donderdag, april 07, 2011

771. Wraking rechtbank door vader wegens partijdigheid rechter en ontbrekende waarheidsvinding jeugdzorg- Partijdige rechter Schuurman van Rechtbank Zutphen gewraakt

Inleiding

Bureaus Jeugdzorg blijken in toenemende mate hun bevoegdheden te misbruiken:

  • Kinderen worden door Bureau Jeugdzorg al op eigen gezag uit huis geplaatst, noch voordat de rechter zich daarover heeft kunnen uitspreken. Er is hier sprake van Bureau Jeugdzorg als criminele kinderontvoerende instantie.
  • Als moeder de verzorging van de kinderen na een scheiding niet meer aan kan, dan wordt bij een uit huis plaatsing door Bureau Jeugdzorg de vader niet geconsulteerd en wordt er ook niet eens onderzocht of de kinderen in plaats van meteen naar een pleeggezin of een tehuis niet veel beter bij de vader of grootouders kunnen worden ondergebracht en opgevangen. Zie hiervoor bv. ook de ervaringen van vader Deon van Moorsel met Bureau Jeugdzorg Brabant. Een plaatsing in een tehuis of pleeggezin is voor Bureau Jeugdzorg door de perverterende financiële prikkels van de rijksoverheid nl. veel lucratiever.
  • En Bureaus Jeugdzorg misbruiken ook hun aanwijzingsbevoegdheid bij een OTS om de door de rechter beschikte zorg- of omgangsregeling van kinderen met hun vaders op eigen gezag en eenzijdig op aandrang van de moeder ofwel stop te zetten ofwel te bekorten. Hieronder vindt u hiervan een voorbeeld. Ook hier is sprake van Bureau Jeugdzorg als criminele kinderonttrekkende instantie.
In het onderhavige voorbeeld komt daar ook nog bij dat de betrokken rechter, mw. mr. M.J.H. Schuurman van de Rechtbank Zutphen, ter zitting de illegaliteit van de aanwijzing van Bureau Jeugdzorg aan vader tot eenzijdige stopzetting van de rechterlijke beschikking tot de zorgregeling voor vader onmiddelijk onderkent op protest van vader, maar dit verder zonder consequenties laat en ter zitting als adviseur naar Bureau Jeugdzorg optreedt en Bureau Jeugdzorg nog ter zitting adviseert om gewoon een nieuwe procedure te starten om de zorgregeling met vader achteraf even door de rechter aan te laten passen aan de door Bureau Jeugdzorg gegeven aanwijzing tot stopzetting van de eerder beschikte zorgregeling. Mw. mr. M.J.H. Schuurman treed niet alleen ter zitting als adviseur van procespartij Bureau Jeugdzorg op, maar neemt dit partijdige advies aan Bureau Jeugdzorg zelfs ook nog in haar beschikking op.

Een schandelijk voorbeeld van partijdige rechtspraak dus en een van de redenen voor de vader om deze rechter te wraken.

Peter Tromp
Vaderkenniscentrum



Update: Op dinsdagmiddag 19 april 2011 om 15.30 uur wees de wrakingskamer van de Rechtbank Zutphen bij monde van haar voorzitter, rechtbankpresident dhr. mr. J.B. de Groot, in haar uitspraak (zie hieronder) het wrakingsverzoek tegen de Zutphense rechter mw. mr. M.J.H. Schuurman af.

De argumentatie van de wrakingskamer onder voorzitterschap van rechtbankpresident De Groot tot afwijzing overtuigt echter geenszins.

Uitspraak Wrakingskamer

LJN: BQ1802, Rechtbank Zutphen , 121356 KG RK 11/248
Datum uitspraak: 19-04-2011
Datum publicatie: 19-04-2011
Rechtsgebied: Civiel overig
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie: Rechtbank wijst het verzoek tot wraking van rechter af.

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Meervoudige wrakingskamer

Rekestnummer: 121356 KG RK 11/248

Beslissing van 19 april 2011 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van:

[verzoeker],
wonende te [plaats, adres],
verzoeker,

strekkende tot wraking van:
[rechter],
rechter in deze rechtbank.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de wrakingsprocedure blijkt uit:
- het wrakingsverzoek d.d. 29 maart 2011, ingekomen bij de griffie van deze rechtbank op 4 april 2011;
- de schriftelijke aanvulling op het verzoek tot wraking d.d. 30 maart 2011 ingekomen bij de griffie van deze rechtbank op 4 april 2011;
- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken van 29 maart 2011, betreffende de behandeling ter terechtzitting in de zaak met zaaknummer 120028 JE RK 11/141.
- het schriftelijke verweer van [rechter] d.d. 11 april 2011;
- het proces-verbaal van de behandeling van het wrakingsverzoek ter terechtzitting van 12 april 2011, waarbij verzoeker aanwezig was.

2. Het wrakingsverzoek

Verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek, voor zover relevant, de volgende gronden ten grondslag gelegd.

2.1. Tijdens de zitting van 29 maart 2011 in de zaak met zaaknummer 120028 JE RK 11/141 heeft [rechter] verzoeker niet in de gelegenheid gesteld het woord te voeren. De pleitaantekeningen die verzoeker wilde overleggen werden door de rechter geweigerd. [rechter] had verzoeker in de gelegenheid moeten stellen zelf het woord te voeren en voor zijn zaak te pleiten.

2.2. Tijdens de zitting stond verzoeker tegen over een drietal tegenpartijen, waaronder de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg. [rechter] heeft tijdens de zitting het woord gegeven aan een niet-procespartij, namelijk de Raad voor de Kinderbescherming.

2.3. [rechter] heeft daarnaast juridisch advies verstrekt aan één proces-partij, namelijk Bureau Jeugdzorg. Dit is toerekenbaar laakbaar, omdat verzoeker, als de andere procespartij, geen advies kreeg, niet vertegenwoordigd was en als benadeelde partij was te kwalificeren. [rechter] had ook aan verzoeker juridisch advies moeten geven of zich moeten onthouden van advies aan Bureau Jeugdzorg.

2.4. Verder heeft verzoeker aangevoerd dat Bureau Jeugdzorg reeds op de dag van de zitting de uitspraak van de rechter heeft gecommuniceerd aan derden, terwijl de uitspraak pas zeven dagen na de zitting zou volgen. Bureau Jeugdzorg beschikte op de dag van de zitting dus al over de uitspraak, die pas een week later zou volgen.

2.5. Voor een verzoek van Bureau Jeugdzorg hanteert [rechter] ook een andere termijn voor het doen van uitspraak dan voor een verzoek van verzoeker. Voor het doen van de uitspraak in het beroep van verzoeker had [rechter] vier weken nodig, voor het beoordelen van het verzoek van Bureau Jeugdzorg had [rechter] slechts één week nodig.

2.6. Tot slot heeft verzoeker aangevoerd dat de uitspraken van Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming door [rechter] zonder enige toets voor waar, juist, volledig en tijdig worden aangenomen. De rechter heeft nagelaten om aan waarheidsvinding te doen.

2.7. Uit deze feiten of omstandigheden blijkt dat [rechter] een vooringenomenheid koestert jegens verzoeker.

3. Standpunt van [rechter]

[rechter] heeft het verzoek tot wraking gemotiveerd weersproken bij verweerschrift van 11 april 2011. Op hetgeen zij heeft aangevoerd zal hierna, indien van belang, nader worden teruggekomen.

4. Ontvankelijkheid

4.1. De wrakingskamer ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verzoeker in zijn verzoek tot wraking kan worden ontvangen.

4.2. Ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan op verzoek van een partij een rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt.

4.3. Uit de aard en het doel van wraking volgt dat een wraking betrekking moet hebben op een met name genoemde rechter. Door verzoeker is tijdens de behandeling van het verzoek tot wraking gesteld dat het verzoek niet enkel ziet op [rechter], maar dat zijn verzoek ook ziet op ‘de rechter als instituut’. Verzoeker heeft aangegeven dat hij hiermee doelt op de gehele gang van zaken in familierechtelijke kwesties, zoals de behandeling achter gesloten deuren, de wijze waarop Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek doen en hun rapporten opstellen en de rechter onjuist voorlichten. Gelet op de aard en het doel van wraking is het wraken van ‘de rechter als instituut’ niet mogelijk. Verzoeker zal in zoverre dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek tot wraking.

5. Beoordeling door de rechtbank

5.1. Ingevolge artikel 36 Rv kan op verzoek van een partij een rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14, eerste lid van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.3. Onderzocht moet worden of de door verzoeker aangevoerde gronden kunnen worden gekwalificeerd als een dergelijke uitzonderlijke omstandigheid. De wrakingskamer overweegt hiertoe het volgende.

5.4. Ter terechtzitting is het aan de rechter om de orde en de gang van zaken ter terechtzitting te bepalen en te handhaven. Het is aan de rechter om te bepalen op welke wijze een procespartij in de gelegenheid wordt gesteld het woord te voeren. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 maart 2011 blijkt dat verzoeker wel degelijk in de gelegenheid is gesteld het woord te voeren, zij het niet zoals verzoeker zelf voor ogen had. Uit de wijze waarop [rechter] verzoeker in de gelegenheid heeft gesteld het woord te voeren kan niet worden geconcludeerd dat het hem onmogelijk is gemaakt voor zijn zaak te pleiten. Het niet mogen overhandigen van zijn pleitnota doet hier niet aan af. Evenmin kan hier uit blijken dat [rechter] een vooringenomenheid koestert jegens verzoeker, dan wel dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees hiertoe objectief gerechtvaardigd is.

5.5. Het is de wrakingskamer niet gebleken dat Bureau Jeugdzorg reeds op de dag van de zitting de beschikking had over de uitspraak in de onderhavige zaak. Het was ook niet mogelijk dat Bureau Jeugdzorg over deze uitspraak beschikte, de uitspraak zou immers pas op 7 april 2011 worden gedaan en is, in verband met het onderhavinge wrakingsverzoek, tot op heden nog niet gedaan. De mededelingen die Bureau Jeugdzorg heeft gedaan aan derden over de - mogelijke - inhoud van de nog te volgen uitspraak zijn geheel voor rekening van Bureau Jeugdzorg en kunnen niet aan [rechter] worden toegerekend.

5.6. De stelling van verzoeker dat Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming ‘tegenpartijen’ zijn, berust op een onjuiste aanname van verzoeker. Op grond van het bepaalde in afdeling 3, titel 13 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet op de jeugdzorg, hebben de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg mede tot taak de rechter te adviseren. In zoverre kan - en mag - een rechter aan deze instanties advies vragen en kunnen zij ook tijdens een zitting het woord voeren. Het geven van het woord aan een van deze instanties is dan ook geen feit of omstandigheid waaruit zou kunnen blijken dat [rechter] een vooringenomenheid koestert jegens verzoeker, dan wel dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees hiertoe objectief gerechtvaardigd is.

5.7. Door verzoeker is gesteld dat [rechter] voor verzoeken van Bureau Jeugdzorg een andere termijn voor het doen van uitspraak hanteert dan ten aanzien van eisers verzoeken. De wrakingskamer is van oordeel dat uit het hanteren van verschillende termijnen, los van het feit dat deze termijnen wettelijk niet onjuist zijn, niet blijkt dat [rechter] jegens verzoeker vooringenomen is, dan wel dat de vrees hiertoe objectief gerechtvaardigd is.

5.8. Evenmin volgt de wrakingskamer verzoeker in zijn betoog dat [rechter] Bureau Jeugdzorg van advies heeft gediend en ten onrechte heeft nagelaten verzoeker te adviseren en hem - zo begrijpt de wrakingskamer – in bescherming te nemen tegen Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming. [rechter] heeft, zoals ook weergegeven in haar verweerschrift, niet meer gedaan dan bij beschikking van 18 januari 2011 te oordelen dat de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland niet de juiste procedure had gevolgd en een verzoekschrift bij de rechtbank in had moeten dienen. Dit betreft een inhoudelijke rechterlijke beslissing en geen advisering waaruit vooringenomenheid zou kunnen blijken.

5.9. Door verzoeker is tot slot gesteld dat de rechter de uitspraken van Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming zonder enige toets voor waar, juist, volledig en tijdig heeft aangenomen. Dat dit het geval is of zou zijn is de wrakingskamer niet gebleken: [rechter] heeft immers nog geen uitspraak gedaan in de onderhavige zaak en heeft zich in die zin nog niet uitgelaten over de waarde die zij hecht aan de uitspraken van deze instanties.

5.10. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat er, noch gelet op de afzonderlijke gronden, noch gelet op de gronden in hun onderlinge samenhang bezien, sprake is geweest van uitzonderlijke omstandigheden zoals onder 5.2 bedoeld. Het verzoek tot wraking van [rechter] zal dan ook in zoverre worden afgewezen.

6. Beslissing

De rechtbank:

6.1. verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking voor zover zijn wraking ziet op de rechter als instituut;

6.2. wijst het verzoek tot wraking [rechter] voor het overige af;

6.3. bepaalt dat de procedure, bij de rechtbank bekend onder zaaknummer 120028 JE RK 11/141, zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment dat het onderhavige wrakingsverzoek werd ingediend.

Deze beslissing is gegeven door mr. J.B. de Groot, voorzitter, mrs. C. Kleinrensink en Tj. Gerbranda, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2011 door de voorzitter, in aanwezigheid van mr. F.A. Demmers, griffier.

Mr. Kleinrensink is buiten staat deze beslissing te ondertekenen


Media-artikelen:

3. Rechtbank wijst verzoek tot wraking van familierechter af
Bron: Stentor - Apeldoorn - Regio - door Anne Boer - anneboer@destentor.nl - Reageren (2) - dinsdag 19 april 2011 | 16:00 | Laatst bijgewerkt op: dinsdag 19 april 2011 | 16:35

ZUTPHEN/APELDOORN - De rechtbank in Zutphen heeft het verzoek van een boze Apeldoornse vader om een familierechter in Zutphen te wraken, zojuist afgewezen.

Zie ook: Uitspraak Wrakingskamer

Volgens de wrakingskamer is de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

De vader heeft in zijn verzoek tot wraking gesteld dat hij niet enkel mikt op de familierechter die uitspraak moet doen in de zaak over de voogdij over zijn twee zonen, maar ook op de 'rechter als instituut'.

Volgens de wrakingskamer heeft de vader daarmee aangegeven dat hij doelt op de hele gang van zaken in familierechterlijke kwesties, zoals de behandeling achter gesloten deuren, de wijze waarop Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek doen en hun rapporten opstellen en de rechter onjuist voorlichten.

"Gelet op de aard en het doel van de wraking is het wraken van 'de rechter als instituut' niet mogelijk", luidt de conclusie.


2. Wrakingskamer hoort boze vader tweeling
Bron: Stentor - Regio - Apeldoorn - dinsdag 12 april 2011 | 17:53 | 17:55

APELDOORN - De wrakingskamer van de rechtbank in Zutphen is vanmiddag bijeen geweest om te luisteren naar de kritiek van een boze vader uit Apeldoorn.

De 45-jarige man wil dat een in zijn ogen partijdige rechter wordt vervangen. Deze rechter moet beslissen over het aantal dagen dat zijn twee zoontjes, die vandaag tien zijn geworden, bij hem mogen wonen. De wrakingskamer doet 19 april uitspraak.


1. Boze Apeldoornse vader wraakt familierechter in
Bron: Stentor - Regio - Apeldoorn - Zutphen - door Anne Boer. donderdag 07 april 2011 | 18:24

APELDOORN/ZUPTHEN - Een familierechter van de rechtbank in Zutphen is gewraakt door een boze 45-jarige vader uit Apeldoorn. De man -oud-medewerker van justitie - beticht de rechter van vooringenomenheid. Hij wil een nieuwe zitting met een andere rechter.

De wrakingskamer komt maandag of dinsdag bijeen om te beslissen over het verzoek. Vorig jaar werden er 13 wrakingsverzoeken ingediend bij de rechtbank in Zutphen. Een daarvan is toegewezen.

Deze zaak is de nasleep van een echtscheiding en draait om het aantal dagen dat twee kinderen aan de zorg van de vader zijn toevertrouwd.

Jeugdzorg wil het aantal dagen bij vader verminderen van zeven tot twee per veertien dagen omdat dit beter zou zijn voor de kinderen.

In eerste instantie werd die maatregel via een schriftelijke aanwijzing opgelegd door Bureau Jeugdzorg, waarop de vader naar de rechter stapte.

Die besliste dat jeugdzorg zo'n maatregel niet zo kan opleggen en adviseerde het via de familierechter te doen. Dat leidde tot een zaak die op 29 maart in Zutphen diende. Daar ging het volgens de vader helemaal mis. "Zoals veel vaders overkomt, ben ik buitenspel gezet." Hij verwijt de rechter dat deze de andere partij heeft geadviseerd een rechtszaak aan te spannen en dat hij tijdens de zitting monddood is gemaakt. "Ik mocht het woord niet voeren en zelfs mijn pleitnotitie niet inleveren omdat ik een advocaat bij me had."

Volgens de man heeft een gezinsvoogd kort na de zitting al tegen de kinderen gezegd dat ze voortaan minder vaak naar hun vader mogen. De Apeldoorner ziet in het wrakingsverzoek een laatste kans het tij te keren. "Mijn kinderen en mij wordt groot onrecht aangedaan."

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen