zondag, maart 02, 2008

63. Afstudeerproject ‘Omgangs(on)recht’

Door: Finfola Planting en Daniëla Jakobs
Sociaal Juridische Dienstverlening
- HanzeHogeschool Groningen
Begeleidster: Graciëla Emerencia
Inleverdatum: 17 mei 2004.

Inhoudsopgave
Samenvatting 3
Inleiding 5
Hoofdstuk 1 - De geschiedenis van het omgangsrecht 7
§ 1.1 Gezag 9
Hoofdstuk 2 - Nationale en internationale wetgeving 10
§ 2.1 Nationale wetgeving 10
§ 2.2 Internationale wetgeving 12
Hoofdstuk 3 - Mogelijke problemen bij het uitoefenen van het omgangsrecht 15
§ 3.1 Ontzegging van de omgangsregeling 15
§ 3.2 Frustratie van de omgangsregeling 16
§ 3.3 Bemiddeling in echtscheidingszaken 17
§ 3.4 Begeleide OmgangsRegeling (BOR) 19
Hoofdstuk 4 - De raad voor de kinderbescherming 22
§ 4.1 Taken van de Raad voor de Kinderbescherming 22
§ 4.2 De werkwijze van de Raad voor de Kinderbescherming 23
§ 4.3 De rol van de Raad voor de Kinderbescherming in omgangszaken 23
§ 4.4 Verschillende meningen over de Raad voor de Kinderbescherming 24
§ 4.5 Enkele ‘minpunten’ van de Raad voor de Kinderbescherming 24
§ 4.6 Suggesties voor de verbetering van de Raad voor de Kinderbescherming 26
§ 4.7 Schrijnende gevallen 27
§4.7.1 De zaak Paulus 30
Hoofdstuk 5 - Het ouderverstotingssyndroom 32
Hoofdstuk 6 - De standpunten van de politieke partijen 34
§ 6.1 De PVDA 34
§ 6.2 Het CDA 34
§ 6.3 D’ 66 34
§ 6.4 De VVD 35
§ 6.5 GroenLinks 35
Hoofdstuk 7 - Mogelijke oplossingen 36
Conclusie 38
Dankwoord 42
Literatuurlijst 43
Bijlage 1 44
Bijlage 2 49

Samenvatting
In dit afstudeerproject geven wij een uiteenzetting over het huidige Nederlandse omgangsrecht. Om tot een goed beeld te komen beginnen wij met een weergave van de geschiedenis van dit omgangsrecht, vroeger ‘bezoekrecht’ geheten. Ook komt hierbij het ouderlijk gezag aan bod omdat dit een belangrijke rol speelt in het omgangsrecht van zowel het verleden als het heden. Hierbij hebben wij ervoor gekozen de geschiedenis van 1900 tot en met heden te beschrijven.
Na de behandeling van de geschiedenis van het omgangsrecht komt de huidige nationale en internationale wet- en regelgeving aan bod. Hierin worden de artikelen beschreven en zonodig in voor een ieder duidelijk Nederlands weergegeven.
Nadat door de voorgaande hoofdstukken duidelijk is geworden hoe het huidige omgangsrecht in elkaar steekt, bespreken we de problemen die zich bij de uitoefening van het omgangsrecht voor kunnen doen wanneer ouders het niet met elkaar eens zijn over de (vast te stellen, dan wel na te leven) omgangsregeling. Hierbij wordt besproken wat de mogelijkheden zijn om dit op te lossen, hetzij via een procedure, hetzij via bemiddeling. Ook komt aan bod wat de mogelijkheden zijn wanneer de verzorgende ouder de omgang van het kind met de niet-verzorgende ouder frustreert, zoals het inroepen van de politie, het aanspannen van een kort geding, het kind onder toezicht laten stellen, paradoxale toewijzing van het kind, lijfsdwang en het laten plaatsvinden van de omgang in een BegeleideOmgangsRegeling-huis (BOR huis).
Omdat de Raad voor de Kinderbescherming een erg grote rol speelt binnen het Nederlandse omgangsrecht hebben wij aan deze instantie ook een hoofdstuk gewijd. In dit hoofdstuk komen de taken, de werkwijze, de minpunten en de rol in omgangszaken van de Raad voor de Kinderbescherming aan bod. Ook geven wij een aantal meningen van verschillende personen over de Raad voor de Kinderbescherming weer, alsmede de suggesties voor verbetering van de werkwijze van de Raad voor de Kinderbescherming, gevolgde door een aantal schrijnende gevallen waarbij ook een waargebeurde zaak wordt besproken.
Wanneer een kind door problemen tussen de ouders met een van hen geen contact meer heeft kan dit schadelijk zijn voor het kind. In een aantal van deze gevallen is er sprake van het ‘ouderverstotingssyndroom’. In een hoofdstuk aan dit onderwerp gewijd geven wij een beschrijving van wat de term ouderverstotingssyndroom (ook wel Parental Alienation Syndrome (PAS) geheten) inhoudt en wat dit voor gevolgen kan hebben voor (de ontwikkeling van) het kind.
Omdat de wetgeving door de overheid wordt gemaakt, hebben wij ook een weergave van de standpunten van de politieke partijen gegeven, waarin deze aangeven wat zij van het huidige omgangsrecht vinden en wat zij daar aan willen veranderen.
Aan het einde van dit afstudeerproject geven wij een overzicht van de verschillende aangedragen oplossingen voor de problemen omtrent het omgangsrecht die wij gevonden hebben in de literatuur en de media, alsmede welke zijn aangedragen door de mensen die wij hebben geïnterviewd en geënquêteerd. Dit wordt gevolgd door de door ons getrokken conclusie met daarin een uiteenzetting van de meningen die wij tijdens het werken aan dit afstudeerproject hebben gevormd.



Inleiding
Elk uur verliest één kind de omgang met de vader. Volgens recente gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek verliezen ongeveer 11.000 minderjarige kinderen per jaar het contact met een van de ouders na echtscheiding. Omgerekend komt dat neer op 27 kinderen per dag, waarvan 25 kinderen het contact met vader verliezen en 2 kinderen het contact met de moeder.
Het onderwerp waarover dit afstudeerproject gaat, is aangedragen door de stagebegeleidster van Finfola, mevrouw mr. I. Wagenaar. Het omgangsrecht heeft onze interesse gewekt tijdens onze stages. Daniëla heeft stage gelopen bij Advocatenkantoor Pluijter en Finfola heeft stage gelopen bij Advocatenkantoor Wagenaar. Beide advocatenkantoren zijn gespecialiseerd in het personen- en familierecht, waardoor wij regelmatig werden geconfronteerd met (de problemen omtrent) het omgangsrecht. Ook wordt er in de media en de politiek regelmatig over dit onderwerp gediscussieerd. Dit was voor ons de reden om dit onderwerp te kiezen.
In dit afstudeerproject zullen we een uiteenzetting geven van de manier waarop momenteel het omgangsrecht ten uitvoer wordt gebracht. We zullen alle mogelijkheden bekijken die er zijn om een omgangsregeling tot stand te brengen. Hierbij kan gedacht worden aan het onderling door de ouders vast stellen hiervan, bemiddeling door een echtscheidingsbemiddelaar of mediator of het uiterste middel, de procedure bij de Rechtbank.
Omdat situaties kunnen verschillen wanneer de ouders van het kind al dan niet getrouwd zijn geweest of een geregistreerd partnerschap hebben gehad, hebben wij ons afstudeerproject beperkt tot het recht op omgang van de niet-verzorgende ouder met het kind na een huwelijk.
Voor het vergaren van informatie hebben wij gebruik gemaakt van de literatuur over dit onderwerp, het internet en de verscheidene interviews en de enquête die wij hebben gehouden onder ervaringsdeskundigen. Aan de hand van deze informatie hebben we de voor- en nadelen van het huidige omgangsrecht behandeld.
De vraag die wij aan het einde van dit project beantwoord wensen te zien is de volgende:
"Voldoen de huidige artikelen die het recht op omgang regelen nog aan de eisen die de hedendaagse maatschappij daaraan stelt?"

Het antwoord op deze vraag zullen wij geven in de conclusie aan het eind van dit verslag.
In april 2004 zijn er politieke ontwikkelingen op het gebied van het omgangsrecht. Minister Donner van Justitie doet een aantal voorstellen, te weten:
  • Het verbieden van een flitsscheiding en
  • Het stellen van een aantal eisen aan het inleidende verzoekschrift tot echtscheiding, zodat gestimuleerd wordt dat er vooraf goede afspraken worden gemaakt (met betrekking tot de kinderen).
Ook is door De Horizon een wetenschappelijke methode ontwikkeld, genaamd ‘Omgang zonder Verlies’ , die gescheiden ouders moet helpen weer een omgangsregeling te treffen tussen hun kind en de niet-verzorgende ouder. Centraal in de methode staat dat beide ouders worden begeleid en dat de ontmoetingen op neutraal terrein in de zogeheten omgangshuizen plaatsvinden. In de eerste gesprekken met de ouders wordt geprobeerd het negatieve beeld dat ze vaak van elkaar hebben bij te stellen. Het gaat erom dat de spanning afneemt zodat er ruimte is om het kind te geven wat het uiteindelijk nodig heeft, aldus directeur H. du Prie van De Horizon.
Deze ontwikkelingen hebben wij niet meegenomen in dit afstudeerproject omdat deze reeds was afgesloten.
Waar in dit verslag de woorden hij, hem of zijn worden gebruikt kan tevens zij of haar gelezen worden. Wij wensen u veel plezier bij het lezen van dit verslag.
Finfola Planting en Daniëla Jakobs.


Hoofdstuk 1: De geschiedenis van het omgangsrecht.
Het huidige omgangsrecht wordt sinds 2 november 1995 geregeld door de artikelen 1:377a BW tot en met 1:377h BW, titel 15 boek 1 BW, welke nader zullen worden besproken in hoofdstuk 2. Deze artikelen hadden verschillende voorgangers.
Sedert de negentiende eeuw is er sprake van overheidsbemoeienis terzake van de opvoeding van kinderen, maar deze bemoeienis beperkte zich tot het ingrijpen bij gevallen waar sprake was van fysieke mishandeling en overbelasting van kinderen. De wet die dit mogelijk maakte was de ‘Kinderwet van Van Houten’. In 1901 werd voornoemde kinderwet herzien. Deze herziening leidde tot de Kinderwetten van 1901, welke in werking traden in 1905. Een grote verandering die deze wetten met zich meebrachten was dat na een echtscheiding een van de ouders tot voogd over de kinderen moest worden benoemd. De ouder die niet als voogd benoemd werd, werd dus uit het ouderlijk gezag gezet. Hiermee begon ‘de eeuw van het eenhoofdige gezag’ die tot 1998 zou duren. Over deze wet werd veel gediscussieerd en werd een ‘alles of niets-constructie’ genoemd omdat de ene ouder alles (de voogdij) kreeg en de andere ouder niets. Bij het ontwikkelen van deze wet is er wel voor gepleit dat de ouder-niet-voogd tenminste het recht gegeven zou moeten worden het kind op bepaalde tijden te zien en dat deze ouder verzekerd zou moeten zijn van enige invloed op de opvoeding van het kind. Uiteindelijk is bepaald dat het aan de verantwoordelijkheid van de ouder-voogd over gelaten werd of en wanneer de ouder-niet-voogd contact heeft met zijn kind.
Sedert 1905 worden er discussies gevoerd over het bezoekrecht, ook wel ‘droit de visite’ genoemd. Bij herhaling is ervoor gepleit dat dit wettelijk geregeld zou worden, maar tegenstanders hiervan ontraadden dit met kracht. De belangrijkste vraag werd na 1905 of de rechter desgevraagd een bezoekregeling (omgangsregeling) kon vaststellen. Een poging van een lagere rechter om op dit punt ruimte te scheppen voor de ouder-niet-voogd en zijn kind(eren) werd door de Hoge Raad ongedaan gemaakt. Net als de uitspraak van de rechtbank `s Gravenhage en de bevestiging ervan door het gerechtshof aldaar, waarin werd bepaald dat de moeder met de ouderlijke macht over het kind werd belast en de vader het recht werd toegekend het kind jaarlijks gedurende vier weken bij zich te hebben. Een latere poging slaagde wel, de rechtbank Groningen wijzigde desgevraagd de voogdijbeschikking door deze aan te vullen met een omgangsregeling inhoudende dat de kinderen jaarlijks 2 maal 10 dagen bij hun ouders zouden verblijven; het betrof in casu kinderen die deels onder de voogdij van de vader en deels onder de voogdij van de moeder stonden. De beslissing bleef overigens slechts in stand omdat de moeder de appèltermijn had overschreden.
In 1970 begon het aantal echtscheidingen drastisch toe te nemen Deze toename was vooral het gevolg van de verzelfstandiging van de economische positie van vrouwen. Vrouwen gingen zich meer oriënteren op hun ontplooiing, zonder evenwel het exclusieve recht op de zorg voor de kinderen, welke zij in het verleden hadden ontwikkeld door altijd thuis te zijn en voor deze kinderen te zorgen, op te willen geven. Tijdens deze feministische golf werden ook kinderen betrokken bij dit bevrijdingsideaal van vrouwen. De ontstane vrouwenbeweging beschouwde de gezinssituatie als de omgeving bij uitstek waarbinnen de onderdrukking van de vrouw plaatsvond cq. de reproductie van de arbeidskracht van de man plaatsvond over de rug van zijn vrouw. In de jaren zeventig had de vrouwenbeweging de overtuiging dat vaders er slechts op uit waren macht uit te oefenen. Vaders die omgangsrecht vroegen waren in de ogen van de vrouwenbeweging bezig een deel van hun macht te consolideren, terwijl het die vaders in werkelijkheid uiteraard ging om de voortgezette relatie met hun kinderen.
Sedert 1971 werd het mogelijk een omgangregeling te treffen op grond van artikel 1:161 lid 5 boek 1 BW. De minister werd voor deze wet geadviseerd omgang als wederzijds recht in te voeren, maar deze is onder de druk van de vrouwenbeweging blijven steken bij een "voorlopige" beperkte regeling.
In 1981 nam de Tweede Kamer een wetsvoorstel aan waarin kind en ouder wederzijdse bevoegdheid tot omgang verkregen. De minister repte over de "...alles of niets constructie waardoor de ene ouder alles en de andere ouder niets krijgt". Hij kondigde toen aan dat de "tirannie" van deze constructie zou worden afgeschaft. Maar zelfs tegen de beperkte wetswijziging rees georganiseerd verzet vanuit de vrouwenbeweging die een demonstratie op touw zette waarmee het wetsvoorstel voor lange tijd door de Eerste Kamer werd opgehouden en uiteindelijk in 1985 werd afgeblazen.
Pas in 1990 werd het recht op omgang vastgelegd, maar onder inmiddels zeer beperkte condities waarbij vooral de "zwaarwegende belangen van het kind" een makkelijk middel bleken om omgang af te wijzen.
De vervanging van de wetten van 1971 en 1990, werd geregeld bij de nu nog steeds geldende wet van 6 april 1995, ingevoerd op 2 november 1995. Artikel 1:161 lid 5 BW en artikel 1:162 BW werden vervangen door Titel 15 van Boek 1 BW, genaamd ‘Omgang en Informatie’, bestaande uit de artikelen 1:377a BW tot en met 1:377h BW.
§ 1.1 Gezag
Bij omgang met minderjarige kinderen is het ouderlijk gezag een belangrijk punt. Soms heeft één ouder het gezag en soms hebben de ouders samen het gezag. Ook dit ouderlijk gezag heeft in de afgelopen eeuw een grote verandering ondergaan.
Vanaf 1901 werd bij scheiding één van de ouders uit het gezag gezet. In feite begint daarmee 'de eeuw van het eenhoofdige gezag' die tot 1998 zou duren. Op 21 maart 1986 deed de Hoge Raad een serie uitspraken die het mogelijk maakten dat ook buiten en na het huwelijk gezamenlijk gezag over kinderen mogelijk was. Deze arresten zijn de geschiedenis ingegaan als de "Lentearresten". Deze arresten hadden tot gevolg dat ouders zonder huwelijk dan wel na hun huwelijk gezamenlijk gezag over hun kinderen konden uitoefenen. In 1992 is deze jurisprudentie "gecodificeerd", dat wil zeggen vastgelegd in wetgeving.
Vrij plotseling kwam de regering in 1996 met een nieuw wetsvoorstel waarmee gezamenlijk gezag na huwelijk de nieuwe standaard zou worden. In januari 1998 werd deze wet van kracht die het gezamenlijk gezag voortaan ook als vanzelfsprekend uitgangspunt zou hanteren. Hiermee werd het einde aan de eeuw van het eenhoofdige gezag ingeluid. Tevens werd bepaald dat de niet-gezagsouder recht heeft op informatie over het kind van derden (dit zijn personen die met het kind te maken hebben, bijvoorbeeld oma en opa of de school waar het kind op zit).


Hoofdstuk 2: Nationale en internationale wetgeving

§2.1 Nationale wetgeving
In Nederland is het omgangsrecht geregeld titel 15 van het Burgerlijk Wetboek, Omgang en Informatie, dit zijn de artikelen 1:377a tot en met h.
In de artikelen is het volgende geregeld:
Artikel 1:377a BW:
Het kind en de niet met het gezag belaste ouder recht hebben op omgang met elkaar.
De rechter stelt op het verzoek van de ouders, of een van hen, een omgangsregeling vast, of ontzegt juist het recht op omgang, beiden al dan niet voor bepaalde tijd.
Het artikel geeft vier ontzeggingsgronden, te weten:
  • wanneer omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind,
  • wanneer de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet is staat moet worden geacht tot omgang,
  • wanneer het kind twaalf jaar of ouder is en bij verhoor ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken en
  • wanneer omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Dat de rechtbank bevoegd is tot kennisneming van de door (één van) de ouders gedane verzoeken, maar wanneer een procedure inzake gezagstoewijzing bij de kantonrechter aanhangig is, kan het verzoek tot het vaststellen van een omgangregeling ook bij de kantonrechter worden gedaan.
Artikel 1:377b BW:
De gezaghebbende ouder moet de ouder die geen gezag heeft op de hoogte stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot het kind en zijn vermogen en dient die ouder te raadplegen (eventueel met tussenkomst van derden) over de daaromtrent te nemen beslissingen. De rechter kan op verzoek hieromtrent een regeling vaststellen.
Wanneer het in het belang van het kind is kan de rechter op verzoek van de gezaghebbende ouder, maar ook ambtshalve, bepalen dat het hiervoor genoemde buiten toepassing blijft.
Artikel 1:377a lid 4 en 1:377eBW zijn van overeenkomstige toepassing. (hiermee wordt bedoeld dat de rechtbank bevoegd is van het verzoek van (één van) de ouders kennis te nemen dan wel de genomen beslissing of de onderling tussen de ouders vastgestelde omgangsregeling, te wijzigen wanneer er sprake is van gewijzigde omstandigheden of wanneer bij het nemen van de beslissing uit is gegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. Hier geldt dus ook dat wanneer een gezagsprocedure bij de kantonrechter aanhangig is, het verzoek ook aan de kantonrechter kan worden gedaan. Wanneer de te wijzigen beslissing is genomen door de kantonrechter, moet wanneer dit gewenst is, deze ook verzocht worden deze te wijzigen.)
Artikel 1:377c BW:
De niet met het gezag belaste ouder wordt desgevraagd door derden die beroepshalve beschikken over informatie inzake belangrijke feiten en omstandigheden met betrekking tot het kind en diens verzorging en opvoeding op de hoogte gesteld, tenzij die derde de informatie niet op gelijke wijze zou verschaffen aan degene die met het gezag is belast, of bij wie het kind zijn woon- en verblijfplaats heeft, of wanneer het belang van het kind zich tegen het verschaffen van informatie verzet.
Wanneer de informatie wordt geweigerd kan de rechter op verzoek van de niet met het gezag belaste ouder bepalen dat de informatie op de door hem aan te geven wijze moet worden verstrekt. De rechter wijst het verzoek af wanneer het belang van het kind zich tegen het verschaffen van de informatie verzet.
Ook hier is artikel 1:377a lid 4 BW van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1:377d BW:
De uitoefening van het recht op omgang begint zodra de desbetreffende beschikking in kracht van gewijsde is gegaan (wanneer de beroepstermijn is verstreken) of, wanneer de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden.
De uitoefening van het recht op omgang begint, indien er tevens een beschikking inzake het gezag is of wordt gegeven, niet eerder dan het tijdstip waarop voor de andere ouder of voogd het gezag is begonnen.
Artikel 1:377e BW:
De rechtbank kan op verzoek van (één van) de ouders een beslissing inzake de omgang, dan wel een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen wanneer de omstandigheden nadien zijn gewijzigd, of wanneer bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Wanneer de te wijzigen beslissing is genomen door de kantonrechter, dient het verzoek ook aan de kantonrechter gericht te worden. (zie ook toelichting bij artikel 1:377b BW.)
Artikel 1:377f BW:
De rechtbank kan op verzoek een omgangsregeling vaststellen tussen het kind en een persoon die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind. Dit verzoek wordt afgewezen als het belang van het kind zich tegen de gewenste omgangsregeling verzet, of wanneer het kind ouder is dan twaalf jaar en bezwaar maakt.
De artikelen 1:377a lid 4, 1:377d en 1:377e BW zijn van overeenkomstige toepassing. (Zie hiervoor de toelichting bij artikel 1:377b. Tevens houdt dit in dat ook in dit geval de uitoefening van het recht op omgang pas begint wanneer de desbetreffende beschikking in kracht van gewijsde is gegaan (wanneer de beroepstermijn is verstreken) of, wanneer de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden. De uitoefening van het recht op omgang begint, indien er tevens een beschikking inzake het gezag is of wordt gegeven, ook in dit geval niet eerder dan het tijdstip waarop voor ouder of voogd het gezag is begonnen.)
Artikel 1:377g BW:
Wanneer het kind, ouder als twaalf jaar, hierop prijs stelt, kan de rechter ambtshalve een beslissing, gegeven op de voet van artikel 1:377a, 1:377b, 1:377e of 1377f BW, wijzigen. Dit geldt ook wanneer het kind de leeftijd van 12 jaar nog niet heeft bereikt, maar wel in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen in de zaak.
Artikel 1:377h BW:
Wanneer de ouders gezamenlijk met het gezag over hun kind zijn belast kan de rechter op verzoek van (één van) de ouders een omgangsregeling vaststellen tussen het kind en de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft of een regeling vaststellen inzake het verschaffen van informatie aan en raadplegen van die ouder.
De artikelen 1:377a, 1:377e en 1:377g BW zijn van overeenkomstige toepassing. (Zie hiervoor de toelichting bij artikel 1:377b en de beschrijving van artikel 1:377g BW.)
§2.2 Internationale regelgeving
Behalve de Nederlandse wetgeving is ook internationale regelgeving van belang bij het omgangsrecht. Van groot belang is artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In dit artikel is het volgende geregeld:
Artikel 8 EVRM:
Iedereen heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en correspondentie.
Het openbaar gezag mag zich niet mengen in de uitoefening van dit recht, behalve in de gevallen waarvoor dit wettelijk is toegestaan en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Uit dit artikel valt af te leiden dat de niet- verzorgende ouder recht heeft op eerbiediging van zijn familie- en gezinsleven met zijn kind, ook wel family-life genoemd, dit geldt uiteraard ook voor het kind met zijn ouder.
Tevens is een ander verdrag van groot belang in het omgangsrecht, het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). Vooral de artikelen 7 en 9 zijn van belang. Voornoemde artikelen regelen het volgende.
Artikel 7 IVRK:
Het kind dient onmiddellijk na de geboorte te worden ingeschreven.
Het kind heeft na de geboorte recht op een naam.
Het kind heeft na de geboorte het recht een nationaliteit te verwerven.
Het kind heeft na de geboorte, voor zover mogelijk, het recht zijn ouders te kennen en door hen te worden verzorgd.
De staten die partij zijn bij dit verdrag waarborgen de verwezenlijking van deze rechten in overeenstemming met hun nationale recht en hun verplichtingen krachtens de desbetreffende internationale akten op dit gebied, in het bijzonder wanneer het kind anders staatloos zou zijn.
Artikel 9 IVRK:
De staten die partij zijn bij dit verdrag dienen te waarborgen dat een kind niet wordt gescheiden van zijn of haar ouders tegen hun wil, tenzij de bevoegde autoriteiten, onder voorbehoud van de mogelijkheid van rechterlijke toetsing, in overeenstemming met het toepasselijke recht en de toepasselijke procedures, beslissen dat deze scheiding noodzakelijk is in het belang van het kind. Een dergelijke beslissing kan noodzakelijk zijn in een bepaalde gevallen, bijvoorbeeld:
  • wanneer er sprake is van misbruik van het kind door de ouders,
  • wanneer er sprake is van verwaarlozing van het kind door de ouders of
  • wanneer de ouders gescheiden leven en er een beslissing moet worden genomen over de verblijfplaats van het kind.
In procedures als voornoemd, dienen alle betrokken partijen de gelegenheid te krijgen aan de procedures deel te nemen en hun standpunten naar voren te brengen.
De staten die partij zijn bij dit verdrag dienen het recht van het kind dat van één of beide ouders gescheiden is, op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen en rechtstreeks contact met beide ouders te onderhouden, te eerbiedigen, tenzij dit in strijd is met het belang van het kind.
Wanneer een scheiding als voornoemd voortvloeit uit een maatregel genomen door een staat die partij is bij zit verdrag, bijvoorbeeld door inhechtenisneming, gevangenneming, verbanning, deportatie of een maatregel die het overlijden ten gevolgen heeft (inclusief het overlijden, door welke oorzaak dan ook, terwijl de betrokkene door de staat in bewaring wordt gehouden) van een van de ouders of van het kind, verstrekt de staat, op verzoek, aan de ouders, aan het kind of indien van toepassing aan een ander familielid van het kind, de noodzakelijke inlichtingen over waar het/de afwezige lid/leden van het gezin zich bevindt/bevinden, tenzij het welzijn van het kind hierdoor wordt geschaad. De staat dient te waarborgen dat het indienen van een dergelijk verzoek geen nadelige gevolgen heeft voor de betrokkenen.


Hoofdstuk 3: Mogelijke problemen bij de uitoefening van het omgangsrecht.
Bij de scheiding van ouders wordt vastgesteld wie het gezag over de kinderen krijgt (in principe behouden beide ouders het gezag over de kinderen, het gezamenlijk gezag) en bij wie het kind thuis zal komen te wonen. De ouder bij wie het kind niet woont heeft dan recht op een omgangsregeling. Het is mogelijk dat de ouders onderling afspraken maken over de omgangsregeling maar het is ook mogelijk dit formeel te laten vastleggen door een notariële akte of een vonnis van de Rechtbank.
Helaas zijn de ouders het niet altijd met elkaar eens over hoe het nu verder moet met hun kinderen. Wanneer zo’n situatie zich voordoet zijn er twee verschillende wegen om te bewandelen, te weten:
Bemiddeling
Dit houdt in dat de ouders onder begeleiding van een deskundige gaan zoeken naar oplossingen waar zij zich beiden mee kunnen verenigen. Zo’n deskundige kan een advocaat, mediator of een erkend bemiddelaar uit de welzijnssector zijn. Dit onderwerp zal nader uiteen gezet worden in paragraaf 3.2.
Procedure
In dit geval zal het geschil van de ouders op het verzoek van (één van de) ouders aan de rechter worden voorgelegd. De rechter zal dan, regelmatig op basis van een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, oordelen hoe de omgangsregeling er uit zal komen te zien.
§3.1 Ontzegging van de omgangsregeling
Wanneer het zover komt dat er een procedure gevoerd zal worden bepaalt de rechter dus óf en met welke frequentie er omgang zou plaatsvinden. Hierbij is het dus ook mogelijk dat de omgangsregeling ontzegd wordt. Veelal is dit ‘in het belang van het kind’. Er bestaat bij veel mensen het misverstand dat wanneer ouders gezamenlijk het gezag hebben dat het dan niet mogelijk is een omgangsregeling te ontzeggen. Helaas berust dit op een misverstand omdat er ook al is er sprake van gezamenlijk gezag, er kunnen redenen zijn – die in het belang van het kind zijn – om geen omgangsregeling vast te stellen. Helaas is gebleken dat een kwaadwillende verzorgende ouder met dit begrip ‘in het belang van het kind’ een sterk wapen is gegeven. Er bestaan verzorgende ouders die ten koste van alles willen voorkomen dat de andere ouder nog contact heeft met hun beider kind(eren), deze ouders uiten onware beschuldigingen aan het adres van de niet-verzorgende ouder. Dit kan verschillende gevolgen hebben, bijvoorbeeld enorme spanningen bij ontmoetingen tussen die niet-verzorgende ouder en het kind. In sommige gevallen wordt dan een omgangsregeling ontzegd omdat de voornoemde spanningen niet in het belang van het zouden zijn.
§3.2 Frustratie van de omgangsregeling
In een groot deel van de gevallen, ongeveer 40 procent, ziet het kind na de scheiding een van beide ouders niet meer. Vaak zijn er dan problemen ontstaan bij de naleving van de afgesproken of door de rechter bepaalde omgangsregeling. Hierbij valt te denken aan een verzorgende ouder die weigert het kind af te geven aan de niet- verzorgende ouder, of juist een niet-verzorgende ouder die zich niet aan de afspraken houdt. Voor ons afstudeerproject is het geval waar de verzorgende ouder de omgangsregeling belemmert van belang dus zullen wij daar nader op ingaan.
Er zijn verschillende mogelijkheden om te proberen de nakoming van de omgangsregeling te bewerkstelligen zoals:
Het inschakelen van de politie:
Wanneer een omgangsregeling niet wordt nagekomen kan ingevolge artikel 3:299 BW de hulp van de sterke arm worden ingeroepen. De ouder die recht op omgang heeft kan dan de deurwaarder of de politie inschakelen. De politie kan vragen of de ouder wil meewerken aan het uit huis halen van het kind. Toch is men hiermee terughoudend omdat men een politiebezoek aan de deur van de verzorgende ouder voor het kind te traumatisch achten.
De dwangsom:
Wanneer de verzorgende ouder weigert de omgangsregeling na te komen kan de niet-verzorgende ouder een kort geding aanspannen en een dwangsom eisen voor elke keer dat niet aan de omgangsregeling wordt meegewerkt. Dat de rechter in familiezaken een dwangsom op kan leggen blijkt uit het arrest van 11 mei 1982 van het Benelux Gerechtshof. Een dwangsom wordt door een aantal rechterlijke instanties nogal eens opgelegd. Helaas helpt dit niet altijd omdat er sommige ouders zijn die liever betalen dan dat ze de omgangsregeling nakomen. Ook is het nogal eens het geval dat de benadeelde ouder de dwangsommen niet wil innen omdat hij of zij bang is dat het kind hiermee te kort wordt gedaan. Door het betalen van de dwangsom kan namelijk de levensstandaard van het gezin waarin het kind leeft omlaag gaan. Financieel gezien gaat ook het kind er dan op achteruit. Hierbij kan men zich afvragen waarom die ouder dan eigenlijk een dwangsom aan de Voorzieningenrechter heeft gevraagd.
Ondertoezichtstelling:
Ondertoezichtstelling (OTS) is een kinderbeschermingsmaatregel. Wanneer het kind zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid worden bedreigd kan de kinderrechter het kind onder toezicht stellen van een gezinsvoogdij-instelling. De raad voor de kinderbescherming geeft hiervoor advies. Wanneer het frustreren van de omgangsregeling tegen de belagen van het kind ingaat kan de maatregel OTS worden opgelegd. Het kind wordt dan onder toezicht van de gezinsvoogdij-instelling gesteld. Deze houdt dan contact met de ouder die het kind verzorgt en zal proberen een omgangsregeling op gang te brengen. Aan het opleggen van een omgangsOTS worden hoge eisen gesteld wat als gevolg heeft dat het waarschijnlijk nauwelijks nog zal worden toegepast.
Paradoxale toewijzing:
Wanneer de verzorgende ouder de andere ouder het contact met de kinderen onthoudt en het opvoedingspatroon bij de verzorgende ouder ernstig is verstoord kan dat een reden zijn voor paradoxale toewijzing. Dat wil zeggen dat in die gevallen dat de verzorgende ouder zijn of haar taken niet goed vervult kan de verblijfplaats van het kind worden gewijzigd en wordt het kind ondergebracht bij de andere ouder. Uiteraard alleen wanneer deze andere ouder ruimte en tijd heeft het kind te verzorgen en huisvesten. Dit is een zeer ingrijpende maatregel omdat het kind dan uit zijn vertrouwde omgeving wordt weggehaald.
Lijfsdwang:
Wanneer is gebleken dat andere middelen als een dwangsom niet blijken te werken kan eventueel lijfsdwang of gijzeling worden opgelegd. Lijfsdwang wordt zeer weinig toegepast omdat dit niet in het belang van het kind is, maar wanneer de verzorgende ouder herhaaldelijk niet meewerkt aan een omgangsregeling, en rechterlijke uitspraken niet nakomt, kan toch lijfsdwang worden opgelegd.
In verschillende landen, zoals België, Engeland, Frankrijk en Canada wordt als ultieme sanctie voor het niet nakomen van een omgangsregeling de gevangenisstraf gebruikt. In Nederland is dit nog niet mogelijk. Wel is er in ons land al enige tijd een discussie gaande over het wel of niet onderbrengen van het omgangsrecht in het strafrecht. Voorstanders zijn van mening dat het niet nakomen van rechterlijke beslissingen een ondermijning van de rechtspraak is en tegenstanders zijn bang voor de negatieve effecten voor het kind wanneer de weigerachtige ouder hard wordt aangepakt. Ook in de politiek zijn de meningen hieromtrent verdeeld, zoals verderop te lezen valt in het hoofdstuk ‘de standpunten van de politieke partijen’.
§3.3 Bemiddeling in echtscheidingszaken
Bemiddeling in echtscheidingszaken gebeurt door een echtscheidingsbemiddelaar. Dit is een advocaat die is opgeleid door de VAS, de Vereniging van Advocaat Scheidingsbemiddelaars. Leden van de VAS zijn gespecialiseerd in scheidingsbemiddeling. Wanneer een cliënt zich tot de advocaat wendt om zich bij te laten staan in de aan te spannen echtscheidingsprocedure, wordt in verreweg de meeste gevallen een brief aan de huwelijkspartner van de cliënt gestuurd met een uitnodiging tot een gesprek waarin de mogelijkheid tot scheidingsbemiddeling aan de orde komt. En advocaat mag één gesprek aangaan met de wederpartij, wil hij zijn (lees: zijn of haar) eigen cliënt blijven vertegenwoordigen als er geen bemiddeling zal plaatsvinden. Zegt de huwelijkspartner van de cliënt dus geen interesse te hebben in bemiddeling (na het eerste gesprek), kan de advocaat zijn cliënt bijstaan in een eenzijdige echtscheidingsprocedure. Zijn er meer gesprekken geweest, maar wordt er toch besloten de echtscheidingsbemiddeling niet door te zetten, dan moeten beide partijen een andere advocaat zoeken, de advocaat mag allebei de partijen dan niet meer vertegenwoordigen.
Een echtscheidingsbemiddeling bestaat uit een aantal gesprekken met beide cliënten. De advocaat mag geen van de cliënten te woord staan, tenzij de andere cliënt hierbij aanwezig is. De gesprekken duren gemiddeld anderhalf tot twee uur. In deze gesprekken worden allerlei zaken besproken. Standaard wordt hierbij ook de omgang tussen het kind / de kinderen en de niet-verzorgende ouder besproken. Partijen stellen zelf een omgangsregeling vast. Deze regeling wordt in het echtscheidingsconvenant opgenomen. Wanneer beide partijen het eens zijn over de inhoud van dit convenant, wordt dit door beide ondertekend en naar de Rechtbank gezonden met een gezamenlijk verzoek tot echtscheiding. Een zitting is hierbij in de meeste gevallen niet aan de orde. Als de rechter een uitspraak doet in de echtscheidingszaak, wordt het convenant hierin opgenomen. De inhoud is dus afdwingbaar.
In een interview met mr. Flinterman, geeft zij haar mening over bemiddeling inzake echtscheiding en omgang.
Er gaan stemmen op om bemiddeling in echtscheidings- en omgangszaken eerst verplicht te laten behandelen door een mediator. Als partijen er bij deze mediator niet uitkomen, mag de rechter pas een beslissing nemen. Bij enkele Rechtbanken lopen proefprojecten met de bemiddeling.
Aan mr. Flinterman wordt gevraagd of zij, als rechter, wel eens doorverwijst naar een bemiddelaar of zelf wel eens bemiddelt. Mr. Flinterman is van mening dat de rechter altijd wel in meerdere of mindere mate aan het bemiddelen is. Als de ouders aangeven mee te willen werken en als het de rechter niet lukt een omgangsregeling tot stand te brengen tussen de ouders, wordt doorverwezen naar een mediator. De mediator moet wel het belang van het kind goed begrijpen en hier naar kunnen handelen.
Mr. Flinterman is zeer positief over bemiddeling. Haar ervaring leert dat de verhouding en tussen de ouders ernstig verstoord kunnen zijn, maar dat in de helft van deze gevallen alsnog door bemiddelding een omgangsregeling tot stand komt. Van degenen die er bij bemiddeling niet uitkomen, komt een klein percentage alsnog bij de zitting tot een akkoord, omdat er al goed voorwerk is verricht bij de bemiddeling. Er blijft dan nog een zeer kleine groep over waarbij de Raad een onderzoek moet doen naar de mogelijkheden en waarin de rechter dan de knoop moet doorhakken.
Mr. Maartje Berger is van mening dat de overheid een belangrijke taak heeft in het oprichten van voldoende voorzieningen voor ouders die bemiddeling willen. Gezien de resultaten die bemiddeling boekt, is het zeker een belangrijk punt geworden. De overheid moet daarom hard werken aan het oprichten van voldoende mogelijkheden en voorzieningen waar ouders terecht kunnen voor bemiddeling.
Tevens is mr. Berger van mening dat bemiddeling onder de gefinancierde rechtshulp moet vallen. Momenteel kunnen mensen bij een advocaat terecht waarbij zij dan een toevoeging (door de overheid gefinancierde rechtsbijstand), kunnen krijgen. Zij betalen dan enkel een eigen bijdrage en griffiekosten. Bij een bemiddelaar is gefinancierde rechtsbijstand niet mogelijk. Dit zou wel moeten, zodat ook ouders met een minimuminkomen naar een omgangsbemiddelaar kunnen stappen.
Wel is het zo dat een advocaat ook echtscheidingsbemiddelaar kan zijn, zie boven aan dit hoofdstuk. In dit geval wordt gefinancierde rechtsbijstand verkregen.
Mr. Berger pleit ervoor bemiddeling in de wet te laten vastleggen. Als ouders eerst de verplichting hebben hun problemen aan een bemiddelaar voor te leggen, wordt een procedure bij de Rechtbank enkel gevoerd wanneer dit echt nodig is. Tevens worden dwangmiddelen enkel dan gebruikt wanneer het gerechtvaardigd is.
Prof. em. G.P. Hoefnagels is ook van mening dat bemiddeling verplicht moet worden gesteld. Enkele gerechtshoven hebben de verplichte bemiddeling reeds uitgesproken, Rechtbanken volgen. Volgens mr. Hoefnagels werkt bemiddeling veiliger, vlugger en voordeliger dan ¨eindeloze kindermishandelende procedures¨.
In Engeland is op 19 maart 2004 een proefproject (pilot) gestart met verplichte mediation in echtscheidingszaken. Partijen die willen scheiden worden naar een mediator gestuurd, waar zij zelf de details van hun echtscheiding moeten regelen. De omgangsregeling zal hierbij ook aan de orde komen. Pas als hier geen bevredigende oplossing uit voortvloeit, zal de rechter zich over de zaak buigen.
§3.4 Begeleide OmgangsRegeling (BOR)
Wanneer een omgangsregeling is vastgesteld maar de ouders moeite hebben met uitvoeren van deze omgangsregeling kan omgangsbegeleiding een mogelijkheid zijn om zich aan de nieuwe situatie aan te passen en vertrouwen in de omgangsregeling op te bouwen. Typische situaties waarin de rechter kan besluiten tot een begeleide omgangsregeling (BOR) zijn bijvoorbeeld ouders die elkaar direct in de haren vliegen wanneer zij elkaar zien. Of een moeder die de vader van het kind verdenkt / beschuldigt van pedofilie.
Het doel van omgangsbegeleiding is uiteindelijk dat de ouders zelfstandig de omgangsregeling kunnen uitvoeren en/of dat er op een andere manier duidelijkheid komt in de situatie.
Mevrouw mr. Berger dringt aan op de voortzetting van het proefproject met omgangshuizen. Er is een plan voor tien van deze BORhuizen, maar door financiële redenen komt dit niet van de grond. Een omgangshuis is volgende mr. Berger dé mogelijkheid voor de niet-verzorgende ouder en het kind, om elkaar te zien.
In navolging van het buitenland zijn er verspreid in ons land verschillende projecten voor omgangsbegeleiding opgezet. Als eerste is de Raad voor de Kinderbescherming Maastricht in 1993 gestart met het Project Begeleide OmgangsRegeling (BOR). Daarna zijn er verschillende projecten ontstaan door, of in samenwerking met, maatschappelijk werk, bureau jeugdzorg, GGZ en/of particuliere organisaties. Gewoonlijk wordt een project omgangsbegeleiding geleid door een beroepskracht en wordt het uitvoerende werk door vrijwilligers gedaan. De verschillende projecten tonen overeenkomsten in hun werkwijze maar hebben zo hun eigen kenmerken. De bedoeling is dat de verschillende ervaringen in de toekomst zullen leiden tot meer algemene richtlijnen.
Het BOR project is bedoeld voor praktische hulp en begeleiding aan ouders en kinderen tot 12 jaar bij het uitvoeren van een omgangsregeling na scheiding. Gedurende een periode van maximaal een half jaar wordt toegewerkt naar een zelfstandig lopende omgangsregeling.
Voorwaarde is dat beide ouders bereid zijn mee te werken aan het tot stand komen van een omgangsregeling. De omgangscontacten vinden meestal éénmaal in de veertien dagen plaats. Blijft de begeleiding tijdens het omgangsbezoek aanwezig dan duurt dit bezoek maximaal twee, soms drie uur.
Er zijn verschillende vormen van begeleiding, hieronder staan de mogelijke begeleidingsvormen genoemd:
  1. Begeleiding kan bestaan uit het tussentijds bespreken van het verloop van de omgangsregeling en bespreekbaar maken van gevoelens en onzekerheden.
  2. Het bieden van een neutrale plaats om kinderen te laten brengen en te laten ophalen.
  3. Het bieden van een neutrale ontmoetingsplaats waar de omgang kan plaatsvinden.
  4. Een vrijwilliger kan de kinderen halen en brengen van de ene naar de andere ouder.
  5. Een neutrale derde kan aanwezig zijn bij de feitelijke omgang tussen ouder en kind bij deze ouder thuis of op een neutrale plek.
Het omgangscontact dient op de eerste plaats plezierig te zijn voor met name het kind. Bij een enkel project maakt men duidelijke afspraken over datgene wat wel en wat niet gewenst is tijdens het omgangsbezoek. Bij een ander project laat men dat aan de ouders zelf over. Van belang is dat men de andere ouder niet onnodig prikkelt en dat het kind niet onnodig belast. Daarom wijzen wij hier op een aantal valkuilen welke vermeden dienen te worden:
  • het verleden blijven herhalen
  • herhaaldelijk praten over de toekomst
  • praten over de scheiding
  • overladen met cadeautjes, kleding enz.
  • cadeautjes meegeven
  • overdreven bezorgdheid tonen
  • te veel willen tijdens contact
  • concurrentie (vragen als: wie is de liefste?)
  • kind uithoren over situatie bij de andere ouder
  • nieuwe partners die zich actief bemoeien met de regeling
  • het kind niet toestaan het leuk te vinden bij de andere ouder
  • andere mensen bij de omgang aanwezig laten zijn
  • zonder overleg (veel) foto's maken.
Bij het BOR project kan men terecht door verwijzing van de Rechtbank of het Gerechtshof, maar ook via de Raad voor de Kinderbescherming. In enkele steden is er nog een andere instantie die personen doorverwijst naar een BOR project, zoals in Tilburg het Bureau Kinderen en Scheiden.



Hoofdstuk 4: De Raad voor de Kinderbescherming

§4.1 Taken van de Raad voor de Kinderbescherming.
De nieuwe missie van de Raad voor de Kinderbescherming luidt:
"De Raad voor de Kinderbescherming komt op voor de rechten van het kind, van wie de ontwikkeling en opvoeding worden bedreigd. De Raad schept voorwaarden om die bedreiging op te heffen of te voorkomen. De Raad doet onderzoek, adviseert in juridische procedures en kan maatregelen of sancties voorstellen. De Raad werkt nauw samen met andere instanties."
De Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad), heeft verschillende taken. De drie kerntaken van de Raad zijn; bescherming van kinderen, scheiding en omgang en strafzaken waarbij minderjarigen betrokken zijn. Wij zullen ons in dit hoofdstuk richten op de taak die de Raad heeft omtrent scheiding en omgang.
Wanneer een zaak waarbij de omgang in het geding is, bij de rechter komt, zal deze de raad vaak een opdracht geven een rapport op te stellen. De Raad moet dan een onderzoek doen naar de mogelijkheden die er zijn om het kind en de niet-verzorgende ouder omgang met elkaar te laten hebben. De Raad brengt dan een advies uit aan de rechter.
De raad doet onderzoek door middel van gesprekken met de ouders en eventueel met derden, dit zijn de zogenaamde informanten. De verkregen informatie wordt geordend en gebruikt voor een diagnose van de situatie, ook wordt bekeken welke mogelijkheden er zijn. Dit alles wordt dan in een rapport met conclusie en een advies neergelegd. De totale onderzoekstijd van de raad mag maximaal twintig weken bedragen.
Wanneer er na de scheiding problemen ontstaan omtrent de omgang, maar er nog verzoek aan de rechter is gedaan, kunnen partijen naar de Raad toe. De Raad licht de partijen in over de inhoud van de wettelijke regeling alsmede over de consequenties, de rechten en plichten, die hieruit voortvloeien. De Raad verstrekt dus informatie aan de partijen.
Tevens probeert de Raad de partijen zover te krijgen dat zij in onderling overleg een omgangsregeling vaststellen. Wanneer dit niet lukt, verwijst de Raad de partijen door naar een geëigende hulpverlenende instelling, zoals bijvoorbeeld Algemeen Maatschappelijk werk. De Raad kan ook de mogelijkheid om bij de rechter een procedure aanhangig te maken met de partijen bespreken. Welke keuze de Raad maakt, zal aan de partijen liggen, in welke mate zij bereid zijn mee te werken en wat zij zelf willen (wellicht is een rechterlijke beschikking nodig voor partijen om structuur in de omgang te krijgen). De Raad is geen hulpverlenende instelling en het mag deze schijn ook niet wekken. Hierom moet het bovenstaande in maximaal drie á vier gesprekken geregeld worden, het moet duidelijk zijn dat er enkel bemiddeld wordt.
§4.2 De werkwijze van de Raad voor de Kinderbescherming.
Zoals boven al beschreven doet de Raad onderzoek door middel van gesprekken. In deze gesprekken zal geprobeerd worden mogelijkheden te vinden waarin omgang tussen de niet-verzorgende ouder en het kind tot stand kan worden gebracht.
Tevens kan de Raad bemiddelen als de partijen nog geen verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling bij de rechter hebben ingediend. De Raad probeert partijen dan middels maximaal 3 á 4 gesprekken bereid te krijgen onderling een omgangsregeling vast te stellen. De Raad kan hierbij ook doorverwijzen naar andere instellingen, met name hulpverlenende instellingen.
§4.3 De rol van de Raad voor de Kinderbescherming in omgangszaken.
Een vertegenwoordiger van de Raad is bij de zitting aanwezig. Soms is dit de persoon die het rapport heeft opgesteld, maar dit kan ook één persoon zijn die altijd op de Rechtbank aanwezig is en alle zittingen bijwoont. Deze krijgt dan het rapport van degene die de zaak behandeld heeft. Bij de zitting krijgt de vertegenwoordiger van de Raad als eerste het woord, hij of zij kan nu nog opmerkingen / toelichting op het rapport geven. Als de partijen aan het woord zijn geweest, kan de Raad nog enkele opmerkingen maken. De Raad geeft het advies in het rapport, dit hoeft hij niet in de rechtszaal te bepleiten. Alle betrokkenen hebben het rapport van tevoren ontvangen, dus een herhaling hiervan is onnodig. Partijen kunnen uiteraard wel vragen stellen en indien nodig kan de rechter vragen om het advies duidelijker toe te lichten indien er onduidelijkheden zijn.
Mevrouw mr. Flinterman, geeft aan dat het raadsonderzoek erg belangrijk is voor de beslissing van de rechter omtrent de omgang. Slechts een enkele keer zal het advies niet opgevolgd worden. Mr. Flinterman is van mening dat er erg veel deskundigheid bij de Raad is, waardoor zij goed in staat zijn een oordeel te vellen waarbij zij het belang van het kind volgen. Ook geeft mr. Flinterman een voorbeeld, in casu wilde de moeder niet meewerken aan het onderzoek van de Raad, tevens was de moeder onmachtig de vader een plaats te geven. De Raad was het in zijn advies met de moeder eens. De rechter oordeelde hierop dat dit niet voldoende was voor een ontzegginggrond.
Wanneer blijkt dat de Raad bij een onderzoek niet goed of niet volledig te werk is gegaan en er op basis van deze uitspraak al een rechterlijke beslissing is gegeven, kunnen de partijen een verzoek tot wijziging van de omgangsregeling bij de rechter indienen. Er is sprake van gewijzigde omstandigheden, de rechter is uitgegaan van onjuiste of onvolledige informatie.
§4.4 Verschillende meningen over de Raad voor de Kinderbescherming.
De mening van prof. em. G.P. Hoefnagels blijkt duidelijk uit een artikel dat hij schreef voor het dagblad Trouw;
¨Het mensenrecht van de ouder-kind-relatie verdwijnt achter scheidingsgetwist en belevingsgeleuter van de veelal ondeskundige rapportenfabrieken die de raden voor de kinderbescherming in de laatste halve eeuw zijn geworden¨.
Mr. Hoefnagels doelt op het mensenrecht ¨eerbiediging van gezinsleven¨. Met het ¨belevingsgeleuter¨ bedoelt hij de omschrijving die de Raad in haar rapport vaak gebruikt; de beleving van de moeder. Volgens mr. Hoefnagels is dit slechts de frustratie die moeder uit door de scheiding, zij heeft een ¨scheidingstrauma¨ opgelopen dat tot omgangsfrustratie leidt. Dit wordt in de rapporten van de Raad omschreven als de ¨beleving van de moeder¨.
Verder zegt mr. Hoefnagels het volgende:
¨door de beslissing dat er geen omgang komt, of door een beslissing zo lang aan te houden, dat vader en kind van elkaar vervreemden en moeder haar verstotingswerk kan voltooien, zijn de rechter en de kinderbescherming weliswaar met de zaak klaar, maar de kinderen en hun ouders nog lang niet¨.
Zoals hierboven beschreven is, is mr. Flinterman positief over de Raad, er is veel deskundigheid binnen de instelling, waardoor de belangen van het kind goed behartigd kunnen worden.
Uit de enquête die we hebben gehouden, kwamen vooral negatieve reacties. Vooral de wachttijden bij de Raad irriteren de mensen. Vaak wordt ook gezegd dat er niet naar de partijen geluisterd wordt. Enkele personen noemden de Raad een instantie die niet meer van onze tijd is, er moet een nieuwe instantie gevormd worden die de Raad zal vervangen. Vooral sneller ingrijpen is hierbij een criterium. Hieronder, onder het kopje ‘minpunten’, wordt opgesomd wat er precies allemaal mis is met de Raad volgens de mensen die de enquête hebben ingevuld.
§4.5 Enkele ‘minpunten’ van de Raad voor de Kinderbescherming.
Aan mr. Flinterman wordt gevraagd wat haar ervaringen zijn met de knelpunten op het gebied van gezag en omgang.
Mr. Flinterman is van mening dat veel hulpverleners bang zijn om hun waarnemingen op papier te zetten omdat ze bang zijn voor de consequenties. Zij zijn bang om de regels van privacy te schenden. Ze moeten juist meer op het belang van het kind focussen in plaats van de privacy. De criteria die de Wet Bescherming Persoonsgegevens geeft voor het uitwisselen van gegevens zijn dat het doel de gegevensverstrekking moet rechtvaardigen en dat de oerweging om tot afgifte over te gaan te verantwoorden moet zijn. Het belang van het kind kan dit verantwoorden. De hulpverleners blijven zich nu in een veilige marge vastbijten, terwijl ze veel meer naar de rand van de wet moeten werken. Tevens is de kennis van de wetgeving op het gebied van privacy bijveel hulpverleners onder de maat. Dit houdt ze juist meer tegen. De rechter baseert zijn beslissing op de informatie die hij / zij van de Raad ontvangt. Als dit niet volledig is, wanneer de rechter niet kan zien waar de Raad zijn bevindingen op baseert, is het voor de rechter niet mogelijk om tot een goed oordeel te komen. Dit gaat dan weer ten koste van het kind.
Er zijn uiteraard vele zaken waarin de raad goed werk aflevert en hierbij de belangen van het kind volgt. In sommige zaken is er duidelijk dat er iets mis is gegaan bij de Raad en de manier van onderzoek of de basis waarop het advies is uitgebracht aan de Rechtbank. Een voorbeeld hiervan hebben wij gevonden in het Tijdschrift voor de Sociaal Juridische Dienstverlening. Hierin wordt een situatie beschreven waarbij partijen gaan scheiden en het gezag over de kinderen in het geding is. Het verhaal staat in het hoofdstuk ‘Schrijnende gevallen’ beschreven.
Mr. Flinterman geeft aan dat er golfbewegingen zijn in de wachttijden bij de Raad. Momenteel (op het tijdstip van schrijven), is de wachttijd slechts vier weken. Volgens mr. Flinterman is het begrip ¨wachttijd¨ een modern mechanisme van de manager. De manager toont hiermee aan dat het bedrijf meer geld nodig heeft, er zijn immers wachttijden. Ze is van mening dat de managementbanen omgezet moeten worden in uitvoerende taken, zodat er meer Raadsmedewerkers komen. Bij een goede hulpverlening is het cruciaal om direct te kunnen handelen.
Mevrouw Woldring is van mening dat een snelle beslissing soms beter is, zodat de partijen niet jaren in onzekerheid hoeven te zitten. Ook als dit betekent dat de beslissing is genomen op onvolledige informatie. Hoe gaat de rechter hiermee om? Mr. Flinterman zegt hierop dat dit inderdaad een lastige afweging is voor rechters. In Groningen wordt dit zoveel mogelijk ondervangen door vanaf het begin een proefomgangsregeling te treffen. Het motto is hierbij: ¨Er moet omgang zijn, tenzij…¨. Een kind heeft recht op beide ouders, met een proefomgangsregeling wordt aan dit recht voldaan en kan ondertussen een gedegen onderzoek worden uitgevoerd. Er zijn natuurlijk uitzonderingssituaties waarin een proefomgangsregeling niet verstandig is.
De resultaten van de door ons gehouden enquête brachten de volgende minpunten naar voren;
De Raad is eenzijdig in haar oordeel (één persoon noemt het zelfs een Apartheidsbeleid), de vrouw krijgt veel aandacht, naar de man wordt haast niet geluisterd. In de gesprekken krijgt de vrouw alle aandacht, terwijl de man hier en daar ook eens de gelegenheid krijgt iets toe te voegen aan het ‘ gesprek’ . Tevens wordt vaak gemeld dat als de vrouw overstuur raakt of huilt, zij automatisch in het gelijk wordt gesteld door de Raad. De man krijgt de schuld van de situatie. Wanneer de vrouw denkt dat het gesprek de verkeerde kant opgaat (de man doet zijn verhaal en de raadsmedewerkers luisteren hier aandachtig naar), pretendeert zij simpelweg een huilbij. Dan is de situatie weer naar haar hand gezet en krijgt zij de volle aandacht.
In samenhang met het vorige punt; in de rapporten besteedt de Raad te veel aandacht aan het verhaal van de vrouw en te weinig aan het verhaal van de man. Wanneer het verhaal van de man één pagina in beslag neemt, krijgt het verhaal van de vrouw zeker drie pagina’s de ruimte.
Over het rapport zijn de meeste geënquêteerden ook negatief. Er worden zaken in beschreven die absoluut niet van belang zijn. Zo stond er in één geval in het rapport vermeld dat de man in het bezit was van een hond, die ook nog eens binnen het huis rondliep. In dit geval zou er een zekere logica in te vinden kunnen zijn als het kind een allergie voor honden had, dit was echter niet het geval.
Verder is men van mening dat er meer geluisterd moet worden naar derden. Vooral de grootouders van het kind worden hier genoemd. Derden weten vaak veel van de situatie af en staan er verder vanaf dan de ouders zelf. ‘Opa’ en ‘oma’ zijn in de meeste gevallen partijdig te noemen (vooral daar waar een familievete is ontstaan), maar ook deze informatie kan van groot belang zijn voor het onderzoek. Enkele mensen schreven dat de Raad zegt over zo’n grote expertise te beschikken, dat zij makkelijk kunnen vertellen wat het beste is voor het kind. Hiervoor hoeven zij niet naar de mensen te luisteren die dagelijks met het kind omgaan. De Raad weet het allemaal het best…
§4.6 Suggesties voor de verbetering van de Raad voor de Kinderbescherming.
Ook op onze vraag voor tips voor de verbetering van de Raad, kwamen vele nuttige reacties. Hieronder de punten:
  • Zoals hierboven al gezegd, moet de Raad meer naar derden luisteren. Hoe meer mensen er geïnterviewd worden, hoe beter en completer het beeld is van de situatie.
  • Enkelen noemden nazorg als een verbeterpunt. Er is behoefte aan een aantal gesprekken om de situatie nog eens goed te bekijken. De omgangsregeling loopt dan al en mensen vinden het prettig om dan niet in één keer maar alleen te staan. Gedurende de procedure zijn er veel instanties betrokken geweest, de Raad, de rechters, de advocaten, eventueel maatschappelijk werk of hulpverlening. Na de uitspraak van de rechter staan ze alleen, er is niemand meer naar wie ze zich kunnen keren. De stap naar een hulpverleningsinstantie kan dan vaak te groot zijn. Enkel degenen die hier mee in aanraking zijn geweest tijdens de procedure, keren hiernaar terug. Voor anderen is de drempel te hoog. Als er geen omgangsregeling is vastgesteld, is nazorg nog belangrijker voor de geënquêteerden. Gedurende lange tijd is er gevochten voor de kinderen. Veel instanties waren betrokken, familieleden waren zeer betrokken bij de gebeurtenissen. Voor veel vaders (en in sommige gevallen moeders), is de procedure bijna een dagtaak geweest. Nu het af is gelopen, staan ze plotseling alleen en hebben ze er niet eens iets aan over gehouden. Ook al zou de raad zelf geen nazorg kunnen bieden, moet de partijen wel duidelijk gemaakt worden dat de Raad ze door kan sturen naar een hulpverlenende instantie.
  • Ook vinden mensen controle belangrijk. Wanneer een omgangsregeling is vastgesteld, moet deze nog nageleefd worden. Als de Raad hier een soort van controle op zou uitvoeren, zou er sneller kunnen worden ingegrepen wanneer de omgangsregeling niet nageleefd wordt. Ook zou er een preventieve werking vanuit kunnen gaan. Dit door middel van gesprekken om het verloop van de omgangsregeling te bespreken.
  • De Raad moet grondiger onderzoek doen. De Raad moet bijvoorbeeld de partijen thuis bezoeken. Ook moeten er sancties komen op het niet-nakomen van afspraken. Wanneer iemand herhaaldelijk de afspraak afzegt of gewoon niet op komt dagen, zijn hier geen consequenties aan verbonden. Tevens moet de Raad uitspraken nagaan, te vaak wordt een uitspraak als feit gezien.
  • Tot slot moeten de wachttijden aangepakt worden. Door de lange duur van het onderzoek raken kinderen vervreemd van hun ouders.
§4.7 Schrijnende gevallen
Zoals al eerder gezegd, levert de Raad voor de Kinderbescherming (verder: Raad) over het algemeen goed werk af. Maar een enkele keer gaat het fout. De consequenties zijn vaak groot. Een vader (lees: vader of moeder) mag zijn kind niet meer zien en moet jarenlang procederen, misschien zonder effect.
In deze paragraaf gaan wij in op de consequenties van de door de Raad gemaakte fouten. De Raad is niet voor alle genoemde voorbeelden aansprakelijk, maar speelt wel een rol erin.
In het Tijdschrift voor Sociaal juridische Dienstverlening is een artikel gewijd aan een bepaalde zaak waarbij verschillende fouten zijn gemaakt. Hierin wordt duidelijk wat er allemaal mis kan gaan en welke fouten de Raad zoal maakt alsmede de consequenties van die fouten.
Het begint in het najaar van 1996, de vrouw geeft aan dat er problemen zijn in het huwelijk en dat zij wil scheiden. Direct hierop wordt er een klacht ingediend bij het Advies en Meldpunt Kindermishandeling (verder AMK). De vrouw wordt bang en stopt de scheidingsprocedure. Eind 1997 ging het weer slechter, na een korte periode waarin het goed leek te gaan. De vrouw besluit na haar kerstvakantie, niet meer teug te keren naar huis. Haar dochters neemt zij mee naar een Blijf van mijn Lijf-huis. Ze belt de man om te laten weten dat zij wil scheiden. Direct hierop wordt wederom een klacht ingediend bij het AMK. De man dient nu een verzoek tot echtscheiding in met het verzoek tot eenzijdig gezag over de minderjarige kinderen.
De Rechtbank bepaalt dat de kinderen bij de man zullen wonen voor de duur van het onderzoek van de Raad. Bij de volgende zitting laat de Raad weten dat er geen bezwaren zijn tegen het verblijf van de kinderen bij de man. De rechter beslist dat de kinderen gedurende de periode van de procedure bij de man zullen blijven wonen.
Het Ambulant Bureau Jeugdwelzijnszorg (verder: ABJ) wordt bij het onderzoek betrokken. Zij moet een psychologisch en pedagogisch onderzoek uitvoeren bij de kinderen en hun ouders. Hieruit concludeert het ABJ dat de kinderen aangeven bij de vrouw te willen wonen, maar dat dit een loyaliteitsconflict kan zijn.
In april 1999 leverde de Raad het eindrapport af. Het rapport dat ABJ heeft opgesteld vormde hiervoor de basis. Inmiddels was er een jaar verstreken sinds de Rechtbank opdracht gaf aan de raad om een onderzoek uit te voeren, de totale onderzoeksduur van de Raad mag maximaal twintig weken bedragen.
De Raad concludeert in het rapport dat de kinderen het beste af zijn bij de man. De kinderen gaven zelf aan niet positief te zijn over de man en wilden graag bij de vrouw wonen, maar de Raad schreef dit toe aan het mogelijke loyaliteitsconflict.
In juli 1999 oordeelde de Rechtbank dat de kinderen definitief aan de man werden toegewezen. Dit op basis van het rapport van de Raad. De vrouw tekende direct hoger beroep aan.
Tevens diende zij een klacht in over de handelswijze van het AMK, bij de Provinciale Klachtencommissie Jeugdzorg. De conclusie van deze klachtencommissie was dat het AMK niet de zorgvuldigheid had betracht die van een AMK verwacht mag worden. Het AMK had zich gebaseerd op één melder. Het AMK heeft belangrijke informatie aan de Raad doorgespeeld, die dus op onzorgvuldige wijze is vergaard. Hier zijn echter nooit consequenties aan verbonden.
De vrouw gaf in het hoger beroep aan dat het rapport van de Raad aan alle kanten rammelde en dat zij altijd degene is geweest die de kinderen verzorgd heeft (de man werkte veel). De minderjarige kinderen hebben brieven geschreven aan het Hof waarin zij aangeven graag bij de vrouw te willen wonen. Omdat één van de kinderen inmiddels twaalf jaar oud is, wordt zij door het Hof gehoord. Het andere kind is elf, waarbij het Hof dus geen verplichting heeft haar te horen. Dit wordt ook niet gedaan.
Het Hof wijst het hoger beroep af omdat de geschreven brieven niet als zwaarwegend werden meegeteld, het Hof graag de status-quo wilde handhaven en het Hof het mogelijke loyaliteitsprobleem als een vaststaand feit zag. Het feit dat de twee meldingen bij het AMK vals waren, kon geen invloed uitoefen op de beslissing. In maart 2001 verzocht de vrouw een gezagswijziging, op grond van gewijzigde omstandigheden. De kinderen gaven nog steeds aan bij de vrouw te willen wonen. Als er al een loyaliteitsconflict was geweest, zal dit na enkele jaren niet meer aan de orde zijn. Het onderzoek van de Raad overschreed opnieuw ruimschoots de termijn van twintig weken. De Raad concludeerde dat het verzoek afgewezen moest worden. De Rechtbank verwees in juli 2002 de zaak terug naar de raad omdat er te weinig informatie in het rapport stond.
In september 2002 vroeg de vrouw aan de Rechtbank of de kinderen gedurende de procedure bij haar konden komen wonen. De Rechtbank wees dit verzoek af omdat de Raad al bezig was met het onderzoek. Hierop ontving de Rechtbank een brief van de Raad waarin deze aangaf nog niet aan het rapport te zijn begonnen. De vrouw tekende hoger beroep aan tegen de beslissing van de Rechtbank, maar ook het Hof wees het verzoek af.
Ten tijde van het schrijven van het artikel is de raad nog steeds bezig met het onderzoek, wederom is de maximale termijn van twintig weken verstreken. Door de onzorgvuldige informatieverstrekking van het AMK aan de Raad, zijn er conclusies ontstaan die onjuist zijn, maar die er mede voor hebben gezorgd dat de kinderen een de man zijn toegewezen. Tevens is door de onderzoekers van het ABJ, de Raad en de rechters slecht geluisterd naar de menig van de kinderen, vanwege een vermoeden van een loyaliteitsconflict, iets dat nauwelijks aan te tonen is.
Door het overschrijden van de onderzoekstermijnen door de Raad, de onzorgvuldigheid van het AMK en het niet serieus nemen van de kinderen, is de vrouw nu al vijfenhalf jaar bezig om het gezag over de kinderen te krijgen.
Op het internet zijn diverse sites gewijd aan kinderen en omgang, zoals bijvoorbeeld de sites van Dwaze Vaders, SOS-papa, Broken-Link, etc. Op deze sites staat de meest verbazingwekkende verhalen. Enkele korte zinnen waaruit de problematiek omtrent omgang blijkt:
¨Ik heb het ouderlijk gezag. Mijn ex wilde geen omgangsregeling. Op een gegeven moment ontvoerde hij onze dochter van school. Ik wist waar hij woonde, maar de politie deed niets. Ik heb haar al jaren niet meer gezien. En niemand doet er wat aan.¨
¨Gisteren kwam hij zijn ex-vrouw en kinderen op straat tegen. Er trok een waas voor zijn ogen en is op hen ingereden… Een kind heeft nu een verbrijzelde voet.¨
¨Zoals afgesproken kwam mijn dochter op zaterdag om 10 uur naar mij toegelopen. Dag papa, ik ga vandaag met mama naar de Efteling. Daarna heb ik ze nooit meer gezien.¨
"In de TV uitzending over Kind en Omgangsrecht heeft hij nog gesproken. Hij kon het gemis van zijn kinderen niet langer meer verdragen. Na de uitzending heeft hij zichzelf opgehangen.¨
¨Toen ik thuiskwam lag mijn ex met een ander in bed. Toen beschuldigde ze mij van incest. Ik heb 4 dagen onschuldig in de gevangenis gezeten. Nu zie ik mijn kinderen nooit meer.¨
¨Tijdens het huwelijk verstoorde zij al jaren de omgang met zijn dochter. Eindelijk zag hij haar weer. Na 20 jaar op zijn sterfbed.¨
Gelukkig zijn er op de hierboven bedoelde site ook positieve verhalen te lezen. Enkele vaders die de kinderen jarenlang niet hebben gezien, maar waarbij de kinderen tegenwoordig wonen.
§4.7.1 De zaak Paulus
Nu is het dus niet alleen de Raad die fouten maakt, uit het volgende verhaal blijkt dat de advocaat en de rechter soms ook niet de beste beslissingen maken.
Na 18 jaar huwelijk wordt in 1997 Paulus geboren. De echtscheiding vindt plaats in 1998. Ondanks de omgangsregeling zet moeder de omgang in juli 1999 stop. De rechter verwijst naar de Raad voor bemiddeling. Moeder zegt afspraken af wanneer deze samen met de man zijn. De Raad gedoogt dit alles.
Na enig uitstel bracht de Raad een rapport uit waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn tegen contact van het kind met de vader, maar
¨de beleving van de verzorgende moeder¨ maakte dat zij ¨er niet tegen kan dat het kind contact heeft met vader¨.
Ook als de ouders een constructie hebben waarbij omgang plaatsvinden zonder dat de ouders elkaar zien, beleeft de vrouw, volgens de Raad,
¨nog steeds ’s mans invloed¨.
De rechter beslist dat er geen omgang zal zijn totdat moeder hulpverlening heeft gekregen en zover zal zijn dat zij omgang tussen vader en kind geestelijk aan kan.
De avond voor de zitting belde de advocaat van de man mr. Hoefnagels op. De advocaat is geen familierechtadvocaat en is niet op de hoogte van de artikelen 251 BW e.v., noch van 377a en 377h BW. Mr. Hoefnagels heeft aan de advocaat uitgelegd dat stopzetting van omgang niet mag, dat bij eenhoofdig gezag ontzegging van omgang door de rechter mogelijk is, maar bij gezamenlijk gezag ontzegging niet mogelijk is.
Op de zitting vergeet de advocaat het gezag van vader en informeert de rechter dat voor stopzetting van omgang ontzegging nodig is.
De rechter neemt het advies van de Raad over en de instructie van de advocaat, nota bene met ontzegging van omgang van een vader met gezag, dus in strijd met de wet (art. 377h BW). En met voorbijgaan aan zijn eigen tussenvonnis van negen maanden geleden (de rechter besliste: ¨onmiddellijke omgang, bemiddeling en een raadsrapport binnen 3 maanden). De rechter vergat zijn eigen tussenvonnis en spreekt een ¨Alzheimer-vonnis¨ uit.
Onder bovenstaand verhaal is een stuk geschreven over de advocate van de vrouw in deze zaak. Zij was aanwezig bij een televisie-uitzending waarin zij enkele noemenswaardige uitspraken heeft gedaan. Naar eigen zeggen heeft deze advocate ongeveer drieduizend kinderzaken gedaan. Enkele citaten:
¨Ik adviseer de mannen die bij me komen en die problemen hebben met de omgang. Dan begin ik op de eerste plaats de rechtspositie te verduidelijken en te zeggen, dat ze als man in het Nederlandse recht praktisch nergens staan en dat ze bijna nergens op kunnen terugvallen. Dat ze afhankelijk zijn van de goodwill van hun partner en dat, dat inhoudt, wat mij betreft, en dat woord gebruik ik heel vaak: pappen en nat houden.¨
De advocate bedoelt met ¨pappen en nat houden¨, dat de man moet luisteren naar de vrouw en haar tevreden moet houden, ook al eist ze iets onredelijks. Wanneer de man dit niet doet, escaleert de situatie en krijgt hij het kind gewoon niet meer te zien.
Als de presentator vraagt wat de advocate het liefst binnen ziet komen, een gescheiden man of een gescheiden vrouw antwoordt de advocate:
¨een gescheiden vrouw, want een gescheiden vrouw krijgt in het Nederlandse echtscheidingsrecht praktisch alles wat ze wil…¨
De presentator vraagt of een gescheiden vrouw voor de advocate een winning case is. De advocate antwoordt hierop:
¨ja, dat is voor mij een winning case, dat is voor mij een heel prettige zaak om het zo maar eens te zeggen. Je vraagt dus het huis; als er kinderen zijn, krijgt de vrouw altijd het huis toegewezen, de man moet maar zien waar hij onderdak vindt. Ik heb vaak meegemaakt dat de man in de auto slaapt, terwijl de vrouw het huis en de kinderen krijgt toegewezen. Ze vraagt alimentatie. Je stelt zelf de omgangsregeling op zoals het jou het beste uitkomt. Behaaglijk rust je vervolgens achterover en dan is de man aan het woord en die, ja, die moet voor elke centimeter strijden voor wat hij wil hebben. Die vindt wellicht de alimentatie te hoog, die vindt de omgangsregeling te weinig ruim, die vindt dat hij ook recht heeft op het huis, je kunt er praktisch zeker van zijn dat je op alle punten scoort. De rechter vraagt meestal ook de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming. Waar moet de rechter anders enige waarde aan hechten…?¨
Tot slot maakt de advocaat nog de volgende opmerking:
¨op een gegeven moment zeg ik dan ook vaak tegen cliënten: probeer uw aandacht op uw werk te richten, of ga sporten of probeer een hobby erbij te krijgen, het komt allemaal op de lange termijn wellicht op zijn pootjes terecht, maar niet nu. U bent teveel gefixeerd op dat doel, omgang met dat kind…¨


Hoofdstuk 5: Het ouderverstotingssyndroom (Parental Alienation Syndrome = PAS)
Na een scheiding doet het zich regelmatig voor dat het kind een van de ouders zonder reden verstoot. Het kind wil dan met de ouder waar het niet bij woont letterlijk nooit meer iets te maken hebben.
De oorzaak hiervan kan zijn dat de verzorgende ouder de andere ouder het verdriet dat de scheiding met zich mee heeft gebracht zo kwalijk neemt dat hij of zij de kinderen er van weerhoudt contact met de andere ouder te hebben. Ook is het mogelijk dat de kinderen zich de ellende en het verdriet van de verzorgende ouder zo aantrekken dat ze er zelf voor kiezen de andere ouder niet meer te zien.
Helaas is het hiervoor beschrevene een veel voorkomend verschijnsel. In Nederland verliezen minstens 40% van de scheidingskinderen op de duur al het contact met de ouder bij wie zij niet wonen (in Nederland is de verstoten ouder in 90% van de gevallen de vader) en vaak gaat het daarbij om een verstotingsyndroom. Ouderverstoting is in l984 voor het eerst als syndroom benoemd en beschreven door Richard A. Gardner, Volgens prof. Gardner is het ouderverstotingssyndroom, ook wel Parental Alienation Syndrome (PAS) geheten, een stoornis omdat geen enkel kind het in zijn genen draagt een ouder te willen afwijzen die van hem houdt. De stoornis heeft te maken met hysterie, in ernstige gevallen met paranoia. Bovendien handelt een kind daarmee consequent tegen zijn belang en ook dat wijst niet op geestelijke gezondheid. Gardner waarschuwt in zijn boek dan ook dat PAS niets te maken heeft met kinderen die (bijvoorbeeld wegens ernstige mishandeling) een gegronde reden hebben om een ouder af te wijzen. Wat veel tot het hierboven beschreven syndroom bijdraagt, is om elke contactpoging van de niet-verzorgende ouder als 'lastig vallen' te bestempelen en ook diens omgangsrecht niet na te komen.
Om het ouderverstotingssyndroom in het beginstadium te herkennen zijn er volgens Richard Gardner acht duidelijke symptomen, te weten:
  • minachtingcampagne van het kind tegen de andere ouder,
  • zwakke of absurde redenen voor deze minachtingcampagne,
  • het kind heeft geen ambivalente gevoelens (de ene ouder is louter goed, de andere louter slecht),
  • ongeloofwaardige "eigen mening" van het kind,
  • reflexmatige steun van het kind aan de verzorgende ouder in het conflict tussen beide ouders, het kind wordt ‘het kleine helpertje’ van de verzorgende ouder,
  • afwezigheid van schuldgevoelens bij het kind,
  • het door het kind letterlijk citeren van onbegrepen woorden, het kind gebruikt ‘volwassenentaal’ en
  • uitbreiding van de vijandschap door het kind naar de familie van de gehate ouder.
Het oproepen van een ouderverstotingssyndroom bij een kind wordt gekwalificeerd als geestelijke kindermishandeling met verregaande gevolgen.
Kinderen met een ouderverstotingssyndroom krijgen problemen met het inschatten van de werkelijkheid. Zij zijn ertoe geprogrammeerd dingen voor waar aan te nemen die in hun totaliteit niet overeenstemmen met wat ze zelf waarnemen. Hierdoor leert het kind af om te vertrouwen op zijn of haar eigen waarneming en deze waarneming onder woorden te brengen.
De gevolgen van het ouderverstotingssyndroom kunnen zich uiten in gedrags-, prestatie- en ontwikkelingsstoornissen die het verdere leven van het kind kunnen overschaduwen.
Het ouderverstotingssyndroom kan worden onderscheiden in drie verschillende graden:
  1. Licht: in ongeveer 8% van de gevallen is er lichte vervreemding zonder al te ernstige negatieve kwalificatie van de niet-verzorgende ouder.
  2. Middelmatig: er is actieve obstructie van het contact met de niet-verzorgende ouder.
  3. Zwaar: het fanatisme is totaal en het kind wil de niet-verzorgende ouder niet meer zien.
Kinderen met het ouderverstotingssyndroom lopen een groot risico om tot in het volwassen leven te lijden onder de gebeurtenissen uit hun jeugd. Veel van deze kinderen gaan tussen hun dertigste en vijfenveertigste levensjaar in therapie, lijden aan verlies van identiteit, grote onzekerheid, verwarring, wantrouwen jegens mensen die iets anders zeggen dan de verzorgende ouder, of hebben moeite met het inschatten van de sociale werkelijkheid.


Hoofdstuk 6: De standpunten van de politieke partijen
In dit hoofdstuk zullen we een overzicht geven van de standpunten van de politieke partijen in ons land. Helaas zijn de door ons gevonden standpunten, die zijn weergegeven in dit hoofdstuk niet van recente datum. Wij hebben de politieke partijen benaderd om hun mening te geven over het omgangsrecht, maar helaas wilden zij niet meewerken. Ook op de websites van deze partijen was weinig tot niets te vinden over dit onderwerp.
§6.1 De PVDA
De PvdA is tegen strafrechtelijke sancties bij het niet nakomen van de omgangsregeling.
De PVDA is voorstander van het experiment met het omgangshuizen project, maar acht het ongewenst dat de Raad voor de Kinderbescherming daar een taak in zal hebben.
De PvdA bepleit tevens de mogelijkheid van bemiddeling op niet-vrijwillige basis.
Ook wil de PvdA dat het kabinet nagaat hoe aanvullingen kunnen worden opgenomen in het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Rechtsvordering om de naleving van beschikkingen van de kinderrechter te verbeteren en de partij bepleit tevens een beter gebruik van bestaande sancties. Concreet voorstel is om de sancties automatisch op te nemen in beschikkingen. Eventueel dient daarvoor de wet te worden aangepast.
§6.2 Het CDA
Voor het CDA is het uitgangspunt: "omgang moet, tenzij".
Het CDA wil niet uitsluiten dat strafrechtelijke sancties bij het nakomen van de omgangsregeling behulpzaam kunnen zijn.
Het CDA wil naar mogelijkheden tot aanvulling zoeken in het civiele recht om rechtshandhaving in het omgangsrecht bevorderen.
§6.3 D’66
D'66 is tegen strafrechtelijke sancties. D'66 acht het niet in het belang van het kind dat de verzorgende ouder wordt gestraft. Bovendien is volgens D'66 elders gebleken dat strafrechtelijke sancties niet helpen en dus een symbolische wetgeving zullen zijn. Men wil daar niet aan meewerken.
D'66 is voorstander van omgangshuizen, omgangsbemiddeling en omgangsbegeleiding en bepleit wat het laatste betreft dat deze niet door de Raad voor de Kinderbescherming zal worden verricht, gezien de aversie die veel ouders tegen de Raad hebben.
§6.4 De VVD
De VVD is voorstander van strafrechtelijke sancties. De VVD zoekt het in op te leggen taakstraffen aan ouders die beschikkingen niet naleven.
Volgens de VVD moet zowel het 'voortraject' worden versterkt (met name verplichte bemiddeling alvorens men toegang krijgt tot de kinderrechter) als ook het 'natraject' (duidelijke strafrechtelijke sancties als beschikkingen van de rechter niet worden nageleefd)
De VVD heeft het kabinet gevraagd om een kwaliteitsonderzoek naar de rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming en naar de beleving van de cliënten van de Raad te doen.
§6.5 GroenLinks
GroenLinks is tegen strafrechtelijke sancties.
Lijfsdwang (een huidige sanctie) acht GroenLinks niet in het belang van het kind.
GroenLinks bepleit omgangshuizen 'en andere bemiddelings-strategieën', zoals een voorlichtingscampagne die duidelijk moet maken dat omgang in het belang van het kind is.
Groenlinks is van mening dat de Raad voor de Kinderbescherming geen rol moet spelen in bemiddelingsprocessen.


Hoofdstuk 7: Mogelijke oplossingen voor de problemen inzake het omgangsrecht
Omdat velen wel een (andere) mening hebben over het huidige omgangsrecht zullen we in dit hoofdstuk een uiteenzetting geven van de verschillende meningen en aangedragen oplossingen.
  • Niet nakomen omgangsregeling strafbaar stellen (Klaas en Jannie Ebels regiovertegenwoordigers Dwaze Vaders 3 noordelijke provincies en uit "het verdeelde kind, een literatuuronderzoek naar omgang en scheiding door dr.E. Spruijt, drs H. Kormos, drs Ch. Burggraaf en mr. Drs A. Steenweg van capaciteitsgroep Kinder- en Jeugdstudies Universiteit Utrecht in opdracht van de Raad voor de Kinderbescherming)
  • Raad voor de kinderbescherming onder de loep nemen (Klaas en Jannie Ebels regiovertegenwoordigers Dwaze Vaders 3 noordelijke provincies)
  • Raad voor de kinderbescherming opdoeken (Klaas en Jannie Ebels, regiovertegenwoordigers Dwaze Vaders 3 noordelijke provincies)
  • Een particulier recherchebureau uit laten zoeken voor de Raad wat waar is en wat niet. (Huub Steinbusch, directeur recherchebureau Steinbusch te Beek)
  • Het betrekken van mensen uit de omgeving van de partijen in het oordeel van de rechter (Hans Krosses, directeur landelijk platform SCJF)
  • Verplichte bemiddeling voor ouders die er samen niet uitkomen en pas een oordeel van de rechter als bemiddeling echt is mislukt. Net als in Noorwegen.(Boris Dittrich Tweede Kamer-lid D66)
  • OTS uitbreiden met een omgangs-ots.Wanneer niet verzorgende ouder niet meewerkt aan de uitvoering van de omgangsregeling moet deze onder toezicht worden gesteld worden, met benoeming van een kindervoogd die specifiek de belangen van de kinderen behartigt en de omgangsregeling probeert op gang te brengen. De kindervoogd moet dan een mediator zijn. De opleiding van mediators moet dan wel worden verbeterd. (D66)
  • De ouder die de vastgestelde omgangsregeling niet nakomt moet veroordeeld kunnen worden in de kosten van de procedures die de andere ouder moet maken om zijn recht te halen. (D66
  • In de wet een minimale standaardomgangsregeling opnemen: De niet verzorgende ouder heeft recht op omgang gedurende een weekend per veertien dagen. (D66)
  • Gescheiden ouders die omgang tussen de niet verzorgende ouder en het kind goed laten verlopen moeten belastingvoordeel genieten. De ouders moeten eenmaal per jaar verklaren dat de omgangregeling loopt.(conclusie uit "het verdeelde kind, een literatuuronderzoek naar omgang en scheiding door dr.E. Spruijt, drs H. Kormos, drs Ch. Burggraaf en mr. Drs A. Steenweg van capaciteitsgroep Kinder- en Jeugdstudies Universiteit Utrecht in opdracht van de Raad voor de Kinderbescherming)
  • Verplichte hulpverlening om omgang van het kind met beide gescheiden ouders in stand te houden. (uit "het verdeelde kind, een literatuuronderzoek naar omgang en scheiding door dr. E. Spruijt, drs H. Kormos, drs Ch. Burggraaf en mr. Drs A. Steenweg van capaciteitsgroep Kinder- en Jeugdstudies Universiteit Utrecht in opdracht van de Raad voor de Kinderbescherming)
  • Paradoxale toewijzing, het verschuiven van de verantwoordelijkheden van de ouders, bijvoorbeeld het toewijzen van het kind aan de ouder die wel van harte omgang toestaat. (gevonden in verslag van een bijeenkomst van 15 ouders zonder omgang en 15 Raadsmedewerkers. Door Jule van Dam van Heeswijk)


Conclusie
Na het onderzoek dat wij hebben verricht kunnen wij tot de conclusie komen dat het omgangsrecht niet meer voldoet. De samenleving is veranderd en het omgangsrecht moet hieraan aangepast worden. Onze vraag aan het begin van het onderzoek was:
"Voldoen de huidige artikelen die het recht op omgang regelen nog aan de eisen die de hedendaagse maatschappij daaraan stelt?"

Hierop kunnen wij antwoorden dat de artikelen die het recht op omgang regelen niet meer aan de eisen voldoen die de hedendaagse maatschappij hieraan stelt.
Wij zijn tot de conclusie gekomen dat er relatief vaak iets fout gaat met de omgangsregeling. Dit kan allerlei door allerlei oorzaken komen. Maar het grootste probleem dat wij tegen zijn gekomen is dat de omgangsregeling gewoon niet wordt nageleefd. Over het algemeen zijn het de vaders die de omgang ontzegd wordt. Deze vaders kunnen dan jarenlang procederen, vaak zonder gewenst resultaat.
In het laatste hoofdstuk hebben wij enkele mogelijke oplossingen hiervoor bedacht. Omdat wij niet voor de maatschappij kunnen spreken, zullen wij hieronder beiden onze eigen mening geven en aangeven wat volgens ons de beste oplossing is.
De mening van Finfola:
Ik vindt dat de Raad voor de Kinderbescherming aan een onderzoek moet worden onderworpen. Er moet een onderzoekscommissie ingesteld worden die na kan gaan waar de problemen zitten en waar het proces van onderzoek door de Raad beter kan verlopen. Zoals bijvoorbeeld het ondervragen van personen uit de omgeving van het kind. Momenteel worden oma’s en opa’s vaak niet gehoord, ook al vragen zij hierom. De ouders van het kind zelf zijn in een strijd verwikkeld (anders zou de omgang beter verlopen) en kunnen hoogstwaarschijnlijk niet objectief zijn. De grootouders van het kind zijn waarschijnlijk ook niet volledig objectief, maar hun meningen en verhalen kunnen het onderzoek completeren.
Verder ben ik van mening dat er verplichte bemiddeling moet komen. Wanneer ouders naar de Rechtbank stappen, moet deze de partijen doorverwijzen naar een bemiddelaar. Volgens mr. Flinterman zijn de resultaten hiervan over het algemeen goed. In een groot deel van de gevallen wordt er bij de bemiddeling alsnog in onderling overleg een omgangsregeling vastgesteld. Wanneer dit dan niet lukt, zal de rechter zelf een beslissing moeten nemen. Om dit te kunnen bewerkstelligen, zal dit in de wet moeten worden opgenomen.
En tot slot vindt ik dat het niet naleven van de omgangsregeling strafbaar moet worden gesteld. Momenteel wordt er in de Tweede Kamer over gesproken, maar omdat dit onderzoek op korte termijn zal worden afgesloten, kunnen wij dit niet meer meenemen. Ik denkt dat de omgangsregeling beter zal worden nageleefd als er een straf op niet-nakoming staat. Deze straf zal een gevangenisstraf of een ondertoezichtstelling moeten inhouden. Sommige mensen vinden een gevangenisstraf niet gepast, omdat het kind dan de verzorgend ouder kwijt is voor enige tijd. Dit zal slechts een paar dagen zijn en het kind kan dan bij de andere ouder verblijven. In gevallen waarin dit praktisch niet mogelijk is, als bijvoorbeeld de ene ouder in Limburg woont en de verzorgende ouder in Groningen, dan is ondertoezichtstelling het antwoord. De rechter zal per geval moeten bekijken wat de beste straf is. Er moeten in ieder geval meerdere opties zijn. Bij ondertoezichtstelling moet er een voogd worden aangesteld die de belangen van het kind in de gaten houdt. Volgens mij zal een geldboete niet zal werken, omdat deze niet betaald zal worden, waarop dan geen verdere maatregelen genomen kunnen worden. Zoals te zien is bij de problematiek van de alimentatie, is het relatief makkelijk om gewoon niet te betalen. In het geval van omgangsrecht zal de niet-verzorgende ouder weer nieuwe procedures op moeten starten om het geld van de verzorgende ouder te krijgen. Daarnaast is er een grote kans dat het kind hierdoor benadeeld wordt. Hoe hoger het bedrag wordt, hoe minder geld er overblijft voor de verzorgende ouder en voor het kind.
Het voorstel van D66 om de ouder die de omgangsregeling niet nakomt te veroordelen in de kosten van de procedures die de andere ouder moet opstarten om zijn recht te halen, lijkt mij niet de juiste oplossing. Hier ontstaat dezelfde situatie als met het opleggen van een geldboete. Wanneer de verzorgende ouder niet betaald, zijn er weinig maatregelen die genomen kunnen worden en met elke maatregel wordt het bedrag hoger. Wanneer de verzorgende ouder dan wel betaalt, gaat dit ten koste van het kind. Er is immers minder geld over voor het kind.
Het andere voorstel van D66 om een minimale standaardomgangsregeling in de wet op te nemen, lijkt mij ook geen juiste oplossing. Ieder geval is immers anders. Er zijn zo ook gevallen waarin de niet-verzorgende ouder weinig behoefte heeft aan omgang of dat deze ouder weinig thuis is (bijvoorbeeld door werk regelmatig in het buitenland). Stel dat deze ouders graag een omgangsregeling van vier dagen per maand willen, aan het eind van de maand. Wanneer dan in de wet staat dat de minimale omgangsregeling één weekend per twee weken is, zou dit dan niet mogelijk zijn. Dan moet er dus een uitzondering in de wet worden opgenomen waardoor het minimale ervan weer wegvalt. Praktisch gezien is dit volgens mij niet makkelijk uitvoerbaar.
Volgens mij moet dus verplichte bemiddeling in de wet worden opgenomen. Verder moet de Raad voor de Kinderbescherming aan een onderzoek worden onderworpen en moeten er tot slot sancties komen op het niet-nakomen van een omgangsregeling.
De mening van Daniëla:
In grote lijnen ben ik het met de mening van Finfola eens. Ook ik ben van mening dat het uiterst nuttig zal zijn om ook derden te horen in het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, zoals de door Finfola genoemde opa’s en oma’s, maar ook bijvoorbeeld de buren, eventueel onderwijzers, enzovoorts.
Tevens ben ik van mening dat verplichte bemiddeling een veelbelovend middel is om toch een voor beide partijen bevredigende omgangsregeling tot stand te brengen. Dit zal inderdaad in de wet moeten worden vastgesteld omdat ruziemakende partijen niet snel voor een bemiddelaar zullen kiezen. Wanneer dit verplicht wordt kunnen de partijen er niet omheen en ‘zullen ze eraan moeten geloven’. Ik ben van mening dat een door een bemiddelaar tussen partijen tot stand gebrachte omgangsregeling meer kans van slagen heeft dan een door de rechter opgelegde regeling.
Een geldboete bij het niet nakomen van een omgangsregeling lijkt mij niet de oplossing omdat er verzorgende ouders zijn die ten koste van alles een omgangsregeling zullen proberen te voorkomen, zodat ze zelfs de hoogste geldboetes dan wel dwangsommen zullen betalen. Ook is mogelijk dat de onwelwillende verzorgende ouder niet zo vermogend is, en de geldboetes alleen maar zullen leiden tot een slechtere financiële situatie voor ouder en kind. Uiteraard is dit niet in het belang van het kind.
Het strafbaar stellen van het niet nakomen van een omgangsregeling vindt ik in principe een prima plan, maar dan wel als uiterste middel. In dit geval ben ik dan het meest voor werkstraffen omdat het kind hier in principe niets van hoeft te merken en hierdoor ook niet geschaad kan worden. Indien blijkt dat er gerecidiveerd wordt lijkt mij de gevangenisstraf de laatste optie.
Volgens mij is paradoxale toewijzing het sterkste middel om frustratie van een omgangsregeling te vermijden dan wel te bestraffen. Een verzorgende ouder die ten koste van alles (en dus ook ten koste van het kind wanneer er sprake is van een ouderverstotingssyndroom) ieder contact tussen niet-verzorgende ouder en het kind wil voorkomen zal naar mijn mening zeker afgeschrokken worden van de mogelijkheid dat het kind kan worden toegewezen aan de andere ouder. Uiteraard kleven ook aan deze mogelijkheid de nodige nadelen. Natuurlijk is het niet fijn voor een kind om uit de vertrouwde omgeving gehaald te worden maar naar mijn mening is dat – in een extreme situatie zoals hiervoor beschreven – wel in het belang van het kind omdat de verzorgende ouder in zo’n situatie ernstig aan dit belang tekort doet.
Mijn mening is, kort samengevat, dat indien de ouders het onderling niet eens worden over de omgangsregeling, ze door de rechter doorverwezen moeten worden naar een bemiddelaar. Indien dan door de ouders zelf, dan wel door de rechter de omgangsregeling is vastgesteld en deze niet wordt nagekomen door de niet-verzorgende ouder, het kind toegewezen moet worden aan de andere ouder. Indien dan op welke manier dan ook, de omgangsregeling of paradoxale toewijzing alsnog door de verzorgende ouder wordt verhinderd, moet deze hiervoor gestraft worden. In eerste instantie met een werkstraf, bij recidive met een gevangenisstraf.
<><><><>
Dankwoord
Op deze plaats willen wij graag iedereen bedanken die aan ons onderzoek heeft meegeholpen.
Ten eerste bedanken wij de mensen die ons te woord wilden staan voor een interview. Dit zijn Klaas en Janny Ebels, regiovertegenwoordigers van Dwaze vaders. En mr. Duursma, familierechter bij de Rechtbank te Groningen.
Ook willen wij iedereen bedanken die onze enquête hebben ingevuld. Om redenen van privacy zullen wij deze namen achterwege laten.
Tot slot willen wij onze afstudeerbegeleider Graciëla Emerencia bedanken voor alle hulp en steun tijdens het afstudeerproject.
<><><><>
Literatuurlijst
Aangehaalde en geraadpleegde literatuur.
  • Prof.mr.J.E.Doek, Omgangsrecht, ‘s- Gravenhage: Vuga Uitgeverij 1984.
  • Kluwer Collegebundel Wetteksten 2003-2004, Deventer, 2003.
  • U. Heeffer, De effectuering van een omgangsregeling, Wetenschapswinkel, Katholieke Universiteit Brabant, 2000.
  • Woldering, ‘Interview met rechter mr. Dia Flinterman’, Tijdschrift voor Sociaal Juridische Dienstverlening 2003-4.
  • Algemeen Dagblad, 11 april 2002, ¨Dwang voor onwillige ouders".
  • G.P. Hoefnagels, ‘Verscheurde kinderen, verbitterde moeders, verloren vaders¨, Trouw, 5 oktober 2002.
  • Woldering & mr. M. Berger, ‘De Raad voor de Kinderbescherming weet zich geen raad’, Tijdschrift voor Sociaal Juridische Dienstverlening, 2003-4, p. 9-12.
  • G.P. Hoefnagels, Gescheiden meningen. Over huwelijk, samenleven en scheiden, Rotterdam:Ad.Donker, 1982.
  • J. Parlevliet, Ouderschap na echtscheiding. Over nieuwe ontwikkelingen in regelingspraktijken bij gescheiden ouders en hun kinderen, Zeist: NISSO, 1985.
  • Prof. mr. M.J.A. van Mourik & prof.mr. A. J.M. Nuytinck, Personen en familierecht, huwelijks- en vermogensrecht en erfrecht, Deventer: Kluwer 2002.
  • M.H. Bastiaans e.a., Leidraad voor juridische auteurs, Deventer: Kluwer 2001.
Nederlands Juristenblad
<><><><>
Bijlage 1 - Vragen interview afstudeerproject
Wat is uw naam?
Wat is uw beroep?
Op welke manier komt u in contact met het omgangsrecht? (als advocaat veel cliënten hierover, als rechter veel zaken over dit onderwerp, bepaalde organisatie, e.d.)
Waarom hebt u ervoor gekozen om met het omgangsrecht te werken?
Hoe gaat u om met uw eigen gevoelens als een zaak bepaalde, sterke gevoelens bij u oproept?
Hoe gaat u om met de gevoelens van uw cliënt / de partijen bij de zitting / cliënt van uw organisatie?
7a. Hoeveel zaken heeft u inmiddels ongeveer behandeld inzake omgangsrecht?
7b. In hoeveel van deze zaken is een omgangsregeling onderling getroffen en ook daadwerkelijk nagekomen?
7c. In hoeveel van deze zaken is een omgangsregeling door de rechter bepaald en ook daadwerkelijk nagekomen?
Welke rechtsmiddelen gebruikt u indien de omgang niet wordt nagekomen? (bijv. KG nakoming omgangsregeling / verzoek wijziging hoofdverblijf / verzoek wijziging gezag c.q. eenhoofdig gezag / dwangsom)
Worden de problemen omtrent de omgang tussen kind en niet-verzorgende ouder na een scheiding, volgens u wel als zodanig onderkend?
Hoe groot acht u de mogelijkheid voor de verzorgende ouder om de omgang tussen de niet-verzorgende ouder en het kind te frustreren c.q. te belemmeren?
De HR stelt in zijn uitspraak van 5 mei 1865 (W.2694) dat de niet-verzorgende ouder de mogelijkheid moet hebben om te waken over een goede verzorging en opvoeding van de kinderen, hij moet in geval van verwaarlozing de nodige veranderingen in gang kunnen zetten. In de praktijk is gebleken dat wanneer de verzorgende ouder de omgang frustreert, het vrijwel onmogelijk is voor de andere ouder om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

Hoe zou hier volgens u uitvoering aan kunnen worden gegeven in de gevallen waarin de verzorgende ouder niet meewerkt?
12.
Mr. S.F.M. Wortmann, is van mening dat het belang van het kind niet ten koste van alles mag gaan. Volgens haar is onwil van het kind nog geen reden om de omgang met de niet-verzorgende ouder te ontzeggen.
Uit de praktijk is gebleken dat onwil van het kind zwaar meeweegt in een beslissing omgang niet toe te kennen.
Wat vindt u hiervan en ziet u hiervoor een oplossing?
Mr. G.P. Hoefnagels is van mening dat de huidige juridische omgangsprocedure met de Raad voor de Kinderbescherming, advocaten en rapporten, in strijd is met de belangen van het kind.

Hoe staat u hier tegenover?
14a. Indien u het eens bent met mr. G.P. Hoefnagels, heeft u dan een voorstel voor verbetering?
14b. Indien u het niet eens bent met mr. G.P. Hoefnagels, kunt u dan uitleggen waarom?
15a. Hoe ervaart u de invloed die de Raad voor de Kinderbescherming heeft op de rechter bij zijn oordeelsvorming in een zaak betreffende omgang?
15b. Indien u van mening bent dat deze invloed niet juist is gedoseerd, acht u het mogelijk hier iets aan te veranderen, en zo ja, hoe?
16. Indien de Raad voor de Kinderbescherming een misstap begaat, wat zijn volgens u de mogelijkheden om dit te corrigeren, dan wel in de toekomst te voorkomen?
17a. Hoe staat u tegenover omgangsbemiddeling?
17b. Vindt u dat omgangsbemiddeling door de wet verplicht moet worden en waarom?
17c. En wat zijn volgens u de voor- en nadelen van omgangsbemiddeling?
18a. Wat vindt u van de BOR-huizen (Begeleide OmgangsRegeling)?
18b. Bent u van mening dat dit, wellicht zelfs bij de wet, gestimuleerd moet worden?
19.
Volgens mr. J.C.M. Willems, van de Universiteit van Maastricht, is het begrip ´in het belang van het kind´ een mensenrechtelijk en pedagogisch vrijwel lege huls.
Hoe staat u hier tegenover en hebt u een idee hoe invulling te geven is aan deze spreekwoordelijke lege huls?
20. Voorziet de Europese wet- en regelgeving naar uw mening enkel in een mogelijkheid tot uitzondering van het recht op omgang in gevallen waarin dit noodzakelijk is, of biedt het ook de mogelijkheid voor ouders om omgang tussen het kind en de andere ouder te frustreren?
21a. Zo ja, is de nationale wetgeving omtrent omgang dan niet overbodig?
21b. Zo niet, dan is de mogelijkheid tot uitzondering de enige toegevoegde waarde die de nationale wetgeving heeft. Is deze mogelijkheid noodzakelijk voor de schaarse gevallen waarin ontzegging van de omgang gerechtvaardigd is?
22. Is strengere wetgeving volgens u een betere optie dan algehele afschaffing? Of moet juist een artikel aan de nationale wetgeving worden toegevoegd waarin de enige mogelijkheden tot ontzegging van omgang limitatief staan opgesomd? Wat is volgens u de beste manier om frustratie van de omgangsregeling tegen te gaan?
23. Hoe staat u tegenover de mogelijkheid van het onderbrengen van het omgangsrecht in het strafrecht, en waarom?
24. Welke eisen stelt de hedendaagse maatschappij volgens u aan de regelingen omtrent omgang?
25. De volgende passage komt uit het boek ´Surviving a break-up´ van J. Wallerstein en J. Kelly uit 1989;
¨Voor de kinderen is continuïteit in de relatie met de niet-verzorgende ouder belangrijk voor een goede verwerking van het echtscheidingsproces. Regelmatig bezoek is daarom noodzakelijk. Het recht dient continuïteit in de relatie met beide ouders te ondersteunen.¨
Vindt u dat de huidige nationale wetgeving het hierboven gestelde voldoende waarborgt?
Tot slot: Heeft u verder nog opmerkingen, nuttige tips of belangrijke zaken die wij vergeten zijn?
Bedankt voor uw tijd.

Resultaten interview
We hebben met twee personen een interview gehouden, te weten Klaas en Janny Ebels, regiovertegenwoordigers van de Stichting Dwaze Vaders en met de heer mr. T. Duursma, familierechter en vice-president van de Rechtbank te Groningen.
Verder hebben we deze lijst met vragen naar plusminus 60 advocatenkantoren door het hele land gemaild. Helaas hebben we hier geen enkele reactie op ontvangen. Ook hebben we deze lijst gemaild naar de politieke partijen. Hier hebben een aantal reacties op ontvangen, maar deze hielden helaas in dat ze geen tijd hadden om de vragen te beantwoorden en we werden doorverwezen naar de websites van de betreffende partijen.
<><><><>
Bijlage 2 - Vragenlijst enquête
Wat is uw naam?
Wat is uw beroep?
Wat is uw leeftijd?
Bent u een man of een vrouw?
5a. Heeft u kinderen?
5b. Zo ja, hoeveel kinderen heeft u en hoe oud zijn ze?
6a. Bent u wel eens zelf in aanraking gekomen met het omgangsrecht?
6b. Zo ja, op welke manier en wilt u hier iets over vertellen?
7a. Indien u nog niet zelf in aanraking bent gekomen met het omgangsrecht, is het onderwerp reeds ter sprake gekomen met uw partner?
7b. Wat verwacht u dat uw reactie zal zijn als u de omgang met uw kinderen wordt ontzegd? Maakt u snel de gang naar de rechter of probeert u het op andere wijze (hierbij valt te denken aan bemiddeling)?
8. Wat zijn, volgens u, goede gronden om omgang te ontzeggen? (meerdere antwoorden mogelijk)
9. Indien u er niet in bent geslaagd een omgangsregeling tot stand te brengen (via de rechter), waar denkt u dan dat het fout is gelopen?
10. Wat is uw mening over de Raad voor de Kinderbescherming?
11. Indien u dit nodig acht, heeft u suggesties voor de verbetering van de procedure van het vaststellen van een omgangsregeling?
12. Indien u van mening bent dat wij een belangrijk onderwerp buiten beschouwing hebben gelaten, dan kunt u dat hier aangeven.
Bedankt voor uw medewerking.
Indien u dit wenst, kunt u het afstudeerproject te zijner tijd per mail van ons ontvangen.
Resultaten enquête
Op de verschillende websites van de stichtingen van mensen die met het omgangsrecht te maken hebben, hebben wij een oproep geplaatst om mensen te bewegen tot het invullen van onze enquête. De mensen die hierop hebben gereageerd hebben wij de enquête gemaild. We hebben 12 verzoeken gehad om de enquête toe te sturen. Dit hebben we gedaan en daar zijn 7 ingevulde enquêtes uit voort gekomen.
De resultaten die hieruit naar voren zijn gekomen, hebben wij in het verslag verwerkt. In verband met privacy van de personen die de enquête hebben ingevuld, zullen wij deze niet bijvoegen.
<><><><>

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen