.

18. Voor zover in de “Article 15 declaration” van de Australian Government van 12 juni 2007 is betoogd - en door de Centrale Autoriteit ter zitting in hoger beroep is bepleit - dat te dezen artikel 65Z Family Law Act 1975 – handelende over het máken van een parenting order - van toepassing zou zijn, gaat het hof daaraan voorbij nu uit genoemd wetsartikel niet blijkt dat de rechtskracht van de tussen partijen vaststaande parenting order van 2 juni 2005 is opgehouden te bestaan, althans is komen te vervallen, op de enkele grond dat de vader in maart 2007 bij de ‘Family Court of Australia’ te Brisbane kennelijk een verzoek heeft ingediend ‘seeking parenting/property orders’. Bovendien blijkt uit de tekst van artikel 65 Z niet, dat de toestemming door een partij eerst na het instellen van een nieuwe procedure zou moeten worden verleend. Deze voorwaarde wordt blijkens artikel 65Z wel aan een rechterlijke toestemming verbonden, doch niet aan een door een partij te geven toestemming. Overigens heeft de Centrale Autoriteit niet kunnen aangeven op grond van welke wettelijke bepaling artikel 65Z van de Family Law Act 1975 in de onderhavige situatie (dwingend) van toepassing moet worden geacht, en evenmin valt dit te lezen in de “Article 15 Declaration”.

Naar het oordeel van het hof voorziet artikel 65 X, tweede lid, Family Law Act 1975 daarin niet, omdat te dezen niet sprake is van de situatie weergegeven in artikel 65 X als: “if an appeal against a decision of a court in proceedings has been instituted and is pending”, maar van een – bijna twee jaren nadien – ingediend verzoek tot het ter zijde stellen van een eerdere “parenting order”.

Het hof verwerpt hiermee ook de stelling van de Centrale Autoriteit, dat de moeder op het moment van overbrenging niet langer gerechtigd zou zijn om zonder voorafgaande instemming van de Australische rechter de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] te wijzigen en dat aan de Australische rechter een (gedeeltelijk) gezagsrecht zou zijn overgedragen. Nog daargelaten of een zodanig overgedragen gezagsrecht een gezagsrecht is in de zin van artikel 5 van het HKOV, uit artikel 65Y blijkt - en overigens ook uit artikel 65Z - dat een toestemming van partijen volstaat.

19. Uit bovenstaande overwegingen volgt dat naar het oordeel van het hof geen sprake is van schending van artikel 3 jº 5 van het HKOV in de zin dat de moeder [de minderjarige] ongeoorloofd heeft overgebracht naar Nederland en aldaar heeft achtergehouden zodat het verzoek tot onmiddellijke teruggeleiding van [de minderjarige] naar Australië wordt afgewezen.

20. In het licht hiervan behoeven de overige grieven van de moeder geen bespreking meer.

21. Gelet op het bovenstaande dient de bestreden beschikking te worden vernietigd en als na te melden te worden beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

  • vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:
  • wijst het inleidende verzoek van de Centrale Autoriteit af;
  • wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Pannekoek-Dubois en Mos-Verstraten, bijgestaan door mr. Steenks als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 november 2007.


De beroepsgegevens van de oordelende rechters:

http://namenlijst.rechtspraak.nl/ (stand opgenomen op 15 november 2007)

  • Mevrouw mr. E.A. Mink: Rechter Rechtbank ’s-Gravenhage sinds 2005-09-01 (Nevenbetrekking: Lid Kerkenraad PKN in Den Haag – Oost van 2001-09-01 tot 2006-09-17)
  • Mevrouw mr. C.M. Pannekoek-Dubois: Raadsheer aan het Gerechtshof ’s-Gravenhage sinds 2000-01-01 (Nevenbetrekkingen: (a) Lid van de Commissie Bezwaar van de Raad voor Rechtsbijstand in Den Haag sinds 2003-09-03; (b) Plaatsvervangend lid van het Hof van Discipline sinds 2001-07-23: (c) Voorzitter klachtencommissie Vereniging van Familierecht Advocaten en –Scheidingsbemiddelaars sinds 2001-01-01
  • Mevrouw mr. A.E. Mos-Verstraten: Raadsheer aan het Gerechtshof 's-Gravenhage sinds 2001-09-01 (Nevenbetrekking: Lid Selectiecommissie RM sinds 2001-02-01)

Van rechtswege zijn de (plv-)leden RM van de rechtbank aangesteld als rechter-plaatsvervanger in de overige rechtbanken.

Van rechtswege zijn de (plv-)leden RM van het gerechtshof aangesteld als raadsheer-plaatsvervanger in de overige gerechtshoven.



Artikelen in de media:


Beau hoeft niet naar Australië.
Opluchting en vreugde na uitspraak gerechtshof in zaak Beau

Provinciale Zeeuwse Courant – Donderdag 15 november 2007

YERSEKE - De 8-jarige Beau uit Yerseke hoeft niet terug niet Australië. Dat heeft het gerechtshof in Den Haag gisteren bepaald. ...In Yerseke heerste gisteren grote opluchting toen duidelijk werd dat Beau niet terug hoeft naar Australië. ...

Beau (8) mag in Nederland blijven Algemeen Dagblad
„Dit wens ik andere ouders niet toe” Reformatorisch Dagblad
Provinciale Zeeuwse Courant

Kinderen horen bij hun moeder!
De Telegraaf - 2 uur geleden
Zo nu ook weer bij Beau. Is dit niet een beetje onterecht? Of is een kind gewoon het beste af bij de moeder? En zorgen moeders veel beter voor hun kroost. ...

„Dit wens ik andere ouders niet toe”
Reformatorisch Dagblad - 15 nov 2007
YERSEKE - De 8-jarige Beau Boone uit Yerseke hoeft niet terug naar haar vader in Australië. Het gerechtshof in Den Haag bepaalde woensdag dat het meisje in ...

Beau blijft, plan B en C in de kast
BN/De Stem - 15 nov 2007
Donderdag 15 november 2007 - YERSEKE - In Yerseke heerste gisteren grote opluchting toen duidelijk werd dat Beau niet terug hoeft naar Australië. ...

Opluchting en vreugde na uitspraak gerechtshof in zaak Beau
Provinciale Zeeuwse Courant - 15 nov 2007
Donderdag 15 november 2007 - YERSEKE - In Yerseke heerste gisteren grote opluchting toen duidelijk werd dat Beau niet terug hoeft naar Australië. ...

Beau hoeft niet naar Australië.
Provinciale Zeeuwse Courant - 15 nov 2007
Donderdag 15 november 2007 - YERSEKE - De 8-jarige Beau uit Yerseke hoeft niet terug niet Australië. Dat heeft het gerechtshof in Den Haag gisteren bepaald. ...

Beau (8) mag in Nederland blijven
Algemeen Dagblad - 15 nov 2007
DEN HAAG/BREDA - Het 8-jarige Nederlands-Australische meisje Beau Ballin mag bij haar moeder in Nederland blijven en hoeft niet terug naar haar vader in ...

Was dit ons laatste weekend samen?
Provinciale Zeeuwse Courant - 13 nov 2007
Dinsdag 13 november 2007 - BREDA/YERSEKE - De gedachte is afgelopen zaterdag en zondag honderden malen door haar hoofd geschoten. ...

'Was dit ons laatste weekend samen?'
BN/De Stem - 12 nov 2007
Dinsdag 13 november 2007 - BREDA/YERSEKE - De gedachte is afgelopen zaterdag en zondag honderden malen door haar hoofd geschoten. ...

'Als dit kind weg moet, is er geen hoop meer'
BN/De Stem - 12 nov 2007
Dinsdag 13 november 2007 - Nog één dag en Margo Boone uit Yerseke weet of haar dochter Beau (8) van de Hoge Raad weg moet uit Nederland. ...

'Als dit kind weg moet, is er geen hoop meer'
Provinciale Zeeuwse Courant - 12 nov 2007
Dinsdag 13 november 2007 - Spanning bij moeders over uitzetting kind naar ex in buitenland.Margo Boone en haar dochter kunnen nu alleen nog wachten. ...

Op de bres voor Beau
De Telegraaf - 1 nov 2007
AMSTERDAM - Moeder Margot Boone heeft zwart op wit toestemming van haar ex-echtgenoot dat ze hun 8-jarige dochtertje Beau vanuit Australië mocht meenemen ...

Wat U Zegt
De Telegraaf - 1 nov 2007
Beau moet terug naar haar vader in Australië. Noa, Cloe en vele andere Nederlandse kinderen gingen haar voor. Deze kinderen worden in het land van de vader ...

Kwestie-Beau nog geen verloren zaak
Provinciale Zeeuwse Courant - 31 okt 2007
Donderdag 1 november 2007 - YERSEKE - Advocaat J. Schoenmakers ziet de uitspraak van het gerechtshof in Den Haag in de kwestie-Beau met vertrouwen tegemoet. ...

Raad maakt zich sterk voor Beau
Provinciale Zeeuwse Courant - 26 okt 2007
Zaterdag 27 oktober 2007 - YERSEKE - De voltallige Reimerswaalse gemeenteraad wil voorkomen dat het achtjarige meisje Beau uit Yerseke wordt gescheiden van ...

Yersekse moeder voert verbeten strijd om dochter
BN/De Stem - 18 okt 2007
Hoewel ze alle benodigde voogdijpapieren in handen heeft, bepaalde de kinderrechter in Middelburg onlangs toch dat haar 8-jarige dochter Beau binnen twee ...

'Ik ben geen kinderontvoerder'
Provinciale Zeeuwse Courant - 17 okt 2007
Hoewel ze alle benodigde voogdijpapieren in handen heeft, bepaalde de kinderrechter in Middelburg onlangs toch dat haar 8-jarige dochter Beau binnen twee ...

Haags hofbepaalt lot Beau (8)
Algemeen Dagblad - 16 okt 2007
BREDA/HILVERSUM - Het lot van de 8-jarige Beau ligt in handen van het gerechtshof in Den Haag. Dat beslist in november of dit Nederlands-Australische meisje ...