Posts tonen met het label Jongens in het onderwijs. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jongens in het onderwijs. Alle posts tonen

zondag, februari 27, 2011

732a. Jongenscrisis in het onderwijs (ROA-rapport, januari 2011) - Gefeminiseerde overleg- en praathuiscultuur in 'Studiehuis' van voortgezet onderwijs gaat ten koste van onderwijsprestaties van jongens

Gerelateerd artikel:

Falende jongens
Bron: VPRO Buitenhof, zondag 27 februari 2011

Get
Microsoft Silverlight Bekijk de video in andere formaten.

De jongens haken af
Het aantal jongens op het vwo daalt en de prestaties van jongens op havo en vwo nemen ook af: jongens blijven vaker zitten dan meisjes en ze halen ook minder vaak hun diploma. Dit blijkt uit onderzoek van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt. Door de invoering van de Tweede Fase kwam er minder nadruk te liggen op rekenen en analytische vaardigheden, en meer op zelfstandig leren. Die veranderingen blijken voordelig voor meisjes en nadelig voor jongens. Grote vraag is dus: hoe kan het onderwijs worden aangepast zodat jongens weer beter presteren zonder de meisjes te benadelen. Daarover een debat met Saskia Grotenhuis (Openbare Schoolgemeenschap Bijlmer Amsterdam) en Martin van den Berg (Christiaan Huygens College Eindhoven).



Martin van den Berg

Saskia Grotenhuis

Video
Links

Meisjes profiteren meer van Tweede Fase dan jongens
Bron: Universiteit van Maastricht - 22 februari 2011
Meisjes profiteren meer dan jongens van de onderwijsvernieuwingen van de afgelopen vijftien jaar, waaronder de invoering van de tweede fase. De beoogde doelstelling, namelijk een betere aansluiting van middelbaar naar voortgezet onderwijs, is volgens gediplomeerden van het voortgezet onderwijs zeker gerealiseerd. Maar omdat de nadruk tegenwoordig sterker ligt op vaardigheden waarin meisjes beter zijn dan jongens, profiteren zij relatief meer van de verbeterde aansluiting. Dat concludeert het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) van de Universiteit Maastricht, in het rapport ‘Schoolsucces van jongens en meisjes in het HAVO en VWO: waarom meisjes het beter doen’, dat vandaag gepresenteerd wordt.

Sinds halverwege de jaren negentig zijn er meer meisjes dan jongens in het VWO. In de afgelopen tien jaar is het verschil bovendien behoorlijk toegenomen (van 14.700 jongens en 17.000 meisjes in 1998 tot 19.000 tegenover ruim 22.500 meisjes in 2008) en ook in het HAVO rukken de meisjes op ten opzichte van de jongens. Dit ROA-rapport onderzoekt welke rol de recente onderwijsvernieuwingen hierin hebben gespeeld, en of het effect van de onderwijsvernieuwingen verschilt voor jongens en meisjes. Deze laatste vraag wordt hiermee voor het eerst beantwoordt.

En het antwoord is: ja. Door de invoering van de tweede fase (in 1998) zijn vaardigheden die meisjes beter liggen belangrijker geworden. Denk aan zelfstandig of in groepsverband leren, zelfstandig informatie verzamelen en taken zelf plannen; vaardigheden die in actieve leeromgevingen belangrijk zijn. Zodoende zijn meisjes dubbel bevoordeeld. Op de eerste plaats wordt er van hen gevraagd om op een manier onderwijs te volgen waar zij geschikter voor zijn dan jongens en worden vaardigheden belangrijker die zij ook menen sterker te ontwikkelen. Ten tweede worden zij ook beoordeeld op deze vaardigheden waardoor ze eerder afhaken, terwijl de vaardigheden waarop ze zich minder inschatten (rekenvaardigheden, analytische vaardigheden) relatief minder belangrijk worden. “De balans wat betreft beoordelingscriteria lijkt daarom door te slaan in het voordeel van meisjes”, aldus senioronderzoeker Christoph Meng van het ROA.

Ook wat betreft de oorzaken van het teruggelopen aandeel jongens ten opzichte van het aandeel meisjes dat een VWO-diploma haalt, speelt de tweede fase een negatieve rol. De doorstroom van 5 HAVO naar 5 VWO is tijdens en vlak na de invoering van de tweede fase ernstig bemoeilijkt, vanwege de discrepantie tussen de uitstroom uit HAVO oude stijl en de instroomvoorwaarden in VWO nieuwe stijl. In 1998 ging nog 13% van de jongens en 7,5% van de meisjes onder de HAVO-gediplomeerden vanuit de HAVO naar het VWO. Vanaf het moment dat de tweede fase werd ingevoerd nam dit aandeel sterk af en bleef sindsdien veel lager: rond de 4 à 5% van de jongens en 3 à 4% van de meisjes gaat nog via de HAVO naar het VWO. Nadien heeft zich dat niet meer hersteld, mede omdat de alternatieve route van HAVO via een HBO-propedeuse naar een WO-opleiding aantrekkelijker is geworden.

Al met al hebben de onderwijsvernieuwingen volgens de gediplomeerden van het voortgezet onderwijs wel de beoogde doelstelling bereikt, namelijk een betere aansluiting met het hoger onderwijs. De onderzoekers suggereren als mogelijke verbetering voor de positie van jongens meer aandacht te besteden aan de voor de tweede fase belangrijke vaardigheden in de onderbouw. Een andere mogelijkheid is het beter balanceren van de criteria waarop leerlingen in de tweede fase worden beoordeeld en vaardigheden waarop jongens wat sterker zijn zwaarder te laten meewegen, om zo jongens en meisjes weer meer op een gelijkwaardige manier te beoordelen.
  • Download hier het volledige rapport Universiteit van Maastricht over de achterstand van jongens in het onderwijs a.g.v. het zgn. 'Studiehuis' (de feministische 'praat- en overlegonderwijs'-constructie in het voortgezet onderwijs die ten koste gaat van het onderwijsniveau en de onderwijsprestaties)
Conclusies onderzoeksrapport ROA-Maastricht:
Bron: 'Schoolsucces van jongens en meisjes in het HAVO en VWO: waarom meisjes het beter doen', Hoofdstuk 6, Johan Coenen, Chistoph Meng, Rolf van der Velden, Maastricht University, Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA), ROA-R-2011/2, januari 2011

Zowel in het HAVO als in het VWO zijn er in de afgelopen 10 jaar meer leerlingen gekomen. In het HAVO bedroeg de toename 19%, in het VWO 17%. In het VWO is de toename van leerlingen bij de meisjes echter sterker, met als gevolg dat de verhouding tussen jongens en meisjes in het VWO steeds ongelijker is geworden. In het HAVO was het aandeel jongens in 1998 met minder dan 45% erg laag, maar in de afgelopen 10 jaar is dit aandeel gestegen tot ruim 47%. In het VWO was het aandeel jongens in 1998 nog bijna 49%, in 2008 is dit aandeel teruggelopen tot ongeveer 46%. Er heeft zich dus een verschuiving van jongens van VWO naar HAVO voltrokken. Zowel in het HAVO als in het VWO is de verhouding tussen jongens en meisjes lager dan op basis van de populatie in Nederland is te verwachten (51% jongens tegenover 49% meisjes).

Een van de oorzaken van het teruggelopen aantal jongens dat een VWO-diploma behaalt, is het feit dat de doorstroom van 5 HAVO naar 5 VWO ernstig bemoeilijkt is tijdens en vlak na de invoering van de tweede fase, vanwege de discrepantie tussen de uitstroom uit HAVO oude stijl en de instroomvoorwaarden in VWO nieuwe stijl. In 1998 ging nog 13% van de jongens en 7,5% van de meisjes onder de HAVO-gediplomeerden vanuit de HAVO naar het VWO. Vanaf het moment dat de tweede fase werd ingevoerd nam dit aandeel sterk af en bleef sindsdien veel lager: rond de 4 à 5% van de jongens en 3 à 4% van de meisjes gaat nog via de HAVO naar het VWO. Nadien heeft zich dat niet meer hersteld, mede omdat de alternatieve route van HAVO via een HBO-propedeuse naar een WO-opleiding aantrekkelijker is geworden.

Wat betreft de vaardigheden die gediplomeerden bezitten zijn er grote verschillen tussen jongens en meisjes. Van de 11 vaardigheden die we onder de loep hebben genomen, blijken meisjes het beter te doen in 8 van deze vaardigheden, waaronder de 6 vaardigheden die belangrijker zijn geworden door de invoering van de tweede fase: zelfstandig werken, initiatief, communicatieve vaardigheden, samenwerken, studieplanning en informatie verzamelen en verwerken. Niet alleen zijn de meisjes beter in deze vaardigheden, door het grotere belang dat aan deze vaardigheden wordt toegekend in het onderwijs wordt het verschil tussen jongens en meisjes in hun niveau van sommige van deze vaardigheden ook nog groter. Zo werd in het HAVO het verschil groter bij de vaardigheden zelfstandig werken, initiatief, studieplanning en informatie verzamelen en verwerken. In het VWO werd het verschil groter bij de vaardigheden initiatief, communicatieve vaardigheden, samenwerken en studieplanning.

De invoering van de tweede fase – die vooral op verzoek van het hoger onderwijs heeft plaatsgevonden om de aansluiting tussen VO en het hoger onderwijs te verbeteren - heeft als gevolg gehad dat bepaalde vaardigheden belangrijker zijn geworden die jongens in mindere mate dan meisjes bezitten. Op deze manier zijn zij dubbel in het nadeel. Op de eerste plaats wordt er van hen gevraagd om op een manier onderwijs te volgen waar zij minder geschikt voor zijn dan meisjes en worden vaardigheden belangrijker die zij ook minder sterk ontwikkelen. Ten tweede worden zij ook beoordeeld op deze vaardigheden waardoor ze eerder afhaken, terwijl de vaardigheden waarop ze zich relatief sterk inschatten (rekenvaardigheden, analytische vaardigheden) relatief minder belangrijk worden. Uit de meest recente PISA-resultaten blijkt overigens ook dat jongens beter scoren in wiskunde dan meisjes (CITO, 2010). De balans wat betreft beoordelingscriteria lijkt daarom door te slaan in het voordeel van meisjes. Een mogelijke oplossing zou kunnen zijn meer aandacht aan de voor de tweede fase belangrijke vaardigheden te besteden in de onderbouw, maar dan zal het kennisniveau tegelijkertijd meer onder druk komen te staan. Een andere mogelijkheid is het beter balanceren van de criteria waarop leerlingen in de tweede fase worden beoordeeld en vaardigheden waarop jongens wat sterker zijn zwaarder te laten meewegen, om zo jongens en meisjes weer meer op een gelijkwaardige manier te beoordelen.


Meisjes profiteren dubbel van tweede fase
Bron: Stentor - Nieuws - Algemeen - Binnenland - Reageren - woensdag 23 februari 2011

Volledig ROA-rapport: 'Waarom meisjes het beter doen' (ROA)

MAASTRICHT – Meisjes profiteren dubbel van de tweede fase die sinds 1998 is ingevoerd in de hoogste klassen van havo en vwo. Meisjes zijn van nature beter in studievaardigheden die voor de tweede fase belangrijk zijn, zoals zelfstandig werken en plannen.

Daarnaast zijn de vaardigheden die jongens beter liggen, bijvoorbeeld analytisch denken, minder belangrijk geworden voor de eindbeoordeling.

„De balans in de beoordelingscriteria aan het eind van havo en vwo lijkt door te slaan in het voordeel van de meisjes”, stelt onderzoeker Christoph Meng van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) van de Universiteit Maastricht. Het ROA presenteert dinsdag de resultaten van een eerste landelijk onderzoek naar de redenen dat meisjes het de laatste tien jaar beter zijn gaan doen dan jongens in het voortgezet onderwijs.

Sinds halverwege de jaren negentig zitten er meer meisjes dan jongens op het vwo. Ook op de havo rukken de meisjes op. Zichtbaar wordt dat ook beduidend meer meisjes dan jongens havo en vwo met een einddiploma verlaten. Het ROA stelt dat de invoering van de tweede fase hier een negatieve rol in speelt, aangezien meisjes onmiskenbaar in het voordeel zijn ten opzichte van de jongens.

De onderzoekers vinden het noodzakelijk dat 'jongensvaardigheden' weer zwaarder gaan meetellen in het eindresultaat.

Meisjes profiteren ook meer van de verbeterde aansluiting van middelbaar op hoger onderwijs, één van de redenen voor de invoering van de tweede fase, aldus het ROA. Het onderzoekscentrum constateert in het rapport dat de overstap van 5 havo naar 5 vwo niet zo vaak meer voorkomt. Ongeveer 4 procent van de havo-gediplomeerden begint daar nog aan.

Dat komt onder andere omdat de alternatieve route naar de universiteit, namelijk via een hbo-opleiding naar een academische master, veel aantrekkelijker is geworden.

'Tweede Fase bevoordeelt meisjes meer dan jongens'
Bron: Nieuws.nl – Novum - binnenland - Uitgegeven op Dinsdag 22 februari 2011 om 16:43:45

(Novum) - Meisjes halen meer voordeel uit de onderwijsvernieuwingen van de afgelopen vijftien jaar dan jongens. Zij profiteren vooral van de invoering van de tweede fase. Dat blijkt uit een onderzoek van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) van de Universiteit Maastricht dat dinsdag is gepubliceerd.

Volgens de onderzoekers legt de zogeheten tweede fase meer nadruk op vaardigheden die meisjes beter liggen dan jongens, zoals zelfstandig plannen, informatie verzamelen en leren in groepsverband. Rekenvaardigheden en analytisch vermogen, waarin jongens een voorsprong hebben, zijn minder belangrijk geworden. "De balans lijkt door te slaan in het voordeel van meisjes", zegt een van de onderzoekers.

Er zijn al twintig jaar meer meisjes dan jongens in het vwo. Het verschil is het afgelopen decennium groter geworden. In 2008 zaten ruim 22.500 meisjes en 19 duizend jongens op het VWO, waar tien jaar geleden nog 14.700 jongens en 17 duizend meisjes waren.

Om de positie van jongens te verbeteren, zouden zij in de onderbouw meer getraind moeten worden op de vaardigheden die in de tweede fase belangrijk zijn, zeggen de onderzoekers. Ook het zwaarder laten meewegen van de vaardigheden waar jongens meer over beschikken, kan in het voordeel van deze jongens werken.

De tweede fase, die in 1998 is ingevoerd, speelt volgens de onderzoekers mee bij het dalende aantal leerlingen dat doorstroomt van 5 havo naar 5 vwo. De teruggang is ook te verklaren door de alternatieve route om vanuit de HAVO via een HBO-propedeuse naar een WO-opleiding te gaan.

De tweede fase is de benaming voor de in 1998 ingevoerde inrichting van de bovenbouw van het havo en vwo. Tijdens deze fase kunnen leerlingen een gedeeltelijk vaststaand vakkenpakket of 'profiel' kiezen. Het idee is dat leerlingen zelfstandiger werken dan voorheen.

Meisje profiteert dubbel van tweede fase
Bron: Reformatorisch Dagblad - ANP - Onderwijs - 23-02-2011

MAASTRICHT (ANP) – Meisjes profiteren dubbel van de tweede fase die sinds 1998 is ingevoerd in de hoogste klassen van havo en vwo.

Meisjes zijn van nature beter in studievaardigheden die voor de tweede fase belangrijk zijn, zoals zelfstandig werken en plannen, stelde onderzoeker C. Meng van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) van de Universiteit Maastricht gisteren.

Daarnaast zijn de vaardigheden die jongens beter liggen, bijvoorbeeld analytisch denken, minder belangrijk geworden voor de eindbeoordeling. „De balans in de beoordelingscriteria aan het eind van havo en vwo lijkt door te slaan in het voordeel van de meisjes”, aldus Meng.

Het ROA presenteerde gisteren de resultaten van een eerste landelijk onderzoek naar de redenen dat meisjes het de laatste tien jaar in het voortgezet onderwijs beter doen dan jongens.

Sinds halverwege de jaren negentig zitten er meer meisjes dan jongens op het vwo. Ook op de havo rukken de meisjes op. Beduidend meer meisjes dan jongens verlaten havo en vwo met een einddiploma.

Het ROA stelt dat de invoering van de tweede fase hier een negatieve rol in speelt, aangezien meisjes onmiskenbaar in het voordeel zijn ten opzichte van de jongens. De onderzoekers vinden het noodzakelijk dat ‘jongensvaardigheden’ zwaarder gaan meetellen in het eindresultaat.

Meisjes profiteren ook meer van de verbeterde aansluiting van middelbaar op hoger onderwijs, een van de redenen voor de invoering van de tweede fase, aldus het ROA.

Het debat in de gefeminiseerde linkse kerk:

VARA’s Joop-debat: Jongens en meisjes in aparte klassen
Bron: VARA - Joop.nl - Radio 1 - Reageer (2) - 22 februari 2011

Jongens en meisjes op de middelbare school moeten in gescheiden klassen geplaatst worden. Dat vindt oud docente Anne Rensen. Dirck van Bennekom, schoolbestuurder in de regio Nijmegen is tegen.

Jongens en meisjes moeten op de middelbare school gescheiden les krijgen, zegt oud-docente Anne Rensen, dat is beter voor beide. Maar gaan we dan terug naar de jaren vijftig?

Laatste Reacties - Reageer

simon lagroht, wo 23 februari 2011 01:11
Mijn duit in het zakje uit eigen ervaring: Leraren gaan vaak veeel te langzaam door de stof heen waardoor je bijkans in slaap valt en niet meer oplet. Ik heb schriften waar alleen maar tekeningen in staan en dan nog haal je het jaar. Het zou mij niets verbazen als een hoop van die jongens veel beter zouden presteren als ze wat meer onder druk zouden worden gezet, geen begrip en geduld maar drillen die hap en ze geen lucht gunnen, zo moet het :-)

rose red, di 22 februari 2011 17:49
Jongens en meisjes apart op school? Voer dan ook de schooluniformen in, dan is iedereen gelijk gekleed, geen uitdagende tienertopjes, geen tatoo's zichtbaar, geen korte rokjes, geen spijkerbroeken wat op de heupen blijft hangen, geen dure merken schoenen, geen make up, kortom, dan pas krijg je de gillende hormonen stil.

m. - 24 februari 2011 12:04
Het is toch altijd weer hetzelfde....het onderwijs gaat hartstikke achteruit....en dhr. van Bennekom heeft het al weer over hoe het allemaal in Engeland en de VS loopt. WE ZIJN NIET DE VS!!!!!! We zijn Nederland en we kunnen hier ook wel op conclusies komen. Mevrouw heeft groot gelijk. Mijn zoon is in Nijmegen op school en zijn leerkrachten zijn 90% vrouwen!!! Hij ziet dat meisjes worden bevoordeeld. En hij is een goede leerling. Sowieso er wordt aan de verkeerde kant bespaard. Kleine klassen, en eindelijk maar een keer tegen de overheid in gaan!

rona - 22 februari 2011 13:35
Daar ben ik absoluut op tegen. Niet alle jongens zijn gelijk en ook niet alle meisjes zijn hetzelfde. Die groepen worden dan erg ongelukkig.

Haal jongens en meisjes uit elkaar
Bron: VARA - Joop.nl - Anne Rensen - Reageer (138) - 1952 x bekeken - 22 februari 2011

Geef jongens en meisjes gescheiden les, dan hebben ze minder last van gierende hormonen, vindt Anne Rensen

Zondagavond ging in het televisieprogramma Brandpunt een van de programmaonderdelen over het grote verschil in studiehouding en studieresultaten tussen jongens en meisjes in het middelbaar onderwijs. Men deed het voorkomen alsof dit pas sinds kort duidelijk was geworden.

Ik heb meer dan veertig jaar als docent in het middelbaar onderwijs lesgegeven, zowel aan alleen jongens als aan alleen meisjes en uiteraard het meest aan de ons al jaren bekende gemengde klassen. Mijn ervaring, en vervolgens mijn conclusie is, dat een gemengde school fantastisch is, maar dat je de seksen in het lokaal moet scheiden, wil je adequate studieresultaten krijgen.

Een groep van veertig meisjes werkt geconcentreerder en schiet harder op dan een groep van pakweg vijfentwintig jongens. Als je enkel jongens of meisjes hebt, kan je de aanpak, de lesmethoden en de studieadviezen veel beter toespitsen. Bovendien is in beide gevallen de rust groter, omdat de jongens en meisjes minder last hebben van gierende hormonen. Men zou zelfs verschillende roosters kunnen maken, want mijn ervaring leerde me, dat het eerste uur voor jongens meestal min of meer verspild was.

Geloof me, ik kan het weten. Als ik dit in gesprekken weleens opperde, werd ik vaak nogal vreemd aangekeken. Desondanks begrijp ik nog steeds niet, dat deze aanpak niet wordt onderzocht. Het kost weinig om de klassegrootte aan te passen aan de seksen. In het gemiddeld aantal leerlingen zal het niet uitmaken. De aanpak kan gedifferentieerder en het resultaat is vele malen bevredigender. Daarnaast is er voor en na school en in de pauzes nog ruimte genoeg voor alle contacten tussen jongens en meisjes.

Anne Rensen is oud-onderwijzer. Dinsdag om 11:45 uur gaat ze in De Gids FM op Radio 1 in debat met Dirck van Bennekom, schoolbestuurder. Luister hier het debat terug.

Laatste Reacties (138) - Reageer

Media-artikelenoverzicht

zondag, februari 13, 2011

718. Jongenscrisis in het onderwijs (ITS rapport, juni 2010) - Achterstand jongens in voortgezet onderwijs nog steeds niet aangepakt (KRO - Brandpunt )

Gerelateerd artikel:

  • Jongenscrisis in het onderwijs (ROA-rapport, januari 2011) - Gefeminiseerde overleg- en praathuiscultuur in 'Studiehuis' van voortgezet onderwijs gaat ten koste van onderwijsprestaties van jongens, Vaderkenniscentrum, 27 februari 2011; http://vaderkenniscentrum.blogspot.com/2011/02/732a.html
Waarom wordt de huidige achterstand van jongens in het voortgezet onderwijs niet aangepakt? 
Bron: KRO - Brandpunt, 13-02-2011

Get Microsoft Silverlight Bekijk de video in andere formaten.

Waren het begin jaren 90 de meisjes die fors achterliepen op de jongens in het voortgezet onderwijs, nu zijn de rollen volledig omgedraaid. De cijfers liegen er niet om.

Jongens verlaten school vaker zonder diploma, ze zijn oververtegenwoordigd in het speciaal onderwijs, jongens blijven vaker zitten en presteren structureel onder hun niveau. Was de achterstand van de meisjes een sociologisch probleem, de huidige achterstand van de jongens is vooral een onderwijskudig probleem. De achterstand van meisjes leidde tot maatschappelijk debat en campagnes, maar een aanpak van de huidige achterstand van jongens blijft uit.

Aart Zeeman zoekt uit waarom niemand zich druk maakt over de stelselmatige achterstelling van jongens op de middelbare school.


Interview rector Joost van Rijn van het Lek en Linge-college
Bron: KRO-Brandpunt, 13-02-2011

Get Microsoft Silverlight Bekijk de video in andere formaten.


Rector Joost van Rijn van het Lek en Linge-college vindt dat het huidige Nederlandse onderwijs jongens willens en wetens in de kou laat staan: “En de reflex die men overwegend heeft: ja maar die meisjes doen het toch goed. Ik hoor zelfs wel eens: dat is toch helemaal niet erg dat die jongens het minder goed doen. Terwijl ik denk van: dat zijn dezelfde mensen die het in de jaren tachtig ontzettend erg vonden dat die emancipatie van die meisjes zo moeizaam op gang kwam. Dan denk ik: 'Nu zou je het toch echt moeten aantrekken, want het is een verspilling van talent'.”

Interview met professor Jelle Jolles van de Vrije Universiteit
Bron: KRO-Brandpunt, 13-02-2011

Get
Microsoft Silverlight Bekijk de video in andere formaten.


'Meisjes kunnen leren van jongens. Dat ondernemende is iets waar onze samenleving ook behoefte aan heeft. Dus het is heel erg als jongens uitvallen. Jongens kunnen een voorbeeld zijn voor meisjes', zegt hoogleraar Jelle Jolles van de Vrije Universiteit. 'Meisjes kunnen op een al wat jongere leeftijd plannen en prioriteren. Zij staan open voor de kritiek van elkaar en van de leraar. Zij pakken dat op en maken daar een plan van. Jongens, die zijn speels, zijn minder goed in dat plannen.'

Rapport: De onderwijsachterstand van jongens
Bron: KRO-Brandpunt, 13-02-2011

    Een rapport over de achterstand van jongens in het onderwijs geschreven door Geert Driessen en Annemarie van Langen.

    Rapport: “De onderwijsachterstanden van jongens”

    http://www.cool5-18.nl/publicatiesbo

    In sommige landen, waaronder Engeland en de Verenigde Staten, bestaat ongerustheid over het feit dat jongens in het onderwijs in een achterstandspositie dreigen te geraken. Ook in Nederland worden daarover zorgen geuit. Op verzoek van het Ministerie van OCW heeft het ITS daarom de onderwijspositie in kaart gebracht van jongens en meisjes in het primair onderwijs en de eerste vier jaren van het secundair onderwijs in Nederland. Daarbij is onder meer gebruik gemaakt van de gegevens van de eerste meting van COOL5-18 en diens voorloper het Prima-cohortonderzoek.

    De resultaten laten zien dat er qua cognitieve competenties geen sekseverschillen zijn; die zijn er wel wat de niet-cognitieve competenties betreft, waarbij jongens met name qua gedrag en werkhouding ongunstiger scoren. Jongens nemen ook op de meeste onderdelen van de schoolloopbaan een minder gunstige positie in dan meisjes.

    Het rapport van dr. Geert Driessen en dr. Annemarie van Langen (2010) De onderwijsachterstand van jongens. Omvang, oorzaken en interventies kan worden gedownload door hier (pdf) te klikken.

    Conclusies en samenvatting - De onderwijsachterstand van jongens - Omvang, oorzaken en interventies

    Volledig rapport: http://www.cool5-18.nl/pdf-bestanden/De%20onderwijsachterstand%20van%20jongens.pdf

    Geert Driessen
    Annemarie van Langen

    M.m.v. Hetty Dekkers & Sanne Elfering

    ITS – Radboud Universiteit Nijmegen, Juni 2010

    Managementsamenvatting

    Het ITS heeft in dit rapport de onderwijspositie van jongens in vergelijking tot die van meisjes geïnventariseerd, zowel qua cognitieve competenties, niet-cognitieve competenties als schoolloopbanen en zowel in het primair onderwijs als in de eerste jaren van het voortgezet onderwijs in Nederland en enkele andere landen. Deze inventarisatie is een update van de trendstudie die het ITS in 2006 heeft uitgevoerd naar nationale en internationale verschillen in schoolprestaties en onderwijsloopbanen van jongens en meisjes. De aanleiding voor deze update wordt gevormd door recente berichten in de media dat de onderwijsachterstand van jongens ten opzichte van meisjes de laatste jaren groter zou zijn geworden. Hierover zijn in de Tweede Kamer vragen gesteld, waarna de staatsecretarissen voor primair onderwijs en voor voortgezet en beroepsonderwijs eind 2009 toegezegd hebben om onderzoek te laten doen naar de onderwijspositie van jongens.

    Op grond van de uitgevoerde inventarisatie kunnen de volgende conclusies worden getrokken over het bestaan van een onderwijsachterstand van jongens:
    • In termen van cognitieve competenties is in Nederland er geen sprake van een systematische achterstand van jongens in vergelijking tot meisjes; noch in het primair onderwijs, noch in de eerste vier jaar van het voortgezet onderwijs. De geconstateerde sekseverschillen in prestaties zijn namelijk enerzijds vrij beperkt, anderzijds afwisselend in het voordeel van de meisjes (bij taal en lezen) of de jongens (bij rekenen/wiskunde).
    • De gevonden sekseverschillen in niet-cognitieve competenties zijn soms wèl vrij aanzienlijk, en suggereren bovendien af en toe wel een ongunstigere onderwijspositie van jongens dan van meisjes. In het basisonderwijs worden jongens beduidend zwakker dan meisjes beoordeeld op werkhouding en sociaal gedrag; in groep 8 meer nog dan in groep 2. Onder zorgleerlingen in het regulier onderwijs en leerlingen van het speciaal onderwijs vertonen veel meer jongens dan meisjes gedrags- en concentratiestoornissen. Van andere geconstateerde sekseverschillen in niet-cognitieve competenties is minder duidelijk aan te geven wat het effect is op de onderwijspositie. Zo beschouwen jongens in het voortgezet onderwijs zichzelf als veel minder mild dan meisjes; zij gaan conflicten dan ook minder uit de weg. Ook zijn jongens naar eigen zeggen emotioneel stabieler en hebben zij meer zelfvertrouwen, ook in hun onderwijsmogelijkheden. Een mogelijk bruikbare interessante bevinding voor de onderwijspraktijk is dat jongens meer gemotiveerd raken door competitie, terwijl meisjes meer sociaal gemotiveerd zijn.
    • De schoolloopbanen van jongens zijn in vrijwel alle onderzochte opzichten die mede bepalend zijn voor het uiteindelijke onderwijs(eind)niveau, minder gunstig dan die van meisjes. Om te beginnen neemt een veel groter aandeel van hen deel aan vormen van speciaal onderwijs. Daarnaast blijkt dat jongens in het voortgezet onderwijs vaker dan meisjes doubleren, vaker deelnemen aan de lagere onderwijsniveaus, vaker uitstromen als voortijdig schoolverlater en afstromen naar een lager niveau. Bij al deze aspecten van de vo-schoolloopbaan lopen de sekseverschillen zelden op tot meer dan een paar procent, maar in absolute aantallen gaat het daarmee toch om duizenden leerlingen.
    • Het voorafgaande beeld geldt voor jongens en meisjes als totale groep, maar vrijwel steeds ook, en in gelijke mate, voor de afzonderlijk onderscheiden sociaal-etnische groepen. Met andere woorden: de gehanteerde gegevens wijzen niet op enige vorm van interactie tussen sociaal-etnisch milieu en sekse die ertoe zou leiden dat bepaalde groepen jongens in het Nederlandse onderwijs systematisch een grotere achterstand op de meisjes hebben dan andere.
    • De bovenbeschreven situatie heeft betrekking op de huidige stand van zaken; er zijn echter weinig aanwijzingen gevonden dat deze sterk verschilt van de situatie van vijf tot tien jaar geleden. Er is dus geen sprake van dat in de laatste jaren in Nederland grote veranderingen zijn opgetreden in de onderwijspositie van jongens in vergelijking tot die van meisjes.
    In dit rapport wordt tevens verslag gedaan van een internationale literatuurstudie naar de verklaringen voor de achterstand van jongens en naar mogelijke interventies om deze achterstand te bestrijden. De verklaringen zijn ingedeeld naar analogie van het bekende nature-nurture debat, dat draait om de vraag of eigenschappen en gedrag van mensen zijn aangeboren of aangeleerd. Recentelijk is er veel literatuur verschenen over de biologische verschillen in hersenfunctie en –ontwikkeling tussen jongens en meisjes, die zouden leiden tot sekseverschillen in het onderwijs. Aanvullend hierop, soms ook in strijd hiermee, is er echter ook veel onderzoek uitgevoerd naar de invloed vanuit de omgeving - ouders, leeftijdsgenoten, school en docenten, maatschappelijke context - op het ontstaan van sekseverschillen in het onderwijs. In dit rapport geven we een overzicht van de argumenten die vanuit beide invalshoeken worden aangedragen, en beschrijven tevens de voorgestelde interventies en oplossingen om de achterstand van jongens te bestrijden. Deze zijn in drie typen te onderscheiden: pedagogisch-didactische maatregelen (bijv. het aanleren van onderwijsstrategieën aan docenten, gericht op de specifieke behoefte van jongens aan meer competitie, practicum en/of beweging), sociaal-culturele maatregelen (bijv. programma’s om het zelfbeeld van jongens te verhogen of hun antischool-houding te keren) en organisatorische maatregelen (zoals seksegescheiden onderwijs of het aantrekken van meer mannelijke docenten).

    6 Samenvatting en conclusies

    6.1 Aanleiding en opzet van deze studie

    Deze studie is een update van het onderzoek naar sekseverschillen in onderwijsloopbanen dat het ITS in 2006 heeft uitgevoerd. De reden voor deze update wordt gevormd door berichten dat de onderwijsachterstand van jongens ten opzichte van meisjes de laatste jaren groter zou zijn geworden. Deze achterstand zou met name in het primair onderwijs en de eerste jaren van het voortgezet onderwijs worden opgebouwd. Naar aanleiding van genoemde berichten zijn in de Tweede Kamer vragen gesteld, waarna de staatsecretarissen voor primair onderwijs en voor voortgezet en beroepsonderwijs eind 2009 toegezegd hebben om onderzoek te laten doen naar de onderwijspositie van jongens.

    Het onderzoek bestaat uit twee delen. Ten eerste een inventarisatie van de positie van jongens in vergelijking tot die van meisjes in het Nederlandse onderwijs en ook in enkele andere landen. Ten tweede een literatuurstudie naar de oorzaken van een eventuele jongensachterstand en naar mogelijke interventies om deze te bestrijden. Wat de inventarisatie van de onderwijspositie betreft, is onderscheid gemaakt naar cognitieve competenties (o.a. taal, lezen, rekenen/wiskunde), niet-cognitieve competenties (persoonlijkheidskenmerken, engagement en motivatie) en schoolloopbanen (o.a. doubleren, deelname aan speciaal onderwijs en v.o.-niveau, voortijdig schoolverlaten, op- en afstroom, examenresultaten en sector/profielkeuze). De relatieve positie van jongens en meisjes op deze drie gebieden in zowel primair onderwijs als in de eerste vier leerjaren van het secundair onderwijs is in kaart gebracht. Ook ontwikkelingen in deze positie in de afgelopen jaren zijn in de studie betrokken. Daartoe is enerzijds de stand van zaken per 2006 samengevat, zoals die naar voren komt in het vorige ITS-rapport over sekseverschillen, en anderzijds een aanvulling hierop gegeven aan de hand van actuele onderzoeksdata. In deze samenvatting concentreren we ons vooral op deze update.

    Waar de beschikbare gegevens het toelieten, hebben we de sekseverschillen in onderwijspositie niet alleen voor de groep leerlingen als geheel in kaart gebracht, maar ook nog binnen onderscheiden sociaal-etnische groepen. Daardoor kon worden nagegaan welke groepen jongens het meeste risico op achterstand lopen en of het probleem zich mogelijkerwijs concentreert op kansarme autochtone jongens, zoals bijvoorbeeld in Engeland wel wordt gesuggereerd.

    6.2 Sekseverschillen in cognitieve competenties

    Voor het interpreteren van sekseverschillen in cognitieve en niet-cognitieve competenties is in dit hele rapport gebruik gemaakt van dezelfde maat; de zogenaamde effect size (ES). De algemene vuistregel is dat een ES van 0,20 een klein verschil betreft, een ES van 0,50 een middelmatig verschil en een ES van 0,80 een groot verschil.

    Nederlandse studies in het basisonderwijs
    Uit de actuele data, verzameld in de landelijke cohortonderzoeken van PRIMA en COOL 5-18 , maar ook in PPON en JPO, komt het volgende beeld naar voren. De cognitieve competenties van jongens en meisjes in het Nederlandse basisonderwijs verschillen wel van elkaar, maar deze verschillen zijn over het algemeen hooguit klein te noemen, een enkele keer oplopend naar middelmatig. Bovendien zijn jongens en meisjes beurtelings in het voordeel; de jongens hebben een voorsprong op de meisjes bij de domeinen rekenen/wiskunde, wereldoriëntatie en Engels, de meisjes juist een voorsprong op de jongens bij de domeinen (Nederlandse) taal en lezen. Een indruk hiervan wordt gegeven in Grafiek 6.1, die overigens uitsluitend betrekking heeft op de toetsprestaties en CITO-Eindtoetsscores die in COOL in 2007 zijn verzameld.

    Grafiek 6.1 – De effect sizes van de sekseverschillen in cognitieve competenties in het basisonderwijs. Bron: COOL 5-18 2007. Negatieve ES: meisjes>jongens; positieve ES: jongens>meisjes



    In de PRIMA- en COOL-bestanden konden ook de sekseverschillen in prestaties binnen verschillende sociaal-etnische categorieën worden berekend. Deze bleken in grote lijnen weinig van elkaar of het algemene beeld af te wijken. Daaruit mag worden geconcludeerd dat er geen specifieke sociaal-etnische groepen in het basisonderwijs zijn waar het sekseverschil in prestaties systematisch groter of kleiner is dan daarbuiten.

    Nederlandse studies in het speciaal (basis)onderwijs en onder zorgleerlingen in het basisonderwijs
    Uit de beschikbare studies naar de cognitieve competenties van zorgleerlingen in het basisonderwijs en van leerlingen in het speciaal (basis)onderwijs, blijkt dat in deze groepen slechts beperkte sekseverschillen in prestaties voorkomen, die afwisselend in het voordeel van jongens en meisjes zijn.

    Nederlandse studies in het voortgezet onderwijs
    In de landelijke cohortonderzoeken in het Nederlands voortgezet onderwijs (VOCL en COOL) zijn de prestaties van derdeklassers gemeten. Uit de resultaten blijkt dat de sekseverschillen over het algemeen te typeren zijn als tamelijk of zelfs zeer klein, behalve bij werkwoordspelling waar het een middelmatig verschil betreft. Jongens zijn vooral in het voordeel bij wiskunde, meisjes bij genoemde werkwoordspelling en bij begrijpend lezen. Een overzicht van de resultaten wordt gegeven in Grafiek 6.2, die wederom uitsluitend betrekking heeft op de toetsprestaties die in COOL in 2007 zijn verzameld. De genoemde omvang van de sekseverschillen in prestaties geldt in grote lijnen ook binnen de onderscheiden sociaal-etnische categorieën. Ook in het voortgezet onderwijs is er dus geen specifieke subgroep waar het sekseverschil veel groter of kleiner is dan daarbuiten.

    Grafiek 6.2 – De effect sizes van de sekseverschillen in cognitieve competenties in het voortgezet onderwijs. Bron: COOL 5-18 2007. Negatieve ES: meisjes>jongens; positieve ES: jongens>meisjes


    Internationaal vergelijkende studies
    Uit de resultaten van de internationaal vergelijkende studies PIRLS en TIMSS komen eveneens slechts kleine sekseverschillen naar voren in de prestaties onder basisschoolleerlingen. Deze zijn altijd in het voordeel van de meisjes als het gaat om lezen; bij wiskunde en natuurwetenschappen hebben jongens meestal een lichte voorsprong. In enkele landen is er nauwelijks nog een sekseverschil (Grafiek 6.3).

    Grafiek 6.3 – De effect sizes van de sekseverschillen in cognitieve competenties volgens internationaal vergelijkende studies in het basisonderwijs. Bron: PIRLS 2006, TIMSS 2007. Negatieve ES: meisjes>jongens; positieve ES: jongens>meisjes



    Tevens zijn in het internationaal vergelijkende PISA-onderzoek leerlingen in het voortgezet onderwijs van meerdere landen onderzocht. De sekseverschillen in hun toetsprestaties blijken bij natuurwetenschappen en wiskunde in alle landen heel klein. Bij lezen zijn ze beduidend groter (ES tussen 0,25 en 0,41), steeds in het voordeel van de meisjes.

    6.3 Sekseverschillen in niet-cognitieve competenties

    Nederlandse studies in het basisonderwijs
    Uit de landelijke cohortonderzoeken van PRIMA en COOL is ook informatie beschikbaar over een reeks van niet-cognitieve kenmerken van basisschoolleerlingen. Deels is deze verzameld bij de leerkrachten, in de hogere groepen ook bij de leerlingen zelf. Uit onze analyses blijkt dat in de niet-cognitieve competenties wat grotere sekseverschillen zichtbaar zijn dan in de cognitieve competenties. Met name op sociaal gedrag en werkhouding scoren de meisjes aanzienlijk gunstiger dan de jongens. Bovendien wordt het sekseverschil in werkhouding beduidend groter tussen groep 2 en groep 8. Wat betreft motivatie blijkt dat jongens sterker gericht zijn op competitie (schaal ‘performance’) dan meisjes, terwijl de meisjes sociaal gemotiveerder zijn. Qua welbevinden en taakoriëntatie scoren de meisjes veelal gunstiger, terwijl de jongens meer zelfvertrouwen hebben. Laatstgenoemde verschillen zijn echter tamelijk klein. Grafiek 6.4 geeft een overzicht van de sekseverschillen voor de niet-cognitieve competenties, zoals gemeten in COOL in 2007.

    Grafiek 6.4 – De effect sizes van de sekseverschillen in niet-cognitieve competenties in het basisonderwijs. Bron: COOL 5-18 2007. Negatieve ES: meisjes>jongens; positieve ES: jongens>meisjes



    Binnen de onderscheiden sociaal-etnische groepen zijn de sekseverschillen soms wat groter of kleiner dan algemeen; er is daarin echter opnieuw geen duidelijke trend te ontdekken. Het sekseverschil in niet-cognitieve competenties is in bepaalde sociaal-etnische groepen dus niet systematisch veel groter of kleiner dan in andere.

    Nederlandse studies in het speciaal onderwijs en onder zorgleerlingen in het reguliere onderwijs
    Recent onderzoek in het (voortgezet) speciaal (basis)onderwijs en onder zorgleerlingen in het reguliere onderwijs laat zien dat jongens veel vaker dan meisjes gedragsstoornissen en hyperactiviteit vertonen. Marokkaanse jongens lijken in dit opzicht een extra risico te lopen. Meisjes vertonen vooral vaker internaliserend probleemgedrag en emotionele problemen (o.a. faalangst).

    Nederlandse studies in het voortgezet onderwijs
    Informatie over niet-cognitieve competenties van leerlingen in het voortgezet onderwijs is recentelijk verzameld in VOCL en COOL. Er blijkt in dit opzicht sprake van soms aanzienlijke sekseverschillen, die gedeeltelijk overeenkomen met de bevindingen in het basisonderwijs. Jongens beschrijven zichzelf als beduidend minder mild en tegelijkertijd emotioneel stabieler dan meisjes, en hebben meer zelfvertrouwen. Qua motivatie blijken jongens zich aanzienlijk meer dan meisjes te laten leiden door competitie (‘performance’), meisjes zijn sociaal gemotiveerder; zie Grafiek 6.5. Binnen de onderscheiden sociaal-etnische categorieën komt een vergelijkbaar beeld naar voren.

    Grafiek 6.5 – De effect sizes van de sekseverschillen in niet-cognitieve competenties in het voortgezet onderwijs. Bron: COOL 5-18 2007. Negatieve ES: meisjes>jongens; positieve ES: jongens>meisjes



    Internationaal vergelijkende studies
    Gegevens over niet-cognitieve competenties zijn in de internationaal vergelijkende studies slechts beperkt voorhanden. Uit TIMSS blijkt dat jongens in de meeste landen – inclusief Nederland - significant meer zelfvertrouwen bij wiskunde hebben dan de meisjes. Het zelfvertrouwen bij natuurwetenschappen verschilt nauwelijks naar sekse. In PISA is vastgesteld dat jongens iets meer waarde hechten aan natuurwetenschappen dan meisjes en ook iets meer zelfvertrouwen en plezier hierin hebben. De verschillen zijn over het algemeen gering, maar in Nederland is het sekseverschil in zelfvertrouwen en plezier groter dan elders.

    6.4 Sekseverschillen in schoolloopbanen

    Voor het interpreteren van de sekseverschillen in schoolloopbanen is de effect size-maat niet bruikbaar. Het gaat nu immers niet meer om het vergelijken van scores, maar van percentuele verdelingen. De beoordeling van de relevantie van verschillen daarin moet op basis van zichtsvaliditeit gebeuren en zal sterk afhangen van het onderwerp.

    Nederlandse studies in het basisonderwijs
    Het aandeel jongens en meisjes met een advies voortgezet onderwijs van vmbo-t/havo of hoger verschilt in 2007/08 nauwelijks van elkaar, zo blijkt uit de COOL-data. Een paar jaar eerder, in 2001, kregen wel iets meer meisjes dan jongens dit advies.

    Nederlandse studies in het speciaal onderwijs en onder zorgleerlingen in het reguliere onderwijs
    Uit alle recente data (PRIMA, CFI/Statline) komt naar voren dat jongens veel meer worden doorverwezen naar het (voortgezet) speciaal onderwijs dan meisjes. Het percentage jongens onder de s.o.-deelnemers varieert van circa 52% (so- en vso-doof; cluster 2) tot wel 85% (so-zmok; cluster 4). Dat is overigens geen nieuwe ontwikkeling, maar er zijn wel enkele s.o.-onderwijssoorten waar het aandeel jongens de laatste jaren nog iets is toegenomen. Het omgekeerde komt echter ook voor.

    Nederlandse studies in het voortgezet onderwijs
    Met behulp van landelijke gegevens is ten behoeve van deze studie de schoolloopbaan in de eerste vier jaar van het voortgezet onderwijs gevolgd van de hele cohort dat in 2005/06 is gestart. Daaruit blijkt dat in vrijwel alle opzichten de schoolloopbaan van de jongens ongunstiger verloopt dan die van de meisjes, met uitzondering van de examenresultaten van de onvertraagde vmbo-leerlingen (geen verschil tussen jongens en meisjes).

    Om te beginnen zijn de jongens wat ouder dan de meisjes bij hun start in het voortgezet onderwijs, hetgeen wijst op een opgelopen vertraging. Vervolgens blijkt dat een lager percentage jongens dan meisjes deelneemt aan de hogere niveaus van voortgezet onderwijs (havo en vwo) en juist een hoger percentage jongens aan de lagere niveaus (praktijkonderwijs, vmbo-bbl). Bovendien ontpoppen iets meer jongens dan meisjes zich tot voortijdig schoolverlater. De situatie van de hele cohort in het vierde verblijfsjaar (2008/09) is weergeven in Grafiek 6.6. Daaruit blijkt bijvoorbeeld dat van de meisjes uit de cohort 46% deelneemt aan havo of vwo en 26% aan vmbo-bbl of -kbl, terwijl deze percentages bij de jongens respectievelijk 41% en 30% zijn.

    Grafiek 6.6 – Deelname aan v.o. van cohort 2005/06 in schooljaar 2008/09. Bron: DUO



    Tevens blijken meer jongens dan meisjes van cohort 2005/06 een lwoo-indicatie te krijgen en doubleren jongens bij elke overgang vaker dan meisjes. Ook zijn er sekse-verschillen in de doorstroom naar niveau: meer jongens dan meisjes stromen in de loop der tijd af naar een lager niveau, meer meisjes dan jongens juist op naar een hoger niveau. Vooral bij de eerste twee overgangen tussen schooljaren zijn hierin sekseverschillen zichtbaar. Het hele doorstroompatroon van de jongens en meisjes in de vier onderzochte schooljaren is grafisch weergegeven in Grafiek 6.7. Verticale pijlen die een stippellijn overschrijden duiden op een op- of afstroom over de grenzen van avo of vmbo heen (bijv. van havo naar vmbo). Verticale pijlen die binnen de stippellijn blijven, duiden op een op- of afstroom binnen avo of vmbo (bijv. van vwo naar havo).

    Grafiek 6.7 – Stromen in het v.o. van cohort 2005/06 in schooljaar 2008/09. Bron: DUO. Blauw= jongens, roze= meisjes. Rondje: voortijdig schoolverlaten



    De sekseverschillen in cohort 2005/06 zijn ook aanzienlijk als het gaat om de richtingkeuze (horizontale onderwijspositie). Met name in het vmbo is de sectorkeuze sterk seksebepaald; met name bij Techniek en Zorg en Welzijn. In havo en vwo zijn de sekseverschillen in profielkeuze de laatste jaren kleiner aan het worden (Grafiek 6.8).

    Grafiek 6.8 – Sector- en profielkeuze in het vo van cohort 2005/06 in schooljaar 2008/09. Bron: DUO. Blauw= jongens, roze= meisjes



    Tot slot stellen we vast dat het hele voorafgaande beeld van de sekseverschillen in v.o.-loopbanen grotendeels in gelijke mate ook van toepassing is binnen de onderscheiden sociaal-etnische categorieën in cohort 2005/06. Uitzonderingen hierop betreffen steeds de meest kansrijke groep: onder westerse leerlingen die niet wonen in een armoedeprobleemcumulatiegebied zijn de sekseverschillen soms wat groter dan daarbuiten.

    6.5 Oorzaken en interventies

    In dit rapport is tevens verslag gedaan van een internationale literatuurstudie naar de verklaringen voor de achterstand van jongens en naar mogelijke interventies om deze achterstand te bestrijden. Uit het verloop van het debat over de achterstand van jongens geschetst blijkt overigens dat hierover bepaald geen algehele consensus bestaat.

    De verklaringen zijn door ons beschreven naar analogie van het bekende nature-nurture (‘aangeboren-aangeleerd’) debat. Recentelijk is er veel literatuur verschenen over de biologische verschillen in hersenfunctie en –ontwikkeling tussen jongens en meisjes, die zouden leiden tot sekseverschillen in het onderwijs. Aanvullend hierop (soms ook in strijd hiermee) is echter ook veel onderzoek verschenen naar de invloed vanuit de omgeving (ouders, leeftijdsgenoten, school en docenten, maatschappelijke context) op het ontstaan van sekseverschillen in het onderwijs.

    De interventies die in de literatuur worden aangetroffen om de achterstand van jongens te bestrijden, komen veelal direct voort uit de verklaringen voor deze achterstand die de auteurs zelf als meest relevant beschouwen. In onze beschrijving hebben we drie typen interventies onderscheiden: pedagogisch-didactische maatregelen (bijv. het aanleren van onderwijsstrategieën aan docenten, gericht op de specifieke behoefte van jongens aan meer competitie, practicum en/of beweging), sociaal-culturele maatregelen (bijv. programma’s om het zelfbeeld van jongens te verhogen of hun anti-school-houding te keren) en organisatorische maatregelen (zoals seksegescheiden onderwijs of het aantrekken van meer mannelijke docenten).

    Om te voorkomen dat we hier sterk in herhaling vallen, verwijzen we voor meer informatie over het debat, de verklaringen en de interventies inzake de jongensachterstand naar het betreffende hoofdstuk.

    6.6 Conclusies

    In dit rapport is de onderwijspositie van jongens in vergelijking tot die van meisjes geïnventariseerd, zowel qua cognitieve competenties, niet-cognitieve competenties als schoolloopbanen en zowel in het primair onderwijs als in de eerste jaren van het voortgezet onderwijs in Nederland en enkele andere landen. Op grond hiervan trekken wij de volgende conclusies over het bestaan van een onderwijsachterstand van jongens.
    • In termen van cognitieve competenties is in Nederland er geen sprake van een systematische achterstand van jongens in vergelijking tot meisjes; noch in het primair onderwijs, noch in de eerste vier jaar van het voortgezet onderwijs. De geconstateerde sekseverschillen in prestaties zijn namelijk enerzijds vrij beperkt, anderzijds afwisselend in het voordeel van de meisjes (bij taal en lezen) of de jongens (bij rekenen/wiskunde).
    • De gevonden sekseverschillen in niet-cognitieve competenties zijn soms wel vrij aanzienlijk, en suggereren bovendien af en toe wel een ongunstigere onderwijspositie van jongens dan van meisjes. In het basisonderwijs worden jongens beduidend zwakker dan meisjes beoordeeld op werkhouding en sociaal gedrag; in groep 8 meer nog dan in groep 2. Onder zorgleerlingen en leerlingen van het speciaal onderwijs vertonen veel meer jongens dan meisjes gedrags- en concentratiestoornissen. Van andere geconstateerde sekseverschillen is minder duidelijk aan te geven wat het effect is op de onderwijspositie. Zo beschouwen jongens in het voortgezet onderwijs zichzelf als veel minder mild dan meisjes; zij gaan conflicten dan ook minder uit de weg. Ook zijn jongens naar eigen zeggen emotioneel stabieler en hebben zij meer zelfvertrouwen, ook in hun onderwijsmogelijkheden. Een mogelijk bruikbare interessante bevinding voor de onderwijspraktijk is dat jongens meer gemotiveerd raken door competitie, terwijl meisjes meer sociaal gemotiveerd zijn.
    • De gevonden sekseverschillen in schoolloopbanen zijn moeilijker te interpreteren dan de sekseverschillen in prestaties en niet-cognitieve competenties. We stellen echter vast dat de jongens in vrijwel alle onderzochte opzichten die mede bepalend zijn voor het uiteindelijke onderwijs(eind)niveau, een minder gunstige schoolloopbaan doorlopen dan meisjes. Om te beginnen neemt een veel groter aandeel van hen deel aan vormen van speciaal onderwijs. Daarnaast blijkt dat jongens in het voortgezet onderwijs vaker dan meisjes doubleren, vaker deelnemen aan de lagere onderwijsniveaus, vaker uitstromen als voortijdig schoolverlater en afstromen naar een lager niveau. Bij al deze aspecten van de vo-schoolloopbaan lopen de sekse-verschillen zelden op tot meer dan een paar procent, maar in absolute aantallen gaat het daarmee toch om duizenden leerlingen.
    • Het voorafgaande beeld geldt voor jongens en meisjes als totale groep, maar vrijwel steeds ook voor de afzonderlijk onderscheiden sociaal-etnische groepen. Met andere woorden: de gehanteerde gegevens wijzen niet op enige vorm van interactie tussen sociaal-etnisch milieu en sekse die ertoe zou leiden dat bepaalde groepen jongens in het Nederlandse onderwijs systematisch een grotere achterstand op de meisjes hebben dan andere.
    • De bovenbeschreven situatie heeft betrekking op de huidige stand van zaken; er zijn echter weinig aanwijzingen gevonden dat deze sterk verschilt van de situatie van vijf tot tien jaar geleden. Er is dus geen sprake van dat in de laatste jaren in Nederland grote veranderingen zijn opgetreden in de onderwijspositie van jongens in vergelijking tot die van meisjes.